Zittingsduur Eerste Kamer

Alle Eerste Kamerleden worden om de vier jaar gekozen. Het conceptwetsvoorstel 'Grondwetsherziening zittingsduur Eerste Kamer en herzieningprocedure' stelt voor de zittingsduur van de Eerste Kamer te verlengen naar zes jaren. Om de drie jaren zullen dan beurtelings 38 en 37 leden worden gekozen. Dit moet zowel de legitimiteit van de Eerste Kamer en van de Provinciale Staten als de stabiliteit van de Eerste Kamer vergroten.

De Eerste Kamerleden worden (getrapt) gekozen. Leden van de Provinciale Staten en de leden van de kiescolleges voor de Eerste Kamer in de Caribische Openbare lichamen kiezen drie maanden nadat zij zijn verkozen de leden van de Eerste Kamer. De Provinciale Statenverkiezingen worden hierdoor vaak overschaduwd door de verkiezing van de Eerste Kamer en landelijke thema's. Het politieke karakter van de Eerste Kamer staat op gespannen voet met haar rol als college van reflectie en heroverweging.

Een langere zittingsduur moet zowel de legitimiteit van de Eerste Kamer als die van de provinciale staten ten goede komen. Het beurtelings kiezen van 38 en 37 leden zal er voor moeten zorgen dat de Eerste Kamer beter aansluit bij haar staatkundige positie, eigen legitimatie en zal bijdragen aan haar stabiliteit.

Van 3 september tot 9 oktober was er een internetconsultatie beschikbaar over het conceptwetsvoorstel.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Het voorstel

In het conceptwetsvoorstel worden Artikel 52, 55 en 64 als volgt gewijzigd:

Artikel 52

  • 1. 
    De zittingsduur van de Tweede Kamer is vier jaren.
  • 2. 
    De zittingsduur van de Eerste Kamer is zes jaren. Om de drie jaren treden beurtelings achtendertig leden en zevenendertig leden af

Artikel 55*

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten en de leden van een kiescollege als bedoeld in artikel 132a, derde lid.

*Over de eerste volzin van Artikel 55 is ook een wijziging voorgesteld. Lees hier meer over Kiescollege Eerste Kamerverkiezingen.

Artikel 64

  • 1. 
    Elk der kamers kan bij koninklijk besluit worden ontbonden.
  • 2. 
    Het besluit tot ontbinding houdt tevens de last in tot een nieuwe verkiezing voor de ontbonden kamer en tot het samenkomen van de nieuw gekozen kamer binnen drie maanden.
  • 3. 
    De ontbinding gaat in op de dag waarop de nieuw gekozen kamer samenkomt.
  • 4. 
    De wet stelt de zittingsduur van een na ontbinding optredende Tweede Kamer vast; de termijn mag niet langer zijn dan vijf jaren.

Daarnaast is voorgesteld het volgende Artikel aan de Grondwet toe te voegen:

Artikel I

  • 1. 
    Binnen drie maanden na de dag waarop de leden van provinciale staten voor de eerste maal na de inwerkingtreding van dit artikel worden gekozen, wordt een verkiezing van de leden van de Eerste Kamer gehouden. Bij deze verkiezing van de leden van de Eerste Kamer worden achtendertig leden gekozen voor een duur van zes jaren en worden zevenendertig leden gekozen voor een duur van drie jaren. De artikelen 52 en 64 van de Grondwet naar de tekst van 1983 blijven van kracht tot het tijdstip waarop de zittingsduur van de bij de in de vorige volzin bedoelde verkiezing gekozen Eerste Kamer aanvangt.
  • 2. 
    Indien voor de inwerkingtreding van dit artikel een wijziging van artikel 55 van de Grondwet in werking is getreden die ertoe strekt ten behoeve van Nederlanders die geen ingezetenen zijn een kiescollege voor de Eerste Kamer te introduceren, wordt ‘artikel 55’ vervangen door ‘artikel 55, eerste lid’.

2.

Historische ontwikkeling

Van 1815 tot 1848 werden de Leden van de Eerste Kamer benoemd door de Koning. Met de grondwetsherziening van 1848 werd besloten tot indirecte verkiezingen van de Eerste Kamer. De zittingsduur werd op negen jaar gesteld en om de drie jaar werd een derde van de leden gekozen. In 1922 werd de zittingsduur teruggebracht naar zes jaar, waarbij om de drie jaar de helt van de senatoren werd gekozen. De reden voor deze zittingsduur was dat de Eerste Kamer zich moest onderscheiden van de Tweede Kamer om het tweekamerstelsel te beschermen.

In 1983 is overgegaan op vierjaarlijkse verkiezingen van de Eerste Kamer als geheel. Dit is het politieke karakter van de Eerste Kamer gaan benadrukken waardoor de rol van de Eerste Kamer als college van reflectie en heroverweging onder druk is komen te staan. In het eindrapport van de staatscommissie parlementair stelsel werd de wijze van de verkiezing van de Eerste Kamer geïdentificeerd als een belemmering voor een goede werking van het tweekamerstelsel. De commissie adviseerde terug te keren naar de wijze van verkiezing die gold van 1922 tot 1983.