Voordrachtscommissie benoeming leden Hoge Raad

Leden van de Hoge Raad (der Nederlanden) worden op dit moment met een koninklijk besluit benoemd na een voordracht van drie personen, die wordt opgemaakt door de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel 'Grondwetswijziging benoemingsprocedure leden Hoge Raad' stelt voor dat niet langer de Tweede Kamer verantwoordelijk is voor de voordracht van een lid van de Hoge Raad, maar een nieuw in te stellen voordrachtscommissie. De voorgestelde wijziging van de benoemingsprocedure zou een mogelijk politiek karakter van de benoeming moeten voorkomen. Ook zou er een beter evenwicht zijn tussen de rechterlijke en wetgevende macht, omdat niet uitsluitend een politiek orgaan (de Tweede Kamer) de voordracht voor de benoeming opmaakt. Dit moet de onafhankelijkheid van de Hoge Raad waarborgen.

Op dit moment stuurt de president van de Hoge Raad bij een vacature in de Hoge Raad een lijstje van zes personen naar de Tweede Kamer. De Tweede Kamer moet nu drie personen voordragen maar hoeft zich daarbij niet te houden aan het lijstje van de president van de Hoge Raad. Met het instellen van de voordrachtscommissie wordt de benoeming gedepolitiseerd. De commissie gaat bestaan uit drie personen waarvan de eerste persoon door de Tweede Kamer wordt aangewezen. De tweede persoon is een door de Hoge Raad aangewezen lid van diezelfde Raad. De derde persoon is een door de Tweede Kamer en de president van de Hoge Raad gezamenlijk aangewezen persoon. Deze derde persoon mag niet in de Eerste of Tweede Kamer, of rechter zijn.

Van 24 december 2019 tot 1 maart 2020 liep er een internetconsultatie over dit conceptwetsvoorstel. Het voorstel is in lijn met de aanbeveling van de Staatscommissie Parlementair Stelsel.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Het voorstel

In het conceptwetsvoorstel wordt artikel 118 lid 1 als volgt gewijzigd:

Artikel 118

  • 1. 
    De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, in gezamenlijk overleg opgemaakt door een door de Tweede Kamer aangewezen persoon, een door de president van de Hoge Raad aangewezen lid van de Hoge Raad en een door de Tweede Kamer en de president van de Hoge Raad gezamenlijk aangewezen persoon die niet lid is van de Staten-Generaal of van een bij wet ingesteld college dat met rechtspraak is belast.

Bovendien wordt een additioneel artikel VI toegevoegd waarmee wordt voorkomen dat het gewijzigde artikel 118 conform artikel 139 onmiddellijk in werking treedt. Dat is nodig omdat na wijziging van artikel 118 een (technische) wijziging van art 5c van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtnaren (Wrra) nodig is. In dit artikel wordt gesproken over een voordracht ten behoeve van de Tweede Kamer. Dat moet worden gewijzigd in een voodracht ten behoeve van de voordrachtscommissie.

2.

Historische ontwikkeling

De voorgeschiedenis van het huidige artikel 118, eerste lid, van de Grondwet gaat terug tot de Grondwet van 1814. De meest gangbare verklaring voor het voordrachtsrecht - dat is vastgelegd in dit artikel - is de samenhang tussen het voordrachtsrecht van de Tweede Kamer en de bijzondere rol van de Hoge Raad voor de berechtiging van ambtsdelicten van - met name - bewindspersonen. Het voordrachtsrecht heeft in het kader van enkele grondwetswijzigingen wel ter discussie gestaan, maar is in essentie niet veranderd.

In het verleden zijn er wel eens 'benoemingsincidenten' geweest. Zo weigerde koning Willem III in 1851 en 1852 de benoeming van N. Olivier, omdat die te veel een medestander van Thorbecke was. Aan het einde van de 19e eeuw kwam het wel eens voor dat de Tweede Kamer afweek van de door de president van de Hoge Raad aangedragen kandidaten.

In 1979 vond in de aanloop van de Grondwetsherziening van 1983 een discussie in de Tweede Kamer plaats over de voordracht, en of deze voordracht nog wel gehandhaafd moest worden nu de Tweede Kamer de voordracht eigenlijk alleen maar afstempelde. De voordracht bleef bestaan, maar de Tweede Kamer keerde zich wel tegen politisering van de voordracht.

In 2011 legde PVV-fractievoorzitter Geert Wilders een stemverklaring af dat de PVV blanco had gestemd omdat de tweede persoon op de lijst, Y. Buruma, volgens Wilders te veel politieke uitspraken deed en de PVV hem daarom niet in de Hoge Raad wilde.