Grondwet van 1887: tussenstap in kiesrecht- en schoolstrijd

Inhoudsopgave van deze pagina:

Onderverdeling

Grondwetsherzieningen van 1887

Hoewel de resultaten van de herziening van 1887 op het eerste gezicht teleurstellend waren, was het belang op langere termijn toch groter dan gedacht. De grondwetsherziening leidde niet tot algemeen kiesrecht, noch tot een definitieve oplossing van de onderwijskwestie, maar gaf daartoe wel aanzetten.

De vereisten voor het kiesrecht werden namelijk aanzienlijk verruimd, waarbij uitwerking in de Kieswet verdere mogelijkheden bood. Wel wordt nu formeel vastgelegd - in de Grondwet van 1848 was dat verzuimd - dat vrouwen geen kiesrecht hadden.

De onderwijsbepaling bleef weliswaar ongewijzigd, maar uitspraken van Kamerleden en van minister Heemskerk openden de weg voor subsidieverlening aan het bijzonder onderwijs.

Verder leidde de herziening tot:

  • verruiming van de mogelijkheden om tot Eerste Kamerlid gekozen te worden. Naast de hoogte van betaalde belastingen gaven voortaan ook allerlei ambten (zoals Tweede Kamerlid, hoogleraar, rechter) toegang tot het Eerste Kamerlidmaatschap
  • de mogelijkheid voor Tweede Kamerleden om zelf initiatiefvoorstellen in de Eerste Kamer te verdedigen
  • uitbreiding van het aantal leden van de Tweede Kamer van 86 naar 100 en van de Eerste Kamer van 39 naar 50

Enkele gedetailleerde bepalingen over defensie, waterstaat en het gemeentelijk en provinciaal bestuur werden uit de Grondwet gehaald

In 1884 was al door een beperkte herziening de mogelijkheid opgenomen om ook tijdens een regentschap de Grondwet te mogen wijzigen. Dat was wenselijk, omdat gevreesd werd dat na het overlijden van koning Willem III er lange tijd een regentschap zou zijn.