De Nederlandse Grondwet

De Grondwet is het fundament van de Nederlandse rechtsstaat. In de Grondwet staan de basisregels die in Nederland gelden en waar iedereen die zich in Nederland bevindt aan heeft te houden. De Grondwet bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat de grondrechten. Het tweede deel bevat verschillende hoofdstukken over de staatsinstellingen en hun functioneren, zoals de regering (Koning en ministers), de Staten-Generaal (de Tweede en Eerste Kamer) en hoe die gezamenlijk wetten maken. In de Grondwet komt verder de taak en inrichting van de rechterlijke macht en de inrichting van het provinciaal en gemeentelijk bestuur aan de orde.

In 1983 vond een grote herziening van de Grondwet plaats. Dat was vooral een modernisering. Er vonden geen principiële aanpassingen plaats. Na 1983 werd de Grondwet nog wel op kleine puntjes aangepast. Voor het laatst gebeurde dat in 2017 in verband met staatsrechtelijke inrichting van Caribisch Nederland.

Het statuut

Het Statuut voor het Koninkrijk vormt sinds 1954 een overkoepelend document van een hogere orde dan de Grondwet. Met het statuut staan Aruba, Curaçao, Nederland en Sint Maarten als gelijke landen binnen het Koninkrijk. De Grondwet dient het Statuut in acht te nemen. In de Grondwet is ook vastgelegd dat bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties voorrang hebben op nationale wetgeving. Hierdoor is de Grondwet weliswaar de hoogste nationale wet, maar hoeft het niet de hoogst geldende wet te zijn.

Ongeschreven staatsrecht

Naast de geschreven Grondwet bestaan er ook ongeschreven constitutionele regels. Zo staat bijvoorbeeld niet in de Grondwet de regel dat het kabinet het vertrouwen van de Tweede Kamer moet hebben. Dit is een regel die de Tweede Kamer in de loop der jaren heeft weten af te dwingen. Ook staat niet in de Grondwet hoe een kabinet moet worden gevormd. Ook hiervoor gelden regels die in de loop der jaren zijn ontstaan.

Historische ontwikkeling

Elementen uit de Grondwet van 1798 ten tijde van de Bataafseche republiek zijn nog steeds terug te vinden in de huidige Grondwet. De basis voor de huidige Grondwet werd gelegd na de Franse tijd in 1814 met de inrichting van een soeverein vorstendom met Willem I als soeverein vorst. Na de vereniging met België kwam er in 1815 een nieuwe Grondwet met Nederland als een Koninkrijk. Deze Grondwet is nog steeds van kracht maar nadien meermalen gewijzigd. De belangrijkste wijzingen waren in

  • 1840: de afsplitsing van België
  • 1848: het invoeren van de ministeriële verantwoordelijkheid, met elementen uit de Grondwet van 1798
  • 1917: de onderwijspacificatie en het invoeren van het algemeen kiesrecht

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Grondrechten

In hoofdstuk 1 zijn de rechten van iedere ingezetene vastgelegd. Het gaat daarbij met name om mensenrechten en democratische rechten. Zo zijn het discriminatieverbod (art. 1), de vrijheden van godsdienst en meningsuiting, de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam, het recht op privacy, rechtsbescherming en het recht op betoging opgenomen.

Ook sociale rechten zoals het recht op huisvesting, sociale zekerheid, gezondheidszorg, onderwijs en werk zijn in hoofdstuk I vastgelegd.

2.

Regering

In hoofdstuk 2 is de positie van de Koning en van de ministers en staatssecretarissen vastgelegd. Samen vormen zij de regering.

De Grondwet bepaalt dat de ministers verantwoordelijk zijn en dat de Koning onschendbaar is. Dit noemen we de ministeriële verantwoordelijkheid.

Verder worden onder andere zaken geregeld met betrekking tot de troonopvolging, het regentschap, het huwelijk van een troonopvolger en over ministeries en de ministerraad.

3.

Staten-Generaal

In hoofdstuk 3 zijn de taken, bevoegdheden, zittingsduur en werkwijze van Eerste en Tweede Kamer vastgelegd.

Tevens zijn regels opgenomen over de Verenigde vergadering, de toelating van de leden, het voorzitterschap en de verkiezingen.

Ten slotte zijn bepalingen opgenomen over de openbaarheid van de vergaderingen, over de rechtspositie van de leden en over onverenigbare functies.

4.

Raad van state, Algemene Rekenkamer, Nationale ombudsman en vaste colleges van advies

Hoofdstuk 4 bevat bepalingen over de Raad van State, de Algemene Rekenkamer en vaste colleges van advies. De Raad van State is het hoogste adviescollege van de regering. De Rekenkamer controleert de uitgaven van het Rijk.

Vaste colleges zijn bijvoorbeeld de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en de Onderwijsraad.

De bepalingen in dit hoofdstuk hebben betrekking op de samenstelling, bevoegdheden, rechtspositie van de leden en verder op de openbaarheid van de adviezen.

5.

Wetgeving en bestuur

In hoofdstuk 5 wordt geregeld hoe wetten tot stand moeten komen, hoe de bekrachtiging van wetten moet geschieden, hoe een nieuwe wet bekend moet worden gemaakt en op welke wijze een wet inwerking kan treden.

In dit hoofdstuk zijn ook de rechten van amendement en initiatief vastgelegd en wordt bepaald wanneer en door wie een wetsvoorstel kan worden ingetrokken.

Het hoofdstuk bevat ook regels over Algemene Maatregelen van Bestuur, over de handhaving van wetten, over verdragen, over de begroting en het geldstelsel en over wetboeken.

Daarnaast zijn bepalingen opgenomen over de oorlogverklaring, over de verdediging (krijgsmacht) en over de uitzonderingstoestand.

Ten slotte wordt de rechtspositie van ambtenaren, het klachtrecht van burgers, de openbaarheid van bestuur en het verlenen van ridderorden geregeld.

6.

Rechtspraak

In hoofdstuk 6 staat wie geschillen over burgerlijke rechten en schuldvorderingen en wie strafbare feiten mogen berechten. Ook wordt bepaald aan wie de Tuchtrechtspraak wordt opgedragen.

Verder worden de hoofdlijnen van de rechtspraak geregeld, zoals op welke wijze rechtbanken moeten worden ingesteld, hoe de leden van de Hoge Raad worden benoemd en hoe berechting van ambtsmisdrijven van ministers en kamerleden dient te geschieden.

Er zijn ten slotte bepalingen opgenomen over de openbaarheid van terechtzittingen, over het verlenen van gratie en amnestie en over de toetsing van wetten en verdragen aan de Grondwet.

7.

Provincies, Gemeenten, Caribische Openbare Lichamen, Waterschappen, andere openbare lichamen

In hoofdstuk VII staan bepalingen met betrekking tot gemeenten, provincies en waterschappen, zoals hoe worden die opgeheven en ingesteld, hoe worden hun grenzen vastgesteld en welke bevoegdheden hebben ze. Bij de Grondwetswijziging van 2017 zijn de Caribische Openbare Lichamen toegevoegd.

Verder zijn bepalingen opgenomen over de gemeenteraad, over provinciale en gedeputeerde staten, over het college van burgemeester en wethouders en over de commissaris van de koning(in). Daarbij kan worden gedacht aan de wijze van verkiezing of benoeming.

Er zijn tevens artikelen opgenomen over de gemeentelijke belastingen, de vernietiging van besluiten, het toezicht op gemeenten en provincies en over de financiële verhouding met het Rijk.

Enkele bepalingen zijn gewijd aan openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen en aan de beslissing over geschillen tussen openbare lichamen.

8.

Herziening van de Grondwet

De wijze waarop de Grondwet kan worden gewijzigd, wordt geregeld in hoofdstuk 8. De voornaamste bepalingen daarbij zijn dat dit in twee stappen moet gebeuren en dat bij de tweede stap een versterkte meerderheid nodig is.

Eerst moet een overwegingswet worden aangenomen door Tweede en Eerste Kamer. Daarna wordt de Tweede Kamer ontbonden en vinden daarvoor verkiezingen plaats.

Hierna besluiten Tweede en Eerste Kamer over de eigenlijke wijziging. De Grondwet wordt alleen gewijzigd als dit voorstel met twee derden van de stemmen is aangenomen.

Ten slotte zijn enkele artikelen gewijd aan de bekrachtiging, afkondiging, inwerkingtreding en bekendmaking van de gewijzigde Grondwet en over de aanpassing van andere wetten aan de Grondwetswijziging.