Titel IV: De instellingen van de Unie

Inhoudsopgave van deze pagina:

14.

De instellingen van de Unie

  • 1. 
    De Unie beschikt over één enkel institutioneel kader dat ertoe strekt:
    • de doelstellingen van de Unie na te streven,
    • de waarden van de Unie te bevorderen,
    • de belangen van de Unie, van haar burgers en van haar lidstaten te dienen,

    en de samenhang, de doeltreffendheid en de continuïteit van het beleid en van het optreden van de Unie gericht op het verwezenlijken van haar doelstellingen, te verzekeren.

  • 2. 
    Dit institutioneel kader omvat:

    Het Europees Parlement,

    De Europese Raad,

    De Raad van Ministers,

    De Europese Commissie,

    Het Hof van Justitie van de Europese Unie,

    De Europese Centrale Bank,

    De Rekenkamer.

  • 3. 
    Elke instelling treedt op binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de Grondwet zijn toegekend, conform de procedures en volgens de voorwaarden die daarin zijn omschreven. De instellingen werken onderling loyaal samen.

Voetnoot bij lid 3:

P.m.: in een ander deel van de Grondwet moet een zin met de volgende strekking worden opgenomen: "Bij de vervulling van hun taken steunen de instellingen op een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat.".

15.

Het Europees Parlement

  • 1. 
    Het Parlement oefent, samen met de Raad, de wetgevende taak alsook de taak van politieke controle en de raadplegende taak uit onder de in de Grondwet vastgelegde voorwaarden. Het kiest de voorzitter van de Europese Commissie.
  • 2. 
    Het Europees Parlement wordt door de Europese burgers gekozen door middel van rechtstreekse algemene vrije en geheime verkiezingen voor een periode van vijf jaar. Het aantal leden bedraagt niet meer dan zevenhonderd. De Europese burgers zijn degressief evenredig vertegenwoordigd, met een minimum van vier leden van het Europees Parlement per lidstaat.
  • 3. 
    Het Europees Parlement kiest uit zijn midden zijn voorzitter en zijn bureau voor een periode van vijf jaar.

16.

De Europese Raad

  • 1. 
    De Europese Raad geeft aan de Unie de voor haar ontwikkeling noodzakelijke impulsen en stelt haar algemene politieke richtsnoeren en prioriteiten vast.
  • 2. 
    De Europese Raad bestaat uit de staatshoofden of regeringsleiders van de lidstaten, zijn voorzitter en de voorzitter van de Commissie. De minister van Buitenlandse Zaken neemt aan de besprekingen deel.
  • 3. 
    De Europese Raad komt elk kwartaal na een convocatie door zijn voorzitter bijeen. Wanneer de agenda zulks vereist, kunnen de leden van de Raad besluiten zich te laten bijstaan door een minister en, voor de voorzitter van de Commissie, door een lid van de Commissie. Wanneer de situatie zulks vereist, roept de voorzitter een buitengewone bijeenkomst van de Europese Raad bijeen.
  • 4. 
    Voorzover de Grondwet niet anders bepaalt, spreekt de Europese Raad zich bij consensus uit.

16 bis.

De Voorzitter van de Europese Raad

  • 1. 
    De voorzitter van de Europese Raad wordt door de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen gekozen voor een periode van twee en een half jaar. Hij is eenmaal herkiesbaar. Om gekozen te worden moet hij lid zijn van de Europese Raad of daarin ten minste gedurende twee jaar zitting hebben gehad. In geval van een ernstige verhindering kan de Europese Raad overeenkomstig dezelfde procedure een einde maken aan zijn mandaat.

    De voorzitter van de Europese Raad zorgt op zijn niveau voor de externe vertegenwoordiging van de Unie in aangelegenheden die onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen.

  • 2. 
    De voorzitter van de Europese Raad zit de besprekingen van de Europese Raad voor, stimuleert de besprekingen en zorgt voor de voorbereiding en de continuïteit ervan. Hij streeft ernaar de samenhang en de consensus binnen de Europese Raad te bevorderen. Na afloop van elke bijeenkomst van de Europese Raad legt hij aan het Europees Parlement een verslag voor.
  • 3. 
    De Europese Raad kan met consensus besluiten om in zijn midden een bureau in te stellen dat bestaat uit drie leden die volgens een billijk toerbeurtsysteem worden verkozen.
  • 4. 
    De voorzitter van de Europese Raad kan geen lid van een andere Europese instelling zijn, noch een nationaal mandaat uitoefenen.

17.

De Raad van ministers

  • 1. 
    De Raad van ministers oefent, samen met het Europees Parlement, de wetgevende taak uit, alsmede beleidsbepalende en coördinerende taken onder de in de Grondwet vastgelegde voorwaarden.
  • 2. 
    De Raad van ministers bestaat voor elke Raadsformatie uit een vertegenwoordiger van elke lidstaat op ministerieel niveau die gemachtigd is om de lidstaat die hij vertegenwoordigt te binden en het stemrecht uit te oefenen.
  • 3. 
    Voorzover de Grondwet niet anders bepaalt, neemt de Raad zijn besluiten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

17 bis.

De Raadsformaties

  • 1. 
    De Raad Algemene Zaken zorgt voor de samenhang van de besprekingen van de Raad van ministers. Hij bereidt met de medewerking van de Commissie de bijeenkomsten van de Europese Raad voor.
  • 2. 
    De wetgevende Raad beraadslaagt en spreekt zich samen met het Europees Parlement, conform de bepalingen van de Grondwet, uit over de Europese wetten en de Europese kaderwetten. Afhankelijk van de agenda kan de vertegenwoordiger op ministerieel niveau van elke lidstaat worden bijgestaan door één of, in voorkomend geval, twee gespecialiseerde vertegenwoordigers op ministerieel niveau.
  • 3. 
    De Raad Buitenlandse Zaken werkt het extern beleid van de Unie uit volgens de door de Europese Raad bepaalde strategische lijnen en zorgt voor de samenhang in het optreden van de Unie. Hij wordt voorgezeten door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.
  • 4. 
    De Raad komt tevens bijeen in de formatie Economische en Financiële Zaken en de formatie Justitie en Veiligheid.
  • 5. 
    De Raad in de formatie Algemene Zaken kan besluiten dat de Raad in andere formaties bijeenkomt.
  • 6. 
    De Europese Raad kan bij consensus besluiten dat het voorzitterschap van een formatie van de Raad van ministers, met uitzondering van de formatie Algemene Zaken, wordt waargenomen door een lidstaat voor een periode van ten minste één jaar, rekening houdend met het Europese politieke en geografische evenwicht en met de diversiteit van alle lidstaten.

17 ter.

De gekwalificeerde meerderheid van stemmen

  • 1. 
    Wanneer de Europese Raad of de Raad van ministers met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, wordt onder gekwalificeerde meerderheid verstaan, de meerderheid die wordt gevormd door de lidstaten die ten minste drie vijfden van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen.
  • 2. 
    In de Europese Raad nemen de voorzitter en de voorzitter van de Commissie niet deel aan de stemming.

18.

De Europese Commissie

  • 1. 
    De Europese Commissie is hoedster van het algemene Europese belang. Zij ziet toe op de toepassing zowel van de bepalingen van de Grondwet als van de bepalingen die de instellingen krachtens de Grondwet vaststellen. Zij oefent tevens coördinerende, uitvoerende en beheerstaken uit onder de in de Grondwet vastgelegde voorwaarden.
  • 2. 
    Een handeling van de Unie kan niet dan op voorstel van de Commissie worden vastgesteld, tenzij in de Grondwet anders is bepaald.
  • 3. 
    De Commissie bestaat uit een voorzitter en ten hoogste veertien andere leden. Zij kan worden bijgestaan door gedelegeerde Commissieleden.
  • 4. 
    De Commissie oefent haar verantwoordelijkheden volkomen onafhankelijk uit. Bij de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden de leden van de Commissie instructies van enige regering of enig ander lichaam.

18 bis.

De voorzitter van de Europese Commissie

  • 1. 
    Rekening houdend met de verkiezingen voor het Europees Parlement draagt de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen bij het Europese Parlement een kandidaat voor de functie van voorzitter van de Commissie voor. Deze kandidaat wordt door het Europees Parlement bij meerderheid van stemmen van zijn leden gekozen. Indien deze kandidaat geen meerderheid behaalt, draagt de Europese Raad binnen een maand volgens dezelfde procedure een nieuwe kandidaat bij het Europees Parlement voor.
  • 2. 
    Elke lidstaat stelt een lijst van drie personen op, onder wie ten minste een vrouw, die hij geschikt acht voor de functie van lid van de Europese Commissie. Uit deze personen wijst de verkozen voorzitter, rekening houdend met de Europese politieke en geografische evenwichten, ten hoogste dertien op grond van hun bekwaamheid en Europese inzet gekozen personen aan die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden. De voorzitter en de als leden van de Commissie aangewezen personen worden als college ter goedkeuring onderworpen aan een stemming van het Europees Parlement.
  • 3. 
    De Commissie legt als college verantwoording af aan het Europees Parlement. Deze instelling kan een motie van afkeuring betreffende de Commissie aannemen volgens de voorwaarden van artikel X van de Grondwet. Indien een dergelijke motie wordt aangenomen, moeten de leden van de Commissie gezamenlijk aftreden. Zij blijven de lopende zaken behartigen totdat in hun vervanging is voorzien.
  • 4. 
    De voorzitter van de Commissie stelt de richtsnoeren vast met inachtneming waarvan de Commissie haar opdracht vervult. Hij beslist over de interne organisatie van de Commissie, teneinde de samenhang, de doeltreffendheid en het collegiale karakter van haar optreden te waarborgen. Hij benoemt de vice-voorzitters uit de leden van de Commissie.
  • 5. 
    De voorzitter kan gedelegeerde commissieleden benoemen, die worden gekozen op basis van dezelfde criteria als die welke voor de leden van de Commissie worden gehanteerd. Hun aantal mag dat van de leden van de Commissie niet overschrijden.

19.

De minister van Buitenlandse Zaken

  • 1. 
    Met instemming van de voorzitter van de Commissie benoemt de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie. Deze voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie uit.
  • 2. 
    De minister van Buitenlandse Zaken draagt met zijn voorstellen bij tot de uitwerking van het gemeenschappelijk buitenlands beleid, en voert dat als mandataris van de Raad uit. Hij doet dit ook voor het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.
  • 3. 
    De minister van Buitenlandse Zaken is een van de vice-voorzitters van de Europese Commissie. Hij wordt belast met de externe betrekkingen en de coördinatie van de andere aspecten van het externe optreden van de Unie. Bij de uitoefening van zijn verantwoordelijkheden binnen de Commissie en alleen voorzover het die verantwoordelijkheden betreft, is hij onderworpen aan de procedures tot regeling van de werking van de Commissie.

20.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie

  • 1. 
    Het Hof van Justitie, met inbegrip van de Rechtbank van de Europese Unie, verzekert de eerbiediging van de Grondwet en van het recht van de Unie.

    De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om effectieve rechtsbescherming op het gebied van het recht van de Unie te waarborgen.

  • 2. 
    Het Hof van Justitie bestaat uit een rechter per lidstaat en wordt bijgestaan door advocatengeneraal. De Rechtbank van de Europese Unie bestaat uit ten minste een rechter per lidstaat: het aantal rechters wordt vastgesteld in het Statuut van het Hof van Justitie. De rechters van het Hof van Justitie en van de Rechtbank van de Europese Unie en de advocaten-generaal van het Hof van Justitie, gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en voldoen aan de voorwaarden van artikel [XX] van deel II, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor een ambtstermijn van zes jaar benoemd. De leden zijn herbenoembaar.
  • 3. 
    Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen
    • inzake een door de Commissie, een lidstaat, een instelling of een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep in de gevallen en op de wijze als aangegeven in artikel [YY] van deel II;
    • bij wijze van prejudiciële beslissing, op verzoek van de nationale rechterlijke instanties, over de uitlegging van het recht van de Unie of over de geldigheid van de handelingen van de instellingen;
    • beslissingen van de Rechtbank ingesteld hoger beroep of uitzonderlijkerwijs tot herziening van deze beslissingen, onder de voorwaarden van het Statuut van het Hof.

Voetnoot bij lid 2

Wat het Hof van Justitie betreft, heeft de door de heer Vitorino voorgezeten studiegroep ook de mogelijkheid besproken van een niet-hernieuwbare ambtstermijn van negen of twaalf jaar.

21.

De Europese Centrale Bank

  • 1. 
    De Europese Centrale Bank staat aan het hoofd van het Europees Stelsel van Centrale Banken, waarvan zij samen met de nationale centrale banken deel uitmaakt.
  • 2. 
    Het hoofddoel van de Bank is het handhaven van prijsstabiliteit. Onverminderd het doel van prijsstabiliteit ondersteunt de Bank het algemene economische beleid in de Unie teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie.
  • 3. 
    De Bank bepaalt het monetaire beleid van de Unie en voert het uit. Zij heeft het alleenrecht machtiging te geven tot uitgifte van de euro, de munt van de Unie. Zij voert alle andere taken van een centrale bank uit in overeenstemming met deel II van de Grondwet.
  • 4. 
    De bank bezit rechtspersoonlijkheid. Zij is onafhankelijk, zowel bij de uitvoering van haar bevoegdheden als met betrekking tot haar financieel beleid. De instellingen en organen van de Unie alsmede de regeringen van de lidstaten verbinden zich ertoe dit beginsel te eerbiedigen.
  • 5. 
    De Bank neemt alle maatregelen die nodig zijn om haar taken te vervullen in overeenstemming met de artikelen [A-B] van deel II van de Grondwet en onder de voorwaarden van de statuten van de Bank en het Europees Stelsel van Centrale Banken. Overeenkomstig diezelfde bepalingen behouden landen die niet tot de eurozone behoren en hun centrale banken hun bevoegdheden op monetair gebied.
  • 6. 
    Op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen wordt de Bank geraadpleegd over elk voorstel voor een handeling van de Unie, alsmede over elk ontwerp van wettelijke bepaling op nationaal niveau, en kan zij advies uitbrengen.
  • 7. 
    De organen van de Bank, hun samenstelling en wijze van functioneren worden omschreven in de artikelen X tot en met Y van deel II, alsook in het statuut van de Bank.

22.

De Rekenkamer

  • 1. 
    De Rekenkamer verricht de controle van de rekeningen.
  • 2. 
    De Rekenkamer onderzoekt de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Unie en gaat na of een goed financieel beheer werd gevoerd.
  • 3. 
    In de Rekenkamer heeft een onderdaan van elke lidstaat zitting. De leden van de Rekenkamer oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit.

23.

De adviesorganen van de Unie

  • 1. 
    Het Europees Parlement, de Raad van ministers en de Commissie worden bijgestaan door een Comite van de Regio's en een Economisch en Sociaal Comité, die een adviserende taak hebben.
  • 2. 
    Het Comité van de Regio's bestaat uit vertegenwoordigers van de regionale en lokale lichamen, die in een regionaal of lokaal lichaam gekozen zijn of politiek verantwoording schuldig zijn aan een gekozen vergadering.
  • 3. 
    Het Economisch en Sociaal Comité bestaat uit vertegenwoordigers van organisaties van werkgevers, werknemers en andere actoren van de representatieve civiele samenleving, met name sociaal-economische en culturele organisaties en burger- en beroepsorganisaties.
  • 4. 
    De leden van het Comité van de Regio's en van het Economisch en Sociaal Comité mogen niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Unie.
  • 5. 
    De regels betreffende de samenstelling van deze comités, de benoeming van hun leden, de bevoegdheden en de werking ervan worden vastgesteld in de artikelen XY van deel II van de Grondwet. De regels betreffende de samenstelling worden door de Raad op voorstel van de Commissie periodiek herzien, opdat zij in overeenstemming blijven met de economische, sociale en demografische ontwikkeling van de Unie.

Artikel 14 Het gemeenschappelijke institutionele systeem van het optreden van de Unie en van het gezamenlijk optreden van de lidstaten in het kader van de Unie

Artikel 15 De Europese Raad: samenstelling, rol en taken

Artikel 15bis Het voorzitterschap van de Europese Raad

Artikel 16 Het Europees Parlement: samenstelling en bevoegdheden

Artikel 17 De Raad: samenstelling en bevoegdheden

Artikel 17bis Het voorzitterschap van de Raad

Artikel 18 De Commissie: samenstelling en bevoegdheden (exclusief initiatiefrecht)

Artikel 18bis Het voorzitterschap van de Commissie

Artikel 19 Het Congres van de volkeren van Europa

Artikel 20 Het Hof van Justitie

Artikel 21 De Rekenkamer

Artikel 22 De Europese Centrale Bank

Artikel 23 De raadgevende organen van de Unie