Afdeling 6 - Bepalingen betreffende belastingen

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

III-56 Invoerheffingen

De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.

Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.

2.

III-57 Teruggave van binnenlandse belastingen

Bij de uitvoer van producten van een lidstaat naar het grondgebied van een andere lidstaat mag de teruggave van binnenlandse belastingen niet het bedrag overschrijden dat daarop al dan niet rechtstreeks geheven is.

3.

III-58 Vrijstellingen en teruggaven van andere belastingen

Met betrekking tot andere belastingen dan de omzetbelasting, de accijnzen en de overige indirecte belastingen mogen vrijstellingen en teruggaven bij uitvoer naar de andere lidstaten slechts worden verleend en compenserende belastingen bij invoer uit de lidstaten slechts worden geheven, voorzover de bedoelde regelingen van tevoren voor een beperkte periode bij een door de Raad, op voorstel van de Commissie, aangenomen Europees besluit zijn goedgekeurd.

4.

III-59 Harmonisatie omzetbelasting, accijnzen en andere indirecte belastingen

  • 1. 
    Bij Europese wet of kaderwet van de Raad worden maatregelen vastgesteld die betrekking hebben op de harmonisatie van de wetgevingen inzake de omzetbelasting, de accijnzen en andere indirecte belastingen, voorzover deze harmonisatie noodzakelijk is om de werking van de interne markt te verzekeren en concurrentieverstoringen te voorkomen. Deze wet of kaderwet wordt, na raadpleging van het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité, met eenparigheid van stemmen aangenomen.
  • 2. 
    Wanneer de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen constateert dat de in lid 1 bedoelde maatregelen de administratieve samenwerking of de bestrijding van belastingfraude betreffen, stelt hij, in afwijking van lid 1, de Europese wet of kaderwet houdende deze maatregelen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

5.

III-60 Administratieve samenwerking en belastingfraude

Wanneer de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen constateert dat maatregelen inzake de vennootschapsbelastingen de administratieve samenwerking of de bestrijding van belastingfraude betreffen, stelt hij, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een wet of kaderwet houdende deze maatregelen vast, voorzover deze noodzakelijk zijn om de werking van de interne markt te verzekeren en concurrentieverstoringen te voorkomen.

De wet of kaderwet wordt na raadpleging van het Europees Parlement en van het Economisch en Sociaal Comité aangenomen.


Deze afdeling bevat wijzigingen van de artikelen over belastingen. Bedoeling is gehoor te geven aan verzoeken van de werkgroep om over te gaan op BGM voor belastingkwesties, en tevens te erkennen dat dit een gevoelige materie is, zoals door een aantal Conventieleden in de werkgroep en in plenaire zitting is verwoord. Het voorstel omschrijft derhalve duidelijk op welke gebieden BGM van toepassing moet zijn, en stelt een mechanisme in dat inhoudt dat de Raad slechts een besluit over een voorgestelde maatregel kan nemen indien hij vooraf, bij eenparigheid, heeft bevestigd dat deze maatregel tot de aangelegenheden behoort waarop BGM van toepassing is.