Afdeling 4 - Justitiële samenwerking in strafzaken

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

III-166 Justitiële samenwerking in strafzaken

  • 1. 
    De justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie berust op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen en omvat de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op de gebieden van lid 2 en van artikel [III-167]. Bij Europese wet of kaderwet worden de maatregelen vastgesteld om:
    • a) 
      regels en procedures vast te stellen die strekken tot de erkenning in de hele Unie van alle typen vonnissen en rechterlijke beslissingen;
    • b) 
      jurisdictiegeschillen tussen de lidstaten te voorkomen en op te lossen;
    • c) 
      de opleiding van magistraten en justitieel personeel te bevorderen;
    • d) 
      samenwerking in strafzaken tussen de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de lidstaten te vergemakkelijken in het kader van strafvervolging en tenuitvoerlegging van beslissingen.
  • 2. 
    Ter vergemakkelijking van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met grensoverschrijdende gevolgen kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot:
    • a) 
      de wederzijdse toelaatbaarheid van bewijs tussen de lidstaten;
    • b) 
      de bepaling van de rechten van personen in de strafvordering;
    • c) 
      de rechten van slachtoffers van misdrijven;
    • d) 
      andere specifieke elementen van de strafvordering, die door de Raad vooraf worden bepaald bij een Europees besluit. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen na goedkeuring door het Europees Parlement.

    Vaststelling van dergelijke minimumvoorschriften belet de lidstaten niet een hoger niveau van bescherming van de rechten van personen in de strafvordering te handhaven of in te voeren.

2.

III-167 Materieel strafrecht

  • 1. 
    Bij Europese kaderwet kunnen minimumvoorschriften worden vastgesteld betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit die een grensoverschrijdende dimensie hebben die voortvloeit uit de aard of de effecten van deze inbreuken of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden.

    Deze criminaliteitsvormen zijn de volgende: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, witwassen van geld, corruptie, namaak van betaalmiddelen, computercriminaliteit, en de georganiseerde criminaliteit.

    Afhankelijk van de ontwikkelingen van de criminaliteit kan de Raad een Europees besluit vaststellen waarin andere vormen van criminaliteit worden vermeld die voldoen aan de in dit lid genoemde criteria. Hij besluit met eenparigheid van stemmen na goedkeuring door het Europees Parlement.

  • 2. 
    Wanneer onderlinge aanpassing van het strafrecht noodzakelijk blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatie maatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en sancties op het betrokken gebied. Onverminderd artikel [III-160] wordt deze kaderwet vastgesteld volgens dezelfde procedure als de in de voorgaande alinea bedoelde harmonisatiemaatregelen.

3.

III-168 Misdaadpreventie

Bij Europese wet of kaderwet kunnen maatregelen worden vastgesteld ter stimulering en ondersteuning van de acties van de lidstaten op het gebied van misdaadpreventie. Deze maatregelen kunnen geen onderlinge aanpassing inhouden van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten.

4.

III-169 Eurojust

  • 1. 
    De opdracht van Eurojust bestaat in het ondersteunen en versterken van de coördinatie en de samenwerking tussen de nationale autoriteiten die belast zijn met de vervolging van zware criminaliteit die twee of meer lidstaten schaadt of een vervolging op gemeenschappelijke basis vereist, op basis van de door de autoriteiten van de lidstaten en Europol uitgevoerde operaties en verstrekte informatie.
  • 2. 
    Bij Europese wet worden de structuur, de werking, het werkterrein en de taken van Eurojust vastgesteld. Deze taken kunnen het volgende omvatten:
    • a) 
      de instelling en de coördinatie van strafvervolgingen die worden ingesteld door de bevoegde nationale autoriteiten, met name die welke verband houden met strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden;
    • b) 
      de versterking van de justitiële samenwerking, met name door middel van het oplossen van rechtsbevoegdheidsconflicten en van nauwe samenwerking met het Europees justitieel netwerk.

    Bij Europese wet wordt tevens bepaald op welke wijze het Europees Parlement en de nationale parlementen van de lidstaten worden betrokken bij de evaluatie van de activiteiten van Eurojust.

  • 3. 
    In het kader van de in deze bepaling bedoelde vervolgingen en onverminderd artikel [III-170], worden de formele besluiten in verband met de rechtsprocedure genomen door de bevoegde nationale functionarissen.

5.

III-170 Europees openbaar ministerie

  • 1. 
    Ter bestrijding van ernstige criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie, alsmede van illegale activiteiten die de belangen van de Unie schaden, kan bij Europese wet van de Raad op basis van Eurojust een Europees openbaar ministerie worden ingesteld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.
  • 2. 
    Het Europees openbaar ministerie is bevoegd voor het opsporen, vervolgen en voor het gerecht brengen, in voorkomend geval in samenwerking met Europol, van daders van en medeplichtigen aan zware misdrijven die verscheidene lidstaten schaden, of inbreuken die de financiële belangen van de Unie, zoals omschreven in de in lid 1 bedoelde Europese wet, schaden. Het is belast met de rechtsvordering voor de bevoegde rechtbanken van de lidstaten in verband met deze inbreuken.
  • 3. 
    In de in lid 1 bedoelde Europese wet worden het statuut van het Europees openbaar ministerie, de voorwaarden voor de uitoefening van zijn functies, de voor zijn activiteiten geldende procedurevoorschriften en de voorschriften inzake de toelaatbaarheid van bewijs en de voorschriften voor de rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen die het in de uitoefening van zijn taken verricht, vastgesteld.