Hoofdstuk I - Algemeen toepasselijke bepalingen

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

III-188 Beginselen en doelstellingen

  • 1. 
    Het internationale optreden van de Unie berust op, en is gericht op de wereldwijde verspreiding van, de beginselen die aan haar oprichting, ontwikkeling en uitbreiding ten grondslag liggen: de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de eerbiediging van het internationale recht overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. De Unie streeft ernaar betrekkingen te ontwikkelen en partnerschappen aan te gaan met landen en regionale of mondiale organisaties die deze waarden delen. Zij bevordert multilaterale oplossingen voor gemeenschappelijke problemen, met name in het kader van de Verenigde Naties.
  • 2. 
    De Europese Unie bepaalt gemeenschappelijk beleid en optredens van de Unie en voert deze uit, en streeft naar maximale samenwerking op alle gebieden van de internationale betrekkingen, met de volgende doelstellingen:
    • a) 
      bescherming van de waarden van de Unie, de fundamentele belangen, de veiligheid, de onafhankelijkheid en de integriteit van de Unie;
    • b) 
      consolidering en ondersteuning van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de beginselen van het internationale recht;
    • c) 
      handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid, overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties;
    • d) 
      ondersteuning van de ontwikkeling van de ontwikkelingslanden op economisch, sociaal en milieugebied met als voornaamste doel de armoede uit te bannen;
    • e) 
      aanmoediging van de integratie van alle landen in de wereldeconomie, onder meer door het geleidelijk wegwerken van belemmeringen voor de internationale handel;
    • f) 
      ontwikkeling van internationale maatregelen ter bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en het duurzaam beheer van de mondiale natuurlijke rijkdommen, om duurzame ontwikkeling te waarborgen;
    • g) 
      hulp aan bevolkingen, landen en regio's die te kampen hebben met door de mens of de natuur veroorzaakte rampen; en
    • h) 
      bevordering van een internationaal stelsel dat gebaseerd is op sterkere multilaterale samenwerking, en van goed mondiaal bestuur.
  • 3. 
    De Unie eerbiedigt bovengenoemde beginselen en streeft bovengenoemde doelstellingen na bij de uitwerking en uitvoering van de verschillende, door deze titel bestreken gebieden van het externe optreden van de Unie, alsmede van de externe aspecten van het overige beleid van de Unie. De Unie ziet toe op de samenhang tussen de diverse onderdelen van haar externe optreden en tussen het externe optreden en de onderdelen van het interne beleid. De Raad en de Commissie, hierin bijgestaan door de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, dragen de verantwoordelijkheid voor deze samenhang en werken hiertoe samen.

2.

III-189 Strategische belangen en doelstellingen

  • 1. 
    De Europese Raad stelt de strategische belangen en doelstellingen van de Unie vast op basis van de in artikel 1 van deze titel vermelde beginselen en doelstellingen.

    De besluiten van de Europese Raad over de strategische belangen en doelstellingen van de Unie kunnen betrekking hebben op het buitenlands beleid en op andere onderdelen van het externe optreden van de Unie. Zij kunnen de betrekkingen van de Unie met een land of een regio betreffen, of een thematische aanpak hebben. In die besluiten wordt de geldigheidsduur ervan omschreven, alsmede de middelen die door de Unie en de lidstaten beschikbaar moeten worden gesteld.

    De Europese Raad besluit met eenparigheid van stemmen op aanbeveling van de Raad, welke door de Raad wordt vastgesteld volgens de voor elk gebied geldende voorwaarden. De besluiten van de Europese Raad worden uitgevoerd volgens de procedures waarin de Grondwet voorziet.

  • 2. 
    De minister van Buitenlandse Zaken, voor aangelegenheden inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, en de Commissie, voor andere onderdelen van het externe optreden, kunnen gezamenlijke voorstellen bij de Raad indienen.

3.

Toelichting

De Conventieleden hebben verscheidene wijzigingsvoorstellen ingediend om verdere elementen toe te voegen aan het horizontale artikel betreffende de beginselen en de doelstellingen [artikel III-188 (voorheen artikel 1)]. In het licht van de brede waaier van wijzigingsvoorstellen en om het evenwicht van de oorspronkelijk door Werkgroep VII voorgestelde tekst te behouden, heeft het Praesidium ervoor geopteerd de wijzigingen toe te spitsen op een beperkt aantal gebieden waar een groot aantal leden voorstelde de tekst aan te scherpen. De belangrijkste wijziging houdt in dat lid 3 betreffende de samenhang tussen de verschillende gebieden van het externe optreden van de Unie, alsmede tussen het externe optreden en andere beleidsgebieden, op verzoek van een aanzienlijk aantal Conventieleden wordt aangescherpt. In dat verband zij gememoreerd dat verscheidene Conventieleden eveneens hebben voorgesteld een verwijzing op te nemen naar het feit dat rekening moet worden gehouden met de doelstellingen inzake ontwikkelingssamenwerking bij de uitvoering van andere beleidsmaatregelen. Aangezien dit wordt afgedekt door het geherformuleerde lid betreffende de samenhang tussen het externe optreden en het interne beleid (in het algemeen), is dit element niet toegevoegd aan dit artikel, maar aan hoofdstuk 3, onder ontwikkelingssamenwerking; daarmee is gevolg gegeven aan het krachtige verzoek om de inhoud van het huidige artikel 178 VEG over te nemen. Rekening houdend met het voorstel om de functie van EU-minister van Buitenlandse Zaken in het leven te roepen, wordt in het herziene lid betreffende de samenhang vermeld dat hij de inspanningen om de samenhang te waarborgen, moet helpen ondersteunen.

De andere wijzigingsvoorstellen voor het artikel betreffende de beginselen en de doelstellingen, die gebaseerd zijn op voorstellen van verscheidene Conventieleden, betreffen: opneming van een verwijzing naar de veiligheid van de Unie in lid 2, onder a); opneming van een verwijzing naar het milieu en schrapping van de verwijzing naar de lage-inkomenslanden in lid 2, onder d); aanscherping van lid 2, onder f), wat betreft milieubescherming en duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen.

De Conventie bevestigde dat de Unie, wil zij doeltreffend kunnen optreden op het internationale toneel, in staat moet zijn om ter verwezenlijking van een gemeenschappelijk strategisch doel instrumenten in te zetten die verschillende beleidsgebieden bestrijken. Ook de rol van de Europese Raad bij het bepalen van deze strategische doelstellingen en belangen, alsmede de rol van de Raad bij het doen van daartoe strekkende aanbevelingen, werden bevestigd.

Wel bleken de meningen uiteen te lopen over het initiatiefrecht en de besluitvorming binnen de Raad; sommige Conventieleden waren tegen de mogelijkheid dat de minister en de Commissie gezamenlijk een voorstel indienen bij de Raad, terwijl anderen ook aan de lidstaten een rol wensten toe te bedelen. Om deze meningsverschillen weg te nemen, stelt het Praesidium voor in lid 1 van [artikel III-189 (voorheen artikel 2)] een verwijzing op te nemen naar de bepalingen die op de verschillende beleidsterreinen van toepassing zijn, opdat de Raad overeenkomstig de in de Grondwet neergelegde regels en procedures een besluit neemt. De Raad zou de verschillende elementen kunnen combineren en de Europese Raad een aanbeveling kunnen doen in verband met de doelstellingen en de belangen.

Het Praesidium heeft voorts besloten de verwijzing naar besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid in lid 2 van [artikel III-189 (voorheen artikel 2)] te schrappen. Een aantal leden was tegen deze bepaling en voerde aan dat het uit constitutioneel oogpunt niet passend is de procedure voor een GBVB-besluit afhankelijk te maken van de vraag of het al dan niet met een voorstel van de Commissie op een ander beleidsgebied gecombineerd wordt. Daarnaast vond een aantal leden het niet logisch dat de minister en de Commissie gezamenlijke voorstellen indienen, wanneer de minister van Buitenlandse Zaken ook lid is van de Commissie. Zij zijn van oordeel dat het aan de minister zou zijn om voorstellen in te dienen die verschillende gebieden van het externe optreden bestrijken. Het Praesidium heeft ervoor geopteerd de voorgestelde formulering in verband met gezamenlijke voorstellen van de minister en de Commissie te behouden, met dien verstande dat de Commissie de minister kan verzoeken namens haar voorstellen in te dienen die onder haar bevoegdheid vallende gebieden bestrijken.