Hoofdstuk VI - Internationale akkoorden

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

III-220 Algemene bepalingen

  • 1. 
    De Unie kan akkoorden met een of meer derde staten of internationale organisaties sluiten wanneer de Grondwet daarin voorziet of wanneer het sluiten van een akkoord nodig is om een van de doelstellingen van de Unie te verwezenlijken, wanneer daarin bij een bindende rechtshandeling van de Unie is voorzien of wanneer zulks van invloed is op een intern besluit van de Unie.
  • 2. 
    De door de Unie gesloten akkoorden zijn verbindend voor de instellingen van de Unie en voor de lidstaten.

2.

III-221 Afsluiten van associatie-overeenkomsten

De Unie kan met een of meer derde staten of internationale organisaties associatieovereenkomsten sluiten. Bij deze overeenkomsten wordt met een of meer derde staten of internationale organisaties een associatie ingesteld die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijke optredens en bijzondere procedures.

3.

III-222 Procedures

  • 1. 
    Bij het onderhandelen over en het sluiten van akkoorden tussen de Unie en derde staten of internationale organisaties wordt de volgende procedure gevolgd.
  • 2. 
    De Raad verleent de machtiging voor het openen van de onderhandelingen, stelt onderhandelingsrichtsnoeren vast en sluit de akkoorden.
  • 3. 
    De Commissie of, ingeval het akkoord uitsluitend dan wel hoofdzakelijk betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie doet aanbevelingen aan de Raad, die machtiging verleent tot het openen van de onderhandelingen.
  • 4. 
    De Raad wijst in het kader van het machtigingsbesluit voor de onderhandelingen al naargelang de inhoud van het toekomstige akkoord de onderhandelaar of het hoofd van het onderhandelingsteam van de Unie aan.
  • 5. 
    Onverminderd de bijzondere bepalingen van artikel 24 kan de Raad de onderhandelaar van het akkoord onderhandelingsrichtsnoeren geven en kan hij een bijzonder comité aanwijzen in overleg waarmee de onderhandelingen moeten worden gevoerd.
  • 6. 
    De Raad neemt op voorstel van de onderhandelaar van het akkoord een besluit over de ondertekening en, zo nodig, de voorlopige toepassing vóór de inwerkingtreding.
  • 7. 
    De Raad sluit het akkoord op voorstel van de onderhandelaar van het akkoord. Tenzij het akkoord uitsluitend betrekking heeft op het gemeenschappelijk buitenland s en veiligheidsbeleid, sluit de Raad het akkoord na raadpleging van het Europees Parlement. Het Parlement brengt advies uit binnen de termijn die de Raad naar gelang van de urgentie kan vaststellen. Indien er binnen die termijn geen advies is uitgebracht, kan de Raad een besluit nemen. In geval van associatie overeenkomsten, van de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, van akkoorden die een specifiek institutioneel kader in het leven roepen door het instellen van samenwerkingsprocedures, van akkoorden die aanzienlijke gevolgen hebben voor de begroting van de Unie en van akkoorden die betrekking hebben op gebieden waarop de wetgevingsprocedure van toepassing is, is de instemming van het Europees Parlement vereist. In dringende gevallen kunnen de Raad en het Europees Parlement een termijn overeenkomen voor het geven van de instemming.
  • 8. 
    Bij de sluiting van een akkoord kan de Raad, in afwijking van de voorgaande bepalingen, de onderhandelaar van het akkoord machtigen om de wijzigingen die krachtens het akkoord volgens een vereenvoudigde procedure of door een bij het akkoord opgericht orgaan worden aangenomen, namens de Unie goed te keuren; de Raad kan aan deze machtiging bijzondere voorwaarden verbinden.
  • 9. 
    Tijdens de gehele procedure besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Hij besluit evenwel met eenparigheid van stemmen wanneer het akkoord betrekking heeft op een gebied waarvoor eenparigheid vereist is wat de aanneming van een handeling van de Unie betreft, alsmede in geval van een associatieovereenkomst en in het geval van de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
  • 10. 
    De Raad besluit op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie of van de Commissie tot opschorting van de toepassing van een akkoord en bepaalt de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een lichaam dat is opgericht uit hoofde van een akkoord, wanneer dat lichaam besluiten dient te nemen met rechtsgevolgen, met uitzondering van besluiten tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord.
  • 11. 
    Het Europees Parlement wordt in alle fasen van de procedure onverwijld en volledig op de hoogte gebracht.
  • 12. 
    Een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie kan het advies inwinnen van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van een beoogd akkoord met de bepalingen van de Grondwet. In geval van een afwijzend advies van het Hof van Justitie kan het beoogde akkoord niet in werking treden, behoudens in geval van herziening van de Grondwet volgens de procedure van [artikel IV-6].

4.

III-223 Monetair beleid

  • 1. 
    In afwijking van [artikel 33] kan de Raad met eenparigheid van stemmen op aanbeveling van de Europese Centrale Bank of van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank teneinde een consensus te bereiken die verenigbaar is met de doelstelling van prijsstabiliteit, en na raadpleging van het Europees Parlement, volgens de procedure van lid 3 voor de aldaar omschreven regelingen, formele overeenkomsten sluiten over een systeem van wisselkoersen voor de euro ten opzichte van niet-Unie-valuta's. De Raad kan, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de Europese Centrale Bank of van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank teneinde een consensus te bereiken die verenigbaar is met de doelstelling van prijsstabiliteit, de euro-spilkoersen binnen het wisselkoerssysteem invoeren, wijzigen of afschaffen. De voorzitter van de Raad stelt het Europees Parlement in kennis van de invoering, wijziging of afschaffing van de euro-spilkoers.
  • 2. 
    Indien het wisselkoerssysteem een lacune vertoont ten opzichte van één of meer niet-Unievaluta's als bedoeld in lid 1, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank, of op aanbeveling van de Europese Centrale Bank, algemene oriëntaties voor het wisselkoersbeleid ten opzichte van deze valuta's vaststellen. Deze algemene oriëntaties laten het hoofddoel van het Europees Stelsel van Centrale Banken, zijnde het handhaven van de prijsstabiliteit, onverlet.
  • 3. 
    In afwijking van [artikel 33] neemt de Raad, wanneer de Unie onderhandelingen met één of meer staten of internationale organisaties moet voeren over aangelegenheden betreffende het monetaire of wisselkoersregime, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van de Europese Centrale Bank, besluiten over de regelingen voor de onderhandelingen over en de sluiting van dergelijke overeenkomsten. Deze regelingen verzekeren dat de Unie één standpunt inneemt. De Commissie wordt ten volle bij de onderhandelingen betrokken.
  • 4. 
    Onverminderd de bevoegdheden en de overeenkomsten van de Unie op het gebied van de Economische en Monetaire Unie, mogen de lidstaten in internationale organen onderhandelingen voeren en internationale overeenkomsten sluiten.

Toelichting

5.

Sluiting van internationale overeenkomsten

Betreffende de bevoegdheid van de Unie voor de sluiting van internationale overeenkomsten [artikel III-220 (voorheen artikel 32)] werd de vermelding van de impliciete bevoegdheid van de Unie die is ingevoerd als gevolg van de conclusies van Werkgroep VII in het algemeen niet ter discussie gesteld. Slechts in enkele wijzigingsvoorstellen werd voorgesteld deze vermelding te schrappen, terwijl andere Conventieleden wensten dat deze impliciete externe bevoegdheid telkens wanneer een internationale overeenkomst ten doel heeft beleid van de Unie uit te voeren, kan worden uitgebreid. De door het Praesidium voorgestelde tekst blijft inhoudelijk derhalve ongewijzigd. Het eerste en het derde lid worden evenwel samengevoegd en de redactie wordt vereenvoudigd.

6.

Associatieovereenkomsten

In een aantal wijzigingsvoorstellen wordt in overweging gegeven een apart artikel te wijden aan de associatieovereenkomsten, opdat de rechtsgrondslag van deze overeenkomsten duidelijk in de Grondwet staat. De hier voorgestelde tekst vloeit voort uit deze suggestie [artikel III-221 (voorheen artikel 32 bis)].

7.

Procedure voor sluiting van internationale overeenkomsten

Wat de procedure voor de sluiting van internationale overeenkomsten betreft [artikel III-222 (voorheen artikel 33)], werd het ontwerp-artikel door de meerderheid goed ontvangen. Er waren weinig wijzigingsvoorstellen betreffende de onderhandelaar van de overeenkomsten en de in het ontwerp-artikel voorgestelde taakverdeling werd niet betwist. De vermelding dat de minister van Buitenlandse Zaken en de Commissie gezamenlijke aanbevelingen kunnen indienen werd echter geschrapt. Wat het Europees Parlement betreft werd in slechts enkele wijzigingsvoorstellen gevraagd om uitbreiding van zijn rol vóór het stadium van de sluiting van de overeenkomsten. Wat de sluiting van overeenkomsten betreft, werd de schrapping van de uitzondering op de raadpleging van het Europees Parlement inzake handelsovereenkomsten, in geen enkel wijzigingsvoorstel ter discussie gesteld. Enkele wijzigingsvoorstellen beoogden de eis van raadpleging van het Europees Parlement uit te breiden tot de overeenkomsten over GBVB-onderwerpen zonder dat het debat in voltallige zitting had uitgewezen dat de Conventie een dergelijke uitbreiding van de rol van het Parlement steunt. Enkele conventieleden hebben wijzigingsvoorstellen ingediend die ertoe strekten dat de goedkeuring van het Parlement vereist is met betrekking tot handelsovereenkomsten. In [artikel III-222 (voorheen artikel 33)] wordt echter al bepaald dat de goedkeuring van het Europees Parlement vereist is voor overeenkomsten die gebieden bestrijken waarop de wetgevingsprocedure van toepassing is, en deze procedure is met name van toepassing op de handelsovereenkomsten, zoals aangegeven in [artikel III-212, lid 2 (voorheen artikel 24)]. Wat de besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid betreft, werd in een aantal wijzigingsvoorstellen verzocht deze tot het merendeel van de overeenkomsten uit te breiden, terwijl in andere werd voorgesteld de gebieden waarvoor de unanimiteit is vereist, uit te breiden. De verdeling werd derhalve gehandhaafd.

De vermelding in lid 12 van de Centrale Bank als een van de instellingen die om een prealabel advies van het Hof van Justitie kunnen verzoeken, is geschrapt, aangezien dit uiteraard niet tot de bevoegdheden van de Bank behoort.

Zoals door een aantal Conventieleden was gevraagd, en ingevolge het besluit van het Praesidium inzake [artikel 230 ter] (doc. CONV 734/03) is de beperking op de bevoegdheid van het Hof van Justitie inzake prealabele adviezen, wat de GBVB-overeenkomsten betreft, geschrapt.

8.

Monetaire overeenkomsten

In het ontwerp van [artikel III-223 (voorheen artikel 34] betreffende monetaire overeenkomsten is lid 4 geschrapt, terwijl een nieuw [artikel III-381] wordt voorgesteld in de titel betreffende de EMU, dat betrekking heeft op de externe vertegenwoordiging van de euro.

9.

Stemprocedures

Een aantal wijzigingsvoorstellen gaven aan dat het, aangezien de gekwalificeerde meerderheid de algemene regel vormt, zoals bepaald in [artikel III-222 (voorheen artikel 33)], wellicht niet opportuun is in [artikel III-223 (voorheen artikel 34)] te vermelden dat de Raad met gekwalificeerde meerderheid een besluit neemt. Deze vermelding wordt evenwel gehandhaafd. Het is namelijk nuttig om dit te preciseren en daarbij te vermelden dat de in [artikel III-223 (voorheen artikel 34)] bedoelde procedures in hun totaliteit een afwijking vormen van de procedure van [artikel III-222 (voorheen artikel 33)].