Afdeling 4 - Bepalingen die de instellingen en organen van de Unie gemeen hebben

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

III-301 Algemene bepalingen

  • 1. 
    Wanneer krachtens de Grondwet een handeling van de Raad van Ministers wordt aangenomen op voorstel van de Europese Commissie, kan de Raad van Ministers een handeling die van dat voorstel afwijkt slechts met eenparigheid van stemmen aannemen, onder voorbehoud van artikel I-54, artikel III-302, leden 10 en 13 en artikel III-310.
  • 2. 
    Zolang de Raad van Ministers niet heeft besloten, kan de Europese Commissie te allen tijde gedurende de procedures die tot aanneming van een handeling van de Unie leiden, haar voorstel wijzigen.

2.

III-302 Wetgevingsprocedure

  • 1. 
    Wanneer krachtens de Grondwet de Europese wetten of kaderwetten volgens de gewone wetgevingsprocedure worden vastgesteld, zijn de onderstaande bepalingen van toepassing.
  • 2. 
    De Europese Commissie dient een voorstel in bij het Europees Parlement en bij de Raad van Ministers.

Eerste lezing

  • 3. 
    Het Europees Parlement stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en deelt het mee aan de Raad van Ministers.
  • 4. 
    Indien de Raad van Ministers het standpunt van het Europees Parlement goedkeurt, is de voorgestelde handeling aangenomen.
  • 5. 
    Indien de Raad van Ministers het standpunt van het Europees Parlement niet goedkeurt, stelt hij zijn standpunt in eerste lezing vast en deelt hij dit mee aan het Europees Parlement.
  • 6. 
    De Raad van Ministers stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van de redenen die hem hebben geleid tot het vaststellen van zijn standpunt in eerste lezing. De Europese Commissie stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van haar standpunt.

Tweede lezing

  • 7. 
    Indien het Europees Parlement binnen een termijn van drie maanden na deze mededeling:
    • a) 
      het standpunt van de Raad van Ministers in eerste lezing goedkeurt of zich niet heeft uitgesproken, wordt de betrokken handeling geacht te zijn aangenomen;
    • b) 
      het standpunt van de Raad van Ministers in eerste lezing met een meerderheid van zijn leden verwerpt, wordt de voorgestelde handeling geacht niet te zijn aangenomen;
    • c) 
      met een meerderheid van zijn leden amendementen op het standpunt van de Raad van Ministers in eerste lezing voorstelt, wordt de aldus geamendeerde tekst toegezonden aan de Raad van Ministers en aan de Europese Commissie, die advies over deze amendementen uitbrengt.
  • 8. 
    Indien de Raad van Ministers binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van de amendementen van het Europees Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen:
    • a) 
      al deze amendementen goedkeurt, wordt de betrokken handeling geacht te zijn aangenomen;
    • b) 
      niet alle amendementen goedkeurt, roept de voorzitter van de Raad van Ministers, in overeenstemming met de voorzitter van het Europees Parlement, binnen zes weken het bemiddelingscomité bijeen.
  • 9. 
    De Raad van Ministers besluit met eenparigheid van stemmen over de amendementen waarover de Europese Commissie negatief advies heeft uitgebracht.

Bemiddeling

  • 10. 
    Het bemiddelingscomité bestaat uit de leden van de Raad van Ministers of hun vertegenwoordigers en een gelijk aantal leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen en heeft tot taak binnen een termijn van zes weken nadat het is bijeengeroepen met een gekwalificeerde meerderheid van de leden van de Raad van Ministers of hun vertegenwoordigers en met een meerderheid van de leden die het Europees Parlement vertegenwoordigen overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijke ontwerptekst op basis van de standpunten van het Parlement en de Raad van Ministers in tweede lezing.
  • 11. 
    De Europese Commissie neemt aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité deel en neemt alle nodige initiatieven om de standpunten van het Europees Parlement en de Raad van Ministers nader tot elkaar te brengen.
  • 12. 
    Indien het bemiddelingscomité binnen een termijn van zes weken nadat het is bijeengeroepen, geen gemeenschappelijke ontwerptekst goedkeurt, wordt de voorgestelde handeling geacht niet te zijn aangenomen.

Derde lezing

  • 13. 
    Indien het bemiddelingscomité binnen die termijn een gemeenschappelijke ontwerp-tekst goedkeurt, beschikken het Europees Parlement en de Raad van Ministers over een termijn van zes weken na deze datum om de betrokken handeling overeenkomstig de gemeenschappelijke ontwerptekst aan te nemen, waarbij het Europees Parlement besluit met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen, en de Raad van Ministers met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

    Indien zulks niet geschiedt, wordt de handeling geacht niet te zijn aangenomen.

  • 14. 
    De in dit artikel vermelde termijnen van drie maanden en zes weken worden, op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad van Ministers, met ten hoogste één maand, respectievelijk twee weken verlengd.

Bijzondere bepalingen

  • 15. 
    Wanneer een wet of een kaderwet in de specifiek bij de Grondwet bepaalde gevallen op initiatief van een groep lidstaten op aanbeveling van de Europese Centrale Bank of op verzoek van de Rekenkamer of de Europese Investeringbank aan de gewone wetgevingsprocedure wordt onderworpen, zijn de leden 2, 6, tweede zin, en 9 niet van toepassing.

    Het Europees Parlement en de Raad van Ministers zenden de Europese Commissie het ontwerp van de handeling alsmede hun standpunten in eerste en tweede lezing toe.

    Het Europees Parlement en de Raad van Ministers kunnen de Europese Commissie te allen tijde gedurende de procedure om advies verzoeken. De Commissie kan ook op eigen initiatief advies uitbrengen. Indien de Commissie dat nodig acht, kan zij onder de in lid 11 genoemde voorwaarden deelnemen aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité.

3.

III-303 Interinstitutionele akkoorden

Het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie raadplegen elkaar en bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop zij samenwerken. Daartoe kunnen zij, met inachtneming van de Grondwet, interinstitutionele akkoorden sluiten die een dwingend karakter kunnen hebben.

4.

III-304 Europees ambtenarenapparaat

  • 1. 
    Bij de vervulling van hun taken steunen de instellingen, organen en bureaus van de Unie op een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat.
  • 2. 
    Onverminderd artikel III-322 worden bij Europese wet de specifieke bepalingen daartoe vastgesteld.

5.

III-305 Transparantie

  • 1. 
    De instellingen, organen en bureaus van de Unie erkennen het belang van de transparantie van hun werkzaamheden en nemen krachtens artikel I-49 in hun reglementen van orde de specifieke bepalingen over de inzage van het publiek van documenten op. Het Hof van Justitie en de Europese Centrale Bank leven in de uitoefening van hun administratieve functie artikel I-49, lid 3, na.
  • 2. 
    Het Europees Parlement en de Raad van Ministers zorgen voor de openbaarmaking van de stukken betreffende de wetgevingsprocedures.

6.

III-306 Vaststelling honorarium van leden Instellingen

  • 1. 
    De Raad van Ministers stelt Europese verordeningen en besluiten vast houdende:
    • a) 
      de wedden, vergoedingen en pensioenen van de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Europese Commissie, de minister van Buitenlandse Zaken, van de Europese commissarissen en commissarissen, van de president, de leden en de griffier van het Hof van Justitie, en van de leden en de griffier van de Rechtbank van de Europese Unie;
    • b) 
      de werkgelegenheidsvoorwaarden, en in het bijzonder de wedden, vergoedingen en pensioenen van de voorzitter en de leden van de Rekenkamer.

    De Raad van Ministers stelt tevens alle vergoedingen vast welke als beloning kunnen gelden.

  • 2. 
    De Raad van Ministers stelt Europese verordeningen en besluiten vast houdende de vergoedingen van de leden van het Economisch en Sociaal Comité.

7.

III-307 Tenuitvoerlegging handelingen

De handelingen van de Raad van Ministers, de Europese Commissie of de Europese Centrale Bank welke voor natuurlijke of rechtspersonen, met uitzondering van de staten, een geldelijke verplichting inhouden, vormen executoriale titel.

De tenuitvoerlegging geschiedt volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de staat op het grondgebied waarvan zij plaatsvindt. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de titel, aangebracht door de nationale autoriteit die door de regering van iedere lidstaat daartoe wordt aangewezen. Van de aanwijzing stelt zij de Europese Commissie en het Hof van Justitie in kennis.

Nadat de bedoelde formaliteiten op verzoek van de belanghebbende zijn vervuld, kan deze de tenuitvoerlegging voortzetten door zich rechtstreeks te wenden tot de bevoegde autoriteit overeenkomstig de nationale wetgeving.

De tenuitvoerlegging kan niet worden geschorst dan krachtens een beschikking van het Hof van Justitie. Evenwel behoort het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.