Preambule

WIJ, VOLKEREN VAN DE DUITSE BONDSREPUBLIEK, VAN HET KONINKRIJK BELGIE, VAN DE FRANSE REPUBLIEK, VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK, VAN HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG EN VAN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

OVERWEGENDE, dat de wereldvrede slechts kan worden bewaard door een krachtsontplooiing evenredig aan de gevaren, die hem bedreigen;

ERVAN OVERTUIGD, dat de bijdrage die een georganiseerd, vrij en levend Europa tot de beschaving kan leveren en tot de bescherming van ons gemeenschappelijk geestelijk erfdeel, onontbeerlijk is voor het handhaven van vreedzame betrekkingen;

VERLANGEND door uitbreiding van onze productie gezamenlijk bij te dragen tot een verhoging van het levenspeil en tot het toenemen van de werken des vredes;

VOORNEMENS gezamenlijk de waardigheid, de vrijheid en de fundamentele gelijkheid van de mensen, welke ook hun levensomstandigheden, hun ras of hun godsdienst zijn, te beschermen;

VASTBESLOTEN onze eeuwenoude wedijver door een samensmelting van onze wezenlijke belangen te vervangen, en wel door het oprichten van instellingen, die in staat zijn richting te geven aan een voortaan, gezamenlijke bestemming;

ONS BEREID VERKLAREND in ons midden op te nemen alle andere volkeren van Europa die door ditzelfde ideaal bezield zijn;

HEBBEN BESLOTEN een Europese Gemeenschap in het leven te roepen.

Dienovereenkomstig hebben onze onderscheidene Regeringen, door middel van hun vertegenwoordigers, bijeen in de stad ... voorzien van in goede en deugdelijke vorm bevonden volmachten, dit Verdrag aangenomen.