Artikel 17: Verlening licenties

16
Artikel 17
18
  • 1. 
    Bij gebreke van een minnelijke schikking kunnen niet-uitsluitende licenties worden verleend bij wege van arbitrage of ambtshalve, volgens de bepalingen van de artikelen 18 tot en met 23:
    • a) 
      aan de Gemeenschap of aan de Gemeenschappelijke Ondernemingen waaraan dit recht krachtens artikel 48 i is toegekend op de octrooien, op de voorlopig bescherminggevende rechten of op de gebruiksmodellen, betreffende uitvindingen, welke rechtstreeks verband houden met onderzoekingen op het gebied van de kernenergie, voor zover het verlenen van die licenties noodzakelijk is voor het uitvoeren van hun eigen onderzoekingen of onontbeerlijk is voor het functioneren van hun installaties.

      Op verzoek van de Commissie houden deze licenties de bevoegdheid in, derden te machtigen de uitvinding toe te passen voor zover zij werkzaamheden of bestellingen uitvoeren voor rekening van de Gemeenschap of van de Gemeenschappelijke Ondernemingen;

    • b) 
      aan personen of ondernemingen, die daartoe een verzoek hebben gericht tot de Commissie, op octrooien, op voorlopig bescherminggevende rechten of op gebruiksmodellen, betreffende een uitvinding welke rechtstreeks verband houdt met en van overwegend belang is voor de ontwikkeling van de kernenergie binnen de Gemeenschap, voor zover aan alle hieronder volgende voorwaarden is voldaan:
      • i) 
        ten minste vier jaren zijn verlopen sedert de indiening van de aanvrage om octrooi, behoudens wanneer het een uitvinding betreft, welke betrekking heeft op een onderwerp, dat binnen het specifiek kernenergetische terrein valt;
      • ii) 
        in de behoeften, welke voortvloeien uit de ontwikkeling van de kernenergie binnen het grondgebied van een Lid-Staat, waar een uitvinding wordt beschermd, zoals de Commissie deze ontwikkeling opvat, niet wordt voorzien voor wat deze uitvinding betreft;
      • iii) 
        een verzoek is gedaan aan de octrooihouder om zelf of door zijn licentiehouders in die behoeften te voorzien, doch door hem aan dat verzoek geen gevolg is gegeven;
      • iv) 
        de gegadigde personen of ondernemingen in staat zijn daadwerkelijk door hun exploitatie in die behoeften te voorzien.

      Zonder voorafgaand verzoek van de Commissie kunnen de Lid-Staten, om in die zelfde behoeften te voorzien, geen enkele in hun nationale wetgeving opgenomen dwangmaatregel nemen, die beperking van de bescherming van de uitvinding tot gevolg heeft.

  • 2. 
    De verlening van een niet-uitsluitende licentie onder de in het vorige lid bedoelde voorwaarden kan niet geschieden, indien de octrooihouder het bestaan van een wettige reden aantoont en met name de omstandigheid dat hij niet over een voldoende termijn heeft beschikt.
  • 3. 
    De verlening van een licentie krachtens lid 1 geeft recht op een volledige vergoeding, waarvan het bedrag moet worden overeengekomen tussen de houder van het octrooi, van het voorlopig bescherminggevende recht of van het gebruiksmodel en de licentiehouder.
  • 4. 
    De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan de bepalingen van het Unieverdrag van Parijs tot de bescherming van de industriële eigendom.

1.

Toelichting Nederlandse regering

Dit artikel bepaalt, dat bij gebreke van minnelijke schikking niet-uitsluitende licenties kunnen worden verleend, hetzij door middel van arbitrage, hetzij ambtshalve (d.w.z. via de nationale procedures tot verlening van gedwongen licenties):

  • a. 
    aan de Gemeenschap zelf of aan de Gemeenschappelijke Ondernemingen, wanneer het octrooien betreft inzake uitvindingen, die onmiddellijk verband houden met het onderzoek op het gebied van de kernenergie, voor zover de licentie nodig is voor de voortgang van het onderzoek van de Gemeenschap of van die ondernemingen zelf of onontbeerlijk is voor de functionering van hun installaties;
  • b. 
    aan personen of ondernemingen in het algemeen, door bemiddeling van de Gemeenschap, wanneer het octrooien betreft inzake uitvindingen, die onmiddellijk verband houden met en van wezenlijk belang zijn voor de ontwikkeling van de kernenergie in de Gemeenschap, voor zover in de behoefte van deze ontwikkeling, zoals zij door de Gemeenschap wordt nagestreefd, door de octrooihouder niet wordt voldaan.

In het laatste geval dient echter vier jaar te zijn verstreken sedert de indiening van de desbetreffende octrooiaanvrage, behoudens wanneer het een uitvinding. op specifiek kernenergetisch gebied betreft, in welk geval de uitvinding reeds onmiddellijk na de octrooiverlening het voorwerp van een gedwongen licentie zal kunnen vormen.

Volgens het bepaalde in lid 2 van dit artikel wordt géén gedwongen licentie verleend, indien de octrooihouder een geldige reden kan aanvoeren. Hierdoor krijgt hij dus alle gelegenheid om zelf in voldoende mate zorg te dragen voor de voorziening in de behoeften hetzij van de Gemeenschap zelf, hetzij van de ontwikkeling der kernenergie in het algemeen.

De Lid-Staten kunnen ter voorziening in de behoeften, zoals in dit artikel bedoeld, geen dwanglicenties opleggen dan na voorafgaand verzoek daartoe van de Commissie.

De overige bepalingen van artikel 17 bevatten de nodige waarborgen voor de octrooihouder, waaronder zijn recht op volledige vergoeding voor de te verlenen licentie, en constateren, dat geen afbreuk wordt gedaan aan de bepalingen van het bestaande Unieverdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom.