Zevende Hoofdstuk. Van den Waterstaat.

Inhoudsopgave van deze pagina:

127.

Bijzondere administratie bestuurt de Waterstaat

De Waterstaat blijft een der eerste nationale belangen en wordt bestuurd door eene bijzondere administratie, ter benoeming en onder het opzigt van den Souvereinen Vorst.

128.

Directie van den algemeenen Waterstaat houdt nationaal toezicht

Dienvolgens behooren bij uitsluiting tot de beheering der Directie van den algemeenen Waterstaat alle zoodanige Zee- of Rivier-waterkeerende Dijk- Sluis- en andere Waterwerken, als uit de algemeene Schatkist betaald en onderhouden worden.

Voor zoo verre soortgelijke werken door eenige kollegiën, gemeenten of particulieren bekostigd worden, staan dezelve onder het onmiddellijk toezigt der Directie van den algemeenen Waterstaat, welke zorg draagt, dat de aanteleggen werken aan de algemeene belangen geen nadeel toebrengen en aan dezelve kollegiën, gemeenten of particulieren daaromtrent de noodige voorschriften geeft.

129.

Exclusief mandaat over wegen en bruggen waarvan onderhoud door 's Lands kas gedragen wordt

Onder de beheering der Directie van den algemeenen Waterstaat zijn mede, bij uitsluiting, begrepen alle zoodanige wegen en bruggen, waarvan het onderhoud door 's Lands kas gedragen wordt, of waarvan de zorge, om redenen van algemeen belang, door den Souvereinen Vorst aan gemelde Directie wordt opgedragen.

130.

Bevoegdheden Staten der Provinciën

De Staten der Provinciën of Landschappen hebben de beheering van alle zoodanige Dijk- Sluis en andere Waterwerken, mitsgaders van alle zoodanige bruggen en wegen binnen hunne Provincie of Landschap, als niet vallen in de termen van artikel 128 en 129, ofte wel daarin vallende door den Souvereinen Vorst, om het nut der zaak, mede aan hunne administratie mogten worden opgedragen. Voor zoo verre de hier bedoelde werken door eenige kollegiën, gemeenten of particulieren moeten worden aangelegd en onderhouden, zorgen dezelve Staten, dat hier aan naar behooren voldaan worde.

131.

Staten hebben toezigt en gezag over kollegiën; reglementen der kollegiën hebben kragt van inrigting; benoeming Leden kollegiën

De gemelde Staten hebben het toezigt en gezag over alle Hooge en andere Heemraadschappen, Waterschappen, Dijks- en Polderbesturen en andere dergelijke kollegiën, hoe ook genaamd, binnen hunne Provincie of Landschap, onverminderd nogtans de bepaling bij het tweede gedeelte van artikel 128 voorkomende.

De laatst goedgekeurde reglementen dezer kollegiën maken den voet van derzelver inrigting uit, behoudens nogtans het regt der Staten, om daarin, onder goedkeuring van den Souvereinen Vorst, verandering te maken en onverminderd de bevoegdheid dier kollegiën, om aan de Staten zoodanige veranderingen daaromtrent voortedragen, als zij, voor het belang der Ingelanden, zullen vermeenen te behooren. Wat de benoeming en het maken van nominatiën voor gemelde kollegiën aangaat, zal daaromtrent door de Staten der Provinciën of Landschappen eene voordragt aan den Souvereinen Vorst gedaan worden.

132.

Oppertoezigt onderworpen aan den Vorst

Ten aanzien van de beheering of het toezigt, het welk bij artikel 130 aan de Staten is of in het vervolg zal worden opgedragen, blijven de daar bedoelde werken onderworpen aan het oppertoezigt van den Souvereinen Vorst, welke, te dien aanzien, naar bevind van zaken handelen kan, even als bij Artikel 91 omtrent alle andere zaken is vastgesteld.