Derde Afdeeling. Van de Voogdij des Konings.

Inhoudsopgave van deze pagina:

34.

Meerderjarigheid

De Koning is meerderjarig als zijn achttiende jaar vervuld is.

35.

Voogdij bij minderjarigheid

Zoolang de Koning minderjarig is, staat hij onder de voogdij van eenige leden van het Koninklijk Huis en eenige aanzienlijke Nederlanders.

36.

Regeling voogdij; benoeming voogden

De voogdij wordt geregeld en de voogden worden benoemd door eene wet.

Over het ontwerp dier wet nemen de Staten-Generaal hun besluit in eene vereenigde zitting der beide Kamers.

37.

Voogdij-wet bij het leven van den Koning gemaakt

Deze wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid zijns opvolgers gemaakt. Mogt dit niet zijn geschied, zoo worden, is het doenlijk, eenige der naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning over de regeling der voogdij gehoord.

38.

Eed voogd

Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elk der voogden in eene vereenigde zitting van de beide Kamers der Staten-Generaal, in handen van den voorzitter, den volgenden eed of belofte af:

"Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer (beloof) al de pligten, welke de voogdij mij oplegt, heilig te vervullen, en er mij bijzonder op te zullen toeleggen, om den Koning gehechtheid aan de Grondwet en liefde voor zijn volk in te boezemen."

"Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!" ("Dat beloof ik!")

39.

Toezicht bij onbekwaamheid Koning

Ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen, wordt in het noodige toezigt over zijn persoon voorzien naar de voorschriften, omtrent de voogdij van een minderjarigen Koning in art. 36 en volgende bepaald.