De voortzetting van behandeling van de ontwerpen van (rijks)wet: Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake grondrechten - Handelingen Eerste Kamer 1981-1982 11 mei 1982 orde 2

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Tekst

Aan de orde is de voortzetting van behandeling van de ontwerpen van (rijks)wet: Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake grondrechten (16905); Verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de toelating, uitzetting en uitlevering, het Nederlanderschap en het ingezetenschap (16906, R 1169); Verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van een bepaling betreffende het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam (16907); Verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van bepalingen inzake sociale grondrechten (16908); Verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake het koningschap (16909, R 1170); Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de Koning en de ministers alsmede de staatssecretarissen (16910); Verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van een bepaling inzake de ministerraad alsmede tot wijziging van de bepaling inzake het contraseign (16911, R 1171); Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de inrichting en de samenstelling van de Staten-Generaal (16912); Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de verkiezing van

Eerste Kamer 11 mei 1982

de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal (16913); Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de werkwijze van de Staten-Generaal (16914); Verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake het geven van inlichtingen door de ministers en de staatssecretarissen en het recht van onderzoek (16915, R 1172); Verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de Raad van State, de Algemene Rekenkamer en vaste colleges van advies en bijstand (16916, R 1173); Verandering in de Grondwet van bepalingen betreffende de wetgeven-de macht en de algemene maatregelen van bestuur, alsmede tot opneming van bepalingen betreffende andere voorschriften (16917, R 1174); Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de buitenlandse betrekkingen (16918, R 1175); Verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake uitzonderingstoestanden (16919); Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de belasting (16920); Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de begroting (16921); Verandering in de Grondwet, strekkende tot het doen vervallen van de artikelen 73 en 190-192, alsmede tot het opnemen van een bepaling inzake het geldstelsel (16922); Verandering in de Grondwet van de bepaling inzake de regeling van delen van het recht in algemene wetboeken en tot opneming van een bepaling inzake algemene regels van bestuursrecht (16923); Verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van een bepaling betreffende de instelling van een of meer algemene, onafhankelijke organen voor het onderzoek van klachten betreffende overheidsgedragingen (16924); Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake ambtenaren (16925); Verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van een bepaling inzake de openbaarheid van bestuur (16926); Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake adeldom en ridderorden (16927, R 1176); Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de justitie (16928); Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de Hoge Raad der Nederlanden (16929, R 1177); Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de berechting van ambtsmisdrijven (16930, R 1178);

Ingekomen stukken Grondwet

Verandering in de Grondwet van bepalingen inzake provincies en gemeenten (16931); Verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van een bepaling inzake de mogelijkheid kiesrecht voor de gemeenteraad te verlenen aan ingezetenen die geen Nederlander zijn (16932); Verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de waterstaat (16933); Verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere dan in de Grondwet genoemde lichamen met verordenende bevoegdheid (16934); Verandering in de Grondwet van de bepaling met betrekking tot de voorziening in aangelegenheden, waarbij twee of meer gemeenten zijn betrokken, alsmede van de bepaling inzake geschillen tussen openbare lichamen (16935); Verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake veranderingen in de Grondwet, alsmede tot opneming van bepalingen inzake splitsing van een voorstel (16936); Verandering in de Grondwet, strekkende tot het doen vervallen van de artikelen 1 en 2 (16937, R 1179); Verandering in de Grondwet, strekkende tot het doen vervallen van het additionele artikel inzake heerlijke rechten (16938), en van de motie-Feij c.s. betreffende het geven van toepassing aan additioneel artikel IX van de Grondwet (gedrukt stuk Eerste Kamer, zitting 1981-1982, nr.47d). De beraadslaging wordt hervat.

De Voorzitter: Ik geef eerst het woord aan de heer Feij, ter indiening van een nieuwe motie.

De heer Feij (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Naar aanleiding van de verleden week gemaakte opmerkingen van met name de heer Christiaanse, waaruit bleek dat er enige onduidelijkheid zou kunnen bestaan over de tekst van de ingediende motie, heb ik de eer u een technisch herziene motie aan te bieden, waarin in het tweede lid duidelijk de motieven zijn aangegeven, waarom wij menen deze motie te moeten indienen.

Motie

De Voorzitter: De motie-Feij c.s. (stuk nr. 47d) is in die zin gewijzigd, dat zij thans luidt:

440

Voorzitter De Kamer,

gehoord de beraadslaging; overwegende, dat de Regering voornemens is toepassing te geven aan additioneel artikel IX van de Grondwet; van oordeel, dat er verschil van opvatting bestaat over de wijze waarop de Regering, blijkens de gegeven informatie, hieraan uitvoering wil geven, waarbij sprake is van een meer dan zuiver redactionele en terminologische aanpassing in de zin van artikel IX;

voorts van oordeel, dat, nu de Regering tevens voornemens is om nog in deze kabinetsperiode grondwetsherzieningsvoorstellen in te dienen met betrekking tot de ongewijzigd gebleven artikelen, er geen dringende redenen aanwezig zijn toepassing te geven aan additioneel artikel IX;

nodigt de Regering uit, af te zien van haar voornemen tot het indienen van een aanpassingswetsontwerp als bedoeld in additioneel artikel IX en met spoed uitvoering te geven aan de artikelen 212 en 214 van de Grondwet, en gaat over tot de orde van de dag. Deze motie is medeondertekend door de leden Ginjaar, Heijne Makkreel, Veder-Smit en Van der Werft Zij krijgt nr. 47e (gedrukt stuk Eerste Kamer, zitting 1981-1982). D Mevrouw Van der Meer (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Verleden week heb ik niet het woord gevoerd over de ingediende motie-Feij en daarom wil ik er nu iets over zeggen. Sinds 1972 opent additioneel artikel IX de mogelijkheid om, wanneer bij voorbeeld door verwerping van sommige voorstellen, er oneffenheden dreigen te ontstaan, tot een aanpassing van de aangenomen voorstellen aan de ongewijzigd gebleven bepalingen van de Grondwet over te gaan. In de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer heeft de Minister aangegeven, zij het onder enig voorbehoud, welke procedure met betrekking tot de aanpassingswetgeving hem voor ogen staat. Het voorgestelde had blijkens de stukken de instemming van de Tweede Kamer, althans van een verschil van opvatting is ons niet gebleken. In deze Kamer is er van de zijde van de fractie van de VVD inhoudelijk op het voorgestelde ingegaan. De fractie van de PvdA is van mening dat de Regering de vrijheid moet houden om de aanpassingswetgeving in te dienen. De inhoudelijke kant van de aanpassingswetgeving zullen wij beoordelen zodra dit wetsontwerp de Kamer heeft bereikt. Het lijkt mijn fractie een zeer zinvolle zaak om na afronding van de tweede lezing van de grondwetswijziging met behulp van additioneel artikel IX alles nog eens op een rijtje te zetten, opdat een goed leesbare en overzichtelijke Grondwet het eindresultaat zal zijn. De fractie van de PvdA kan niet akkoord gaan met de voorgestelde procedure in de motie-Feij, namelijk om gebruik te maken van de artikelen 212 en 214 van de huidige Grondwet. Artikel 212 spreekt van het 'voegen' van veranderingen bij de Grondwet en in relatie met artikel 214, dat bepaalt dat de tekst van de herziene Grondwet door de Koning wordt bekend gemaakt en dat de hoofdstukken, de afdelingen van elk hoofdstuk en de artikelen door hem (de Koning) doorlopend kunnen worden genummerd met verandering zo nodig van de verwijzingen, is duidelijk, dat bedoeld is het inlassen van de veranderingen van de grondwetswijziging in de oude tekst. Dit lijkt ons, nu het gaat om een algehele grondwetswijziging, een omgekeerde procedure. De niet gewijzigde artikelen moeten in technische zin worden aangepast aan de herziene Grondwet en niet andersom, ook niet voor een korte periode Daar komt voor mijn fractie bij, dat de vernummering en dergelijke volgens artikel 214 wordt overgelaten aan de Koning. Een dergelijke delegatie lijkt ons in het kader van een algehele grondwetsherziening niet juist. Wij zijn van mening dat beide Kamers ingevolge additioneel artikel IX bij de aanpassingswetgeving betrokken dienen te blijven. Derhalve zal mijn fractie de motie-Feij niet steunen.

De Voorzitter: Ik maak de Kamer erop attent dat, nadat de beraadslaging is gesloten, er gelegenheid is voor het afleggen van stemverklaringen. D De heer Feij (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Ik vermoed dat het na de uitvoerige discussie van verleden week niet nodig is nog alle motieven ter tafel te brengen, die hebben geleid tot de indiening van mijn motie. Ik wil in het kort samenvatten de stelling, dat door toedoen van de Tweede Kamer en de Eerste Kamer een aantal artikelen in de Grondwet bij gewone wijziging en niet bij gekwalificeerde wijziging is gehandhaafd. Aan de handhaving van de artikelen liggen verschillende redenen ten grondslag, bij voorbeeld het artikel met betrekking tot het oppergezag van de Koning over de krijgsmacht. Er zijn leden die dit artikel hebben gehandhaafd omdat zij de krijgsmacht in de Grondwet willen handhaven. Anderen wensen dat helemaal niet, maar zien wel een bijzondere relatie tussen de Koning en de krijgsmacht. Er zijn dus diverse motieven geweest, die zowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer aanleiding hebben gegeven, bestaan-de artikelen te handhaven. Als wij nu de Grondwet in de nieuwe tekst gaan opstellen, dan zal de Regering zeer zorgvuldig te werk moeten gaan, als zij in de gehandhaaf-de artikelen wijzigingen gaat aanbrengen. Dat zouden naar de opvatting van onze fractie uitsluitend redactionele wijzigingen mogen zijn en geen wijzigingen die de inhoud van de bestaande artikelen geweld aan doen. Vandaar dat wij menen, dat wij de Regering moeten vragen om, óók wanneer er voor de motie geen meerderheid kan worden gevonden, zeer omzichtig om te springen met de voorgenomen wijzigingen. Ten slotte wijs ik erop, dat het een goed gebruik is om in een demissionaire periode wetsontwerpen te laten liggen wanneer één fractie ze controversieel verklaart. Ik heb begrepen dat de motie geen meerderheid zal verkrijgen en ik dring er bij de Minister op aan, dat hij rekening houdt met de opvattingen van de minderheid, die hier aan de orde is. De Minister heeft het belang van het oordeel van minderheden vaak onderstreept en hij zou wat dit betreft demonstratief kunnen handelen. Wanneer een minderheid hier vindt, dat de voorgestelde wijzigingen van grondwetsartikelen niet terecht worden doorgevoerd, zou hij daarvan af kunnen zien. Wij handhaven de motie, mede om te voorkomen dat, a contrario redenerend, de intrekking van de motie zodanig zou worden uitgelegd, dat mijn fractie zich alsnog met de aanpassingswetgeving zou kunnen verenigen. D Minister Van Thijn: Mijnheer de Voorzitter! Na de uitvoerige discussie, die hier de vorige week werd gevoerd over de betekenis van de motie-Feij, bestaat er dezerzijds geen behoefte aan, inhoudelijk op deze motie terug te komen. Nu echter de heer Feij met

Eerste Kamer 11 mei 1982

Grondwet

441

Van Thijn een zo grote nadruk het gevoel heeft aangeroepen, dat deze Minister heeft voor de opvattingen van minderheden, acht ik het minder juist, geheel zwijgend aan zijn laatste betoog voorbij te gaan, ook al bevat dit betoog ten opzichte van de vorige week geen nieuwe argumenten. Ik herhaal dan ook de bezwaren tegen de door hem ingediende motie, die door de aangebrachte wijziging niet wezenlijk is veranderd. Ik mag erop wijzen, dat het hier niet gaat om zomaar een grondwetswijziging maar om een integrale grondwetsherziening met de bedoeling om de totale Grondwet te maken tot een eigentijds, goed leesbaar en modern produkt. Dit houdt in, dat technische oneffenheden zullen moeten worden weggenomen. Dit dient op een uiterst zorgvuldige wijze te geschieden. Juist om die reden is in 1972 het additionele artikel IX in de Grondwet opgenomen. Men had daarmee het oog gericht op het moment, dat wij thans gaan beleven. Ik acht het een oneigenlijke zaak wanneer wij op dit beslissende moment in het kader van de afronding van de integrale grondwetsherziening niet van deze goed overwogen methode, neergelegd in het additionele artikel IX, gebruik maken en terugvallen op de artikelen 212 en 214, die enerzijds wel een snelle afkondiging mogelijk maken maar anderzijds de oneffenheden, die in de Grondwet zijn ontstaan nadat onderdelen zijn uitgevallen, laten bestaan. Als wij deze weg zouden volgend, zouden wij niet kunnen spreken van een werkelijk integrale grondwetsherziening. Ik zou dit, na vijftien jaren van arbeid, zeer betreuren.

De beraadslaging wordt gesloten. De Voorzitter: Ik geef thans gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen. D De heer Feij (VVD): Mijnheer de Voorzitter! Over wetsontwerp nr. 16905, verandering in de Grondwet van bepalingen inzake grondrechten, merk ik het volgende op. De uitzondering op de drukpersvrijheid voor de handelsreclame is ook in tweede lezing in de ogen van een deel van mijn fractie niet door de Regering gerechtvaardigd. Evenals bij de stemming in eerste lezing is geschied, zullen vier leden van onze fractie hun stem aan dit wetsontwerp onthouden. In onze fractie is andermaal uitvoerig gesproken over wetsontwerp 16915, inzake het enquêterecht voor minderheden. De discussie in tweede lezing is voor één lid aanleiding geweest, zijn standpunt ter zake te herzien. De overige leden van mijn fractie zijn, overigens met waardering voor het betoog van de Minister, door hem niet overtuigd. Zij zullen hun stem niet aan het wetsontwerp geven. Het bij amendement in wetsontwerp 16928, verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de justitie, ingevoegde verbod op de doodstraf stuit bij een viertal leden van onze fractie op onoverkomelijke principiële bezwaren. Ik volsta met een verwijzing naar de beschouwingen in eerste en tweede lezing. Deze leden zullen hun stem aan het wetsontwerp onthouden. De overige leden van mijn fractie hebben moeite met de wijze waarop het artikel tot stand is gekomen en zijn slechte formulering, maar willen de aanvaarding van het hoofdstuk inzake justitie laten prevaleren. Zij zullen hun stem aan het wetsontwerp geven. Mijn fractie zal de overige wetsontwerpen alle steunen. D De heer Christiaanse (CDA): Mijnheer de Voorzitter! Met 30 van de 34 wetsontwerpen kan de CDA-fractie onverdeeld instemmen. Dit geldt voor de nrs. 16905 tot en met 16912, 16914, 16916toten met 16927, 16929 tot en met 16931 en 16933 tot en met 16938. Resteren vier wetsontwerpen. Aan wetsontwerp 16913, over onder meer de vierjarige zittingsperiode voor de Eerste Kamer, kunnen drie leden van mijn fractie hun stem niet geven. De overige leden geven hun stem aan dit wetsontwerp. De drie tegenstemmers baseren hun tegenstem met name op hun besliste voorkeur voor het huidige zittingssysteem voor de Eerste Kamer, mede omdat zij vrezen dat de Eerste Kamer anders te zeer in de actuele politiek wordt betrokken. Mijn fractie zal zich, met uitzondering van twee leden, uitspreken tegen wetsontwerp 16915, over onder meer het minderheidsenquêterecht. Mijn fractie heeft de argumenten pro en contra zeer zorgvuldig heroverwogen en mede in aanmerking genomen, dat de CDA-fractie in eerste lezing vóór heeft gestemd, met uitzondering van de heer Thurlings. Onze argumenten tegen het wetsontwerp lopen veelszins samen met die van de Raad van State, die pas in het kader van de tweede lezing een advies heeft uitgebracht. Natuurlijk hebben wij dit advies ook afgewogen tegen het Nader rapport aan de Koningin van de bewindslieden.

Voorts speelt voor ons het aspect van de rechten en de privacy van de burger een rol. In en buiten deze Kamer is hierop gewezen. Wij zijn van mening dat de bepaling in de thans geldende Grondwet voldoende mogelijkheid biedt om het enquêterecht, als parlementair recht van betekenis, op eigen wijze te hanteren. Enige leden zullen zich uitspreken tegen wetsontwerp 16928, inzake Justitie, op gronden die ik eerder tijdens de behandeling ervan heb uiteengezet. Evenals in eerste lezing zal mijn fractie verdeeld stemmen over wetsontwerp 16932, inzake het kiesrecht voor ingezetenen die geen Nederlander zijn. De leden die tegen stemmen, achten de weg van naturalisatie aangewezen om in het bezit van het actief en passief kiesrecht voor gemeenteraden te komen. Een meerderheid van mijn fractie steunt thans dit wetsontwerp. D Mevrouw Van der Meer (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Na afweging van alle factoren heeft de fractie van de PvdA besloten om vóór 33 van de 34 wetsontwerpen tot wijziging van de Grondwet te stemmen. Het belang van een zoveel mogelijk integrale grondwetswijziging heeft hierbij zonder enige twijfel voorop gestaan. Ten aanzien van wetsontwerp 16913, verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake de verkiezing van de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal, is er in onze fractie sprake van een meerder-heids-en een minderheidsstandpunt. In de beschouwingen van onze woordvoerder, zowel in de eerste lezing als in de eerste termijn van de tweede lezing, is voldoende naar voren gebracht waarom een deel van onze fractie voor dit wetsontwerp zal stemmen. Enige leden, die in eerste lezing tegen deze grondwetswijziging hebben gestemd, zullen, mede gelet op hetgeen naar voren is gebracht, maar ook gelet op de houding van de Tweede Kamerfractie, thans voor dit wetsontwerp stemmen. De argumenten die een minderheid bewegen om tegen dit wetsontwerp te stemmen, zullen door mevrouw Mastik worden verwoord. • Mevrouw Mastik-Sonneveldt (PvdA): Mijnheer de Voorzitter! Zeven leden van mijn fractie zullen om redenen van politiek inhoudelijke aard tegen wetsontwerp 16913 stemmen. In de eerste plaats vrezen zij de mogelijkheid

Eerste Kamer 11 mei 1982

Grondwet

442

dat er een andere meerderheid ontstaat in deze Kamer dan in de Tweede Kamer of de meerderheid waarop het kabinet is gebaseerd. De Minister is van mening dat het zo'n vaart niet zal lopen. Dat is dan geheel voor zijn rekening, want bij verkiezingen kan er van alles gebeuren. Dat is overigens maar goed ook, want anders behoefden wij ze niet te houden. In de tweede plaats vrezen deze leden een verandering van mentaliteit. Verschillende sprekers hebben betoogd dat senatoren zich in het algemeen beperkt politiek opstellen. Wij vinden dat een heel goede zaak. Het zou echter niet voor het eerst zijn in de Nederlandse geschiedenis dat wijziging van een structuur -lees in dit geval: een wijziging in de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer -leidt tot een verandering van mentaliteit. Wellicht had het argument, dat er hier een lid zou kunnen zitten op basis van een statenuitslag van 9 jaar geleden ons nog over de streep kunnen trekken. Dat is echter een zuiver hypotetische gedachte, want als wij de geschiedenis erop naslaan, kunnen wij constateren dat dit sinds de tweede wereldoorlog niet is voorgekomen. Sterker nog: de gehele ontbinding van de Eerste Kamer bij grondwetsherziening en de gedeeltelijke vernieuwing na drie jaar, zorgen voor een van de meest flexibele organen in ons staatsbestel, niet gehinderd door enige continuïteit. Resumerend: gezien het feit dat dit wetsontwerp elementen in zich draagt die de politieke factor t.a.v. het functioneren van de Eerste Kamer kunnen versterken en gezien het feit dat dit niet strookt met onze opvattingen over de aard en de functie van dit orgaan -zolang het nog bestaat -zullen wij tegen dit wetsontwerp stemmen. D De heer Vis (D'66): Mijnheer de Voorzitter! De fractie van D'66 heeft zich vanaf het begin van deze discussie gevoelig getoond voor het argument dat het gaat om een integrale en samenhangende herziening van de Grondwet. Dit brengt ons ertoe, voor alle wetsontwerpen te stemmen, zij het met zeer grote moeite voor wetsontwerp 16931, dat handelt over, populair gezegd, de constitutionalisering van de burgemeester. Mag ik tevens een stemverklaring afleggen over de motie-Feij?

Eerste Kamer 11 mei 1982

De Voorzitter: Wilt u hiermee wachten? Misschien komen er meer stemverklaringen over deze motie. Ik zie dat hierop positieve reacties komen uit de zaal. De heer Vis (D'66): Dan wacht ik ermee. De Voorzitter: Hiermee is het lijstje van degenen die een stemverklaring willen afleggen, afgehandeld en kunnen wij tot de stemmingen overgaan. In overleg met het College van Senioren is besloten, bij zitten en opstaan te stemmen, tenzij iemand hoofdelijke stemming verlangt. Wetsontwerp 16905 wordt met 66 tegen 4 stemmen aangenomen. Voor hebben gestemd de leden: Albeda, Derks, Van de Zandschulp, Buijsert, Bakker, Simons, Pais, Feij, Schinck, Franssen, Van der Werff, Van der Meer, Maassen, Kaland, Wiebenga, Christiaanse, Zoutendijk, Vis, Eijsink, Abma, Umkers, Mijnsbergen, Nagel, Tiesinga-Autsema, Mastik-Sonneveldt, Groensmit-van der Kallen, Vrouwenvelder, Van Dalen, Uijen, Ermen, Tummers, Stam, Oskamp, Veder-Smit, Bischoff van Heemskerck, De Rijk, Tjeerdsma, De Gaay Fortman, Netjes, Steenkamp, Leyten-de Wijkerslooth de Weerdesteyn, Zoon, Steigenga-Kouwe, Uijterwaal-Cox, Maaskant, Rijnvos, Russell, Smeets-Janssen, Kruisinga, Van Soest-Jansbeken, Hendriks, Gooden, Van Veldhuizen, Baarveld-Schlaman, Bukman, Von Meijenfeldt, De Vries, Van der Werf-Terpstra, Cnoop, Koopmans, Korthals Altes, Vleggeert, Grol-Overling, Tonkes, De Jong, Hijmans en de Voorzitter.

Tegen hebben gestemd de leden: Van Tets, Ginjaar, Heijne Makkreel en Veen. De Voorzitter: Ik merk op, dat de heer Van der Ploeg de presentielijst heeft getekend nadat deze stemming had plaatsgevonden. Het ontwerp van rijkswet 16906 (R 1169) wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Wetsontwerp 16907 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Wetsontwerp 16908 wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De Voorzitter: Ik constateer, dat de fractie van de SGP tegen dit wetsontwerp heeft gestemd. Het ontwerp van rijkswet 16909 (R 1170) wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen.

Grondwet

Wetsontwerp 16910 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Het ontwerp van rijkswet 16911 (R 1171) wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Wetsontwerp 16912 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen.

Wetsontwerp 16913 wordt met 61 tegen 10 stemmen aangenomen. Voor hebben gestemd de leden: Van der Meer, Maassen, Kaland, Wiebenga, Christiaanse, Zoutendijk, Vis, Eijsink, Van Tets, Abma, Umkers, Nagel, Ginjaar, Tiesinga-Autsema, Groen-smit-van der Kallen, Van Dalen, Ermen, Tummers, Stam, Oskamp, Veder-Smit, Bischoff van Heemskerck, De Rijk, Tjeerdsma, De Gaay Fortman, Heijne Makkreel, Netjes, Steenkamp, Leyten,de Wijkerslooth de Weerdesteyn. Zoon, Uijterwaal-Cox, Rijnvos, Russell, Smeets-Janssen, Veen, Hendriks, Gooden, Van Veldhuizen, Baarveld-Schlaman, Bukman, Von Meijenfeldt, De Vries, Van der Werf-Terpstra, Cnoop Koopmans, Korthals Altes, Vleggeert, Grol-Overling, De Jong, Hijmans, Albeda, Derks, Van de Zandschulp, Buijsert, Bakker, Pais, Van der Ploeg, Feij, Schinck, Franssen, Van der Werff en de Voorzitter. Tegen hebben gestemd de leden: Mijnsbergen, Mastik-Sonneveldt, Vrouwenvelder, Uijen, Steigenga-Kouwe, Maaskant, Kruisinga, Van Soest-Jansbeken, Tonkes en Simons. Wetsontwerp 16914 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Het ontwerp van rijkswet 16915 (R 1172) wordt met 36 tegen 35 stemmen verworpen. Tegen hebben gestemd de leden: Grol-Overling, De Jong, Albeda, Buijsert, Pais, Franssen, Van der Werff, Kaland, Wiebenga, Christiaanse, Zoutendijk, Eijsink, Van Tets, Abma, Ginjaar, Van Dalen, Veder-Smit, Tjeerdsma, Heijne Makkreel, Netjes, Steenkamp, Leyten-de Wijkerslooth de Weerdesteyn, Uijterwaal-Cox, Rijnvos, Russell, Veen, Kruisinga, Van Soest-Jansbeken, Hendriks, Gooden, Bukman, Von Meijenfeldt, De Vries, Van der Werf-Terpstra, Korthals Altes en de Voorzitter.

Voor hebben gestemd de leden: Tonkes, Hijmans, Derks, Van de Zandschulp, Bakker, Simons, Van der Ploeg, Feij, Schinck, Van der Meer, Maassen, Vis, Umkers, Mijnsbergen, 443

Nagel, Tiesinga-Autsema, Mastik-Sonneveldt, Groensmit-van der Kallen, Vrouwenvelder, Uijen, Ermen, Tummers, Stam, Oskamp, Bischoff van Heemskerck, De Rijk, De Gaay Fortman, Zoon, Steigenga-Kouwe, Maaskant, Smeets-Janssen, Van Veldhuizen, Baarveld-Schlaman, Cnoop Koopmans en Vleggeert.

Het ontwerp van rijkswet 16916 (R 1173) wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Het ontwerp van rijkswet 16917 (R 1174) wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Het ontwerp van rijkswet 16918 (R 1175) wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen.

Wetsontwerp 16919 wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De Voorzitter: Ik constateer, dat de fractie van de CPN tegen dit wetsontwerp heeft gestemd.

Wetsontwerp 16920 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Wetsontwerp 16921 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Wetsontwerp 16922 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Wetsontwerp 16923 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Wetsontwerp 16924 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Wetsontwerp 16925 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Wetsontwerp 16926 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Het ontwerp van rijkswet 16927 (R 1176) wordt bij zitten en opstaan aangenomen. De Voorzitter: Ik constateer, dat de fractie van de PPR tegen dit wetsontwerp heeft gestemd. Wetsontwerp 16928 wordt met 60 tegen 11 stemmen aangenomen. Voor hebben gestemd de leden: De Vries, Van der Werf-Terpstra, Cnoop Knoopmans, Vleggeert, Grol-Overling, Tonkes, De Jong, Hijmans, Albeda, Derks, Van de Zandschulp, Bakker, Simons, Pais, Van der Ploeg, Feij, Schinck, Franssen, Van der Werff, Van der Meer, Maassen, Kaland, Wiebenga, Christiaanse, Zoutendijk, Vis, Eijsink, Umkers, Mijnsbergen, Nagel, Tiesinga-Autsema, Mastik-Sonneveldt, Groen-smit-van der Kallen, Vrouwenvelder, Van Dalen, Uijen, Ermen, Tummers, Stam, Oskamp, Veder-Smit, Bischoff van Heemskerck, De Rijk, Tjeerdsma, De Gaay Fortman, Heijne Makkreel, Netjes, Steenkamp, Leyten-de Wijkerslooth de Weerdesteyn, Zoon, Steigenga-Kouwe, Maaskant, Russell, Smeets-Janssen, Kruisinga, Van Soest-Jansbeken, Van Veldhuizen, Baarveld-Schlaman, Bukman en Von Meijenfeldt.

Tegen hebben gestemd de leden: Korthals Altes, Buijsert, Van Tets, Abma, Ginjaar, Uijterwaal-Cox, Rijnvos, Veen, Hendriks, Gooden en de Voorzitter. Het ontwerp van rijkswet 16929 (R 1177) wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Het ontwerp van rijkswet 16930 ( R 1178) wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen.

Wetsontwerp 16931 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Wetsontwerp 16932 wordt met 61 tegen 10 stemmen aangenomen. Voor hebben gestemd de leden: Buijsert, Bakker, Simons, Pais, Van der Ploeg, Feij, Schinck, Franssen, Van der Werff, Van der Meer, Maassen, Kaland, Wiebenga, Christiaanse, Zoutendijk, Vis, Van Tets, Umkers, Mijnsbergen, Nagel, Ginjaar, Tiesinga-Autsema, Mastik-Sonneveldt, Vrouwenvelder, Van Dalen, Uijen, Ermen, Tummers, Stam, Oskamp, Veder-Smit, Bischoff van Heemskerck, De Rijk, Tjeerdsma, De Gaay Fortman, Heijne Makkreel, Steenkamp, Leyten-de Wijkerslooth de Weerdesteyn, Zoon, Steigenga-Kouwe, Maaskant, Russell, Smeets-Janssen, Veen, Kruisinga, Van Soest-Jansbeken, Hendriks, Gooden, Van Veldhuizen, Baarveld-Schlaman, Bukman, Von Meijenfeldt, De Vries, Cnoop Koopmans, Korthals Altes, Vleggeert, Tonkes, Hijmans, Albeda, Derks en Van de Zandschulp. Tegen hebben gestemd de leden: Eijsink, Abma, Groensmit-van der Kallen, Netjes, Uijterwaal-Cox, Rijnvos, Van der Werf-Terpstra, Grol-Overling, De Jong en de Voorzitter.

Wetsontwerp 16933 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen.

Wetsontwerp 16934 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Wetsontwerp 16935 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Wetsontwerp 16936 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen.

Het ontwerp van rijkswet 16937 (R 1179) wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. Wetsontwerp 16938 wordt bij zitten en opstaan met algemene stemmen aangenomen. De Voorzitter: Hiermede is een einde gekomen aan een langdurige prestatie van de Regering en van de Regerings-commissaris die ik heel in het bijzonder wil complimenteren. In stemming komt de gewijzigde motie-Feij c.s. betreffende het geven van toepassing aan additioneel artikel IX van de Grondwet (nr. 47e). De Voorzitter: Ik geef gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen. D De heer Christiaanse (CDA): Mijnheer de Voorzitter! De fractie van het CDA is overtuigd door de argumentatie van de Minister dat het wel degelijk wenselijk is vóór de afkondiging van de nieuwe Grondwet toepassing te geven aan additioneel artikel IX van de Grondwet. Dit geldt met name voor die wetsontwerpen die niet de vereiste meerderheid in eerste en tweede termijn in de Tweede Kamer dan wel de Eerste Kamer hebben behaald. Wij zullen deze motie daarom niet steunen. D De heer Vis (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Ook onze fractie is overtuigd door de argumentatie van de Minister tegen de motie-Feij. Wij zijn er voorts van overtuigd dat aanvaarding en uitvoering van deze motie zowel redactioneel als systematisch van de Grondwet een monstrum zal maken en dat wellicht voor langere tijd want politiek gezien is in dit land alles onzeker.

De Voorzitter: De heer De Rijk vraagt hoofdelijke stemming over de motie. De motie-Feij c.s. wordt met 61 tegen 10 stemmen verworpen. Tegen hebben gestemd de leden: Leyten-de Wijkerslooth de Weerdesteyn. Zoon, Steigenga-Kouwe, Uijterwaal-Cox, Maaskant, Rijnvos,

Eerste Kamer 11 mei 1982

Grondwet

Russell, Smeets-Janssen, Kruisinga, Van Soest-Jansbeken, Hendriks, Gooden, Van Veldhuizen, Baarveld-Schlaman, Bukman, Von Meijenfeldt, De Vries, Van der Werf-Terpstra, Cnoop Koopmans, Vleggeert, Grol-Overling, Tonkes, De Jong, Hijmans, Albeda, Derks, Van de Zandschulp, Buijsert, Bakker, Simons, Van der Ploeg, Schinck, Franssen, Van der Meer, Maassen, Kaland, Wiebenga, Christiaanse, Vis, Eijsink, Abma, Umkers, Mijnsbergen, Nagel, Tiesinga-Autsema, Mastik-Sonneveldt, Groen-smit-van der Kallen, Vrouwenvelder, Van Dalen, Uijen, Ermen, Tummers, Stam, Oskamp, Bischoff van Heemskerck, De Rijk, Tjeerdsma, De Gaay Fortman, Netjes, Steenkamp en de Voorzitter. Voor hebben gestemd de leden: Veen, Korthals Altes, Pais, Feij, Van der Werff, Zoutendijk, Van Tets, Ginjaar, Veder-Smit en Heijne Makkreel.

 
 

2.

Meer informatie