De Mohammed cartoon competitie

maandag 24 september 2018, column van Prof.dr Tom Zwart

Op 30 augustus blies Geert Wilders de Mohammed cartoon competitie af. De vraag is hoe zo'n competitie zich zou verhouden tot de grondrechten. Op die vraag wordt in deze bijdrage een antwoord gegeven. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de competitie zou bestaan uit een - publiek toegankelijke - expositie in de PVV vertrekken in de Tweede Kamer, die zou vallen onder art. 7, lid 3 Grondwet, en een boek, waarop art. 7, lid 1 Grondwet van toepassing zou zijn. Beide uitingen zouden ook worden bestreken door art. 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).

Premier Rutte gaf aan dat de competitie wat hem betreft weliswaar onwenselijk was, maar wel beschermd zou worden door de vrijheid van meningsuiting. Het is waar dat art. 10 EVRM volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) een ruime mate van bescherming biedt aan gekozen volksvertegenwoordigers, omdat zij hun kiezers vertegenwoordigen, aandacht vragen voor wat die kiezers bezighoudt en opkomt voor hun belangen (1). Maar het EHRM vindt ook dat beperkingen mogen worden aangebracht ten behoeve van de godsdienstvrijheid, met name als het kunstuitingen betreft die religieuze opvattingen op de korrel nemen. De inbeslagname van een film waarin God als een slappeling, Jezus als een dom moederskindje en de Maagd Maria als een bandeloze vrouw werden neergezet kon wat het EHRM betreft dan ook door de beugel. (2)

Bovendien bevatten de artt. 7, lid 1 en lid 3 Grondwet en art. 10 EVRM beperkingsclauses. Zo laat art. 7 Grondwet formeel wettelijke beperkingen toe, terwijl art. 10 EVRM onder andere kan worden beperkt ter bescherming van de rechten van anderen, voor zover die beperking een wettelijke grondslag hebben en nodig zijn in een democratische samenleving.

De godsdienstvrijheid van moslims, die wordt beschermd door art. 6 Grondwet en art. 9 EVRM, vormt zo'n gerechtvaardigde beperking. Voor moslims maken spotprenten van Mohammed om drie reden een inbreuk op hun godsdienstvrijheid. (3) In de eerste plaats schrijft het islamitische recht grote terughoudendheid voor met het afbeelden van mensen en dieren. Afbeelden is een vorm van scheppende arbeid en deze is voorbehouden aan God. Bovendien kunnen afbeeldingen ontaarden in afgoderij die door de islam wordt afgewezen. In de tweede plaats verzet het islamitische recht zich het afbeelden van de Profeet, omdat dit kan leiden tot zijn aanbidding, maar die verering komt alleen God toe. In de derde plaats is het beledigen van de Profeet naar islamitische recht een ernstig vergrijp. Binnen de islam wordt de Profeet als het belangrijkste rolmodel voor de gelovigen beschouwd en hem beledigen wordt dan ook gelijk gesteld met het belachelijk maken van alle gelovigen.

Art. 137c Wetboek van Strafrecht, dat verbiedt zich beledigend uit te laten over een groep mensen wegens hun godsdienst, vormt een andere gerechtvaardigde beperking. In een arrest uit 2009 gaf de Hoge Raad aan dat deze bepaling alleen maar betrekking heeft op uitlatingen over een groep mensen omdat zij een bepaalde godsdienst aanhangen, maar niet op uitlatingen over een godsdienst als zodanig. (4) Het exposeren of publiceren van Mohammed cartoons zou dan niet aan de delictsomschrijving voldoen. Maar om twee redenen gaat die vlieger niet op.

In de eerste plaats zijn volgens de islam de godsdienst en gelovigen één en ondeelbaar (tawhid). Godsdienst neemt bij moslims een centrale plaats in het dagelijks leven in en is de kern van de identiteit. In de islam is godsdienst daarom niet te scheiden van de mens. Wie de godsdienst beledigt raakt daarmee ook de gelovigen. Bovendien wordt het beledigen van de Profeet beschouwd als het beledigen van alle gelovigen. In termen van de delictsomschrijving: als men de godsdienst beledigt, beledigt men daarmee tegelijkertijd ook de groep personen.

In de tweede plaats is in 2014 het verbod op blasfemie vervallen, dat het geloof tegen belediging beschermde. Volgens de indieners van het initiatiefvoorstel kon dat verbod met een gerust hart worden afgeschaft omdat de artt. 137c en 137d Wetboek van Strafrecht een volwaardig alternatief bieden. (5) Voor diverse fracties in Tweede en Eerste Kamer was dit een belangrijke reden om met afschaffing akkoord te gaan. Deze interpretatie, die vijf jaar na het arrest uit 2009 werd uitgesproken, moet dan ook als een opdracht van de wetgever aan de rechter worden beschouwd om ook belediging van een religie onder deze delictsomschrijvingen te brengen.

Op grond van de godsdienstvrijheid zouden beperkingen op de cartoon competitie zijn toegestaan. Door het afblazen van de competitie heeft Wilders in ieder geval een vervolging wegens groepsbelediging voorkomen.

  • (1) 
    EHRM 23 april 1992, No. 11798/85 (Castells); EHRM 27 februari 2001, No. 26958/95 (Jerusalem).
  • (2) 
    EHRM 20 september 1994, Appl.no. 13470/87 (Otto-Preminger-Institut).
  • (3) 
    Stephan Rosiny, Der beleidigte Prophet, Religiöse und politische Hintergründe des Karikaturenstreits, in: Bernhard Debatin (ed.), Der Karikaturenstreit und die Pressefreiheit, Münster, 2007, pp. 103-115; Silvia Naef, Y a-t-il une "question de l'image" en Islam?, Paris, 2004.
  • (4) 
    Hoge Raad, 10 maart 2009, NJ 210, 19.
  • (5) 
    Kamerstukken I, 2013/14, 32 203, C.

Tom Zwart is hoogleraar mensenrechten aan de Universiteit Utrecht.