Grondrechten als ideologie

vrijdag 28 augustus 2020, column van Prof.Dr. Joop van den Berg

Het is heel modieus om te schrijven over het ‘neoliberale tijdperk’, waarin wij verkeren of hebben verkeerd. Altijd leuk om er dan bij te vertellen dat daarin ook de vanouds linkse, meer tot socialisme geneigde partijen verregaand zijn meegedreven. Het zal allemaal niet onjuist zijn, maar het is waarschijnlijk toch een te beperkt referentiekader om politieke tendensen en evenementen mee te bezien. Alsof het altijd over ‘de tucht van de markt’ zou gaan.

Minstens zo belangrijk is een sociaal-culturele beweging die sinds de jaren zestig van de vorige eeuw in de westerse wereld op gang is gekomen en die wij plegen te omschrijven met de term ‘individualisering’. De journalist Henk Hofland heeft die wel eens fraai aangeduid als ‘de dekolonisatie van het dagelijks leven’. Interessant daaraan is dat het om een beweging gaat die door niemand is geleid, maar die zich aan de maatschappelijke en politieke instituties heeft opgedrongen. In ons land leidde die tot het verval van de ‘verzuiling’, het samenleven in met elkaar verwante en onder sterke sociale controle staande organisaties, verenigd door dezelfde godsdienst of levensbeschouwing. Niet alleen verviel die samenhang, maar ook de steun en loyaliteit aan kerk, sociale organisatie en politieke partij verloor aan kracht en betekenis.

Deze ‘individualisering’ is heel lang vrijwel louter gezien als bevrijding van oude en knellende sociale banden en controle. Voor velen is zij ook daadwerkelijk een bevrijding geweest, omdat individuen voortaan zelf konden kiezen, zonder klasse- of standsvooroordeel, of het nu ging om levenspartner of om de opleiding of het genre beroep dat men wilde uitoefenen. Dat ook ‘individualisering’ kon ontaarden is pas in meer recente jaren tot ons doorgedrongen. Dat sommige maatschappelijke voorzieningen alleen behoorlijk kunnen functioneren als ze collectief worden georganiseerd is een besef dat nogal te lijden heeft gehad en waar bij voorbeeld de pensioenwetgeving bijna aan onderdoor is gegaan. Dat het eigen individuele oordeel niet altijd belangrijker is dan dat van de georganiseerde groep gaat er maar moeilijk meer in. De versplintering van de politieke partijen is er onmiskenbaar een gevolg van.

Er is nog een verschijnsel waarin de individualisering zich manifesteert: in het beroep te pas en te onpas op de zogenaamde ‘individuele grondrechten’, zoals die te vinden zijn in onze Grondwet en in een aantal internationale verdragen. Niemand zal het belang ervan ontkennen; niet toevallig zijn die grondrechten sinds 1983 vooraan in de Grondwet geformuleerd. Het lijkt er echter sterk op dat zij zijn gaan dienen als alibi om zich aan wettelijke bevelen te onttrekken. Het staat bovendien erg chic om niet te hoeven zeggen dat je ergens geen zin in hebt, maar ‘dat je in je elementaire rechten geschaad wordt’. Juristen die er gevoelig voor zijn – dat zijn er nogal wat – hebben er een reuze vorm van werkgelegenheid in gevonden grondrechten fantasierijk en vooral breed uit te leggen. En ze vervolgens tegen regering en ministers te gebruiken, of tegen gemeentebestuurders. Parlementariërs en raadsleden worden daar vervolgens erg nerveus van, want wie wil er nu handelen tegen de Grondwet? Soms bezwijken zelfs rechters voor de verleiding grondrechten eerst een heel nieuwe betekenis te geven en die vervolgens in te zetten tegen besluiten van de overheid.

Grondrechten zijn een politieke ideologie geworden; de ideologie van de individualisering. Het is de vraag of die daarvoor gemaakt zijn. Voor de rechter is het moeilijk het hoofd koel te houden als politieke bezwaren bekwaam worden bedekt onder ‘grondrechtelijke’ redeneringen, zoals gebeurt als het gaat om de verplichting om mondkapjes te dragen. Van burgemeesters wordt zelfs uitgesproken moed gevergd om in de coronacrisis die maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn voor het behoud van de volksgezondheid. Dat ondervond de Rotterdamse burgemeester Aboutaleb toen hij, ondanks luidruchtig uitgesproken bezwaren van hoogleraren in het staatsrecht, liet weten alle maatregelen te nemen die hij nodig achtte ter bestrijding van de coronacrisis. Daarbij wees hij beleefd doch beslist de opponerende juristen hun plaats, wat hen tot grote opwinding bracht: het ging toch over grondrechten?! Dit, terwijl Aboutaleb er keurig bij had gezegd, dat hij voor een rechterlijke afwijzing uiteraard zou wijken.

Die opwinding laat, meer dan wat ook, zien dat grondrechten tot politieke ideologie zijn geworden, de politieke ideologie van de individualisering.

 

Joop van den Berg is emeritus hoogleraar parlementair stelsel aan de Universiteit Maastricht.

Deze colum verscheen eerder op parlement.com