'We moeten ons aanpassen aan de wereld zoals hij is' - verslag van het Actualiteitendebat 7 maart 2022

dinsdag 8 maart 2022

DEN HAAG (PDC) - ‘We moeten nog leren kruipen’. Zo opende Lotje Boswinkel het Actualiteitendebat ‘Recente spanningen, langlopende uitdagingen: de toekomst van het EU-defensiebeleid’ dat gisteren plaatsvond. Het Actualiteitendebat werd georganiseerd door het Montesquieu Instituut, in samenwerking met Nieuwspoort, ProDemos en Filmhuis Den Haag. Zijn de huidige ontwikkelingen en veiligheidsdreigingen een opmaat naar een sterker Europees defensiebeleid? En wat voor doelen moet het Europese defensiebeleid dienen? Deze vragen stonden centraal in het gesprek tussen panelleden Jasper van Dijk, Ruben Brekelmans, Christoph Schmidt en Lotje Boswinkel. Stéphane Alonso was de moderator.

Volgens Boswinkel, die de inleiding van het debat verzorgde, lijkt er sinds Rusland Oekraïne is binnengevallen een aardverschuiving plaats te vinden in het debat over Europese defensie. Zo investeert Duitsland honderd miljard euro in defensie, en financiert de Europese Unie (EU) voor het eerst in haar geschiedenis wapenleveranties. Voorheen liepen discussies over defensie vast op het willen behouden van de nationale zeggenschap, of op meningsverschillen over een Europees leger of flitsmacht. Volgens Boswinkel gaan deze discussies voorbij aan het gebrek aan capaciteit en middelen. Europese defensie wordt volgens haar nog steeds gekenmerkt door een gat tussen retoriek en mogelijkheden. Hoewel er veel lopende EU-defensie-initiatieven zijn, zoals PESCO en het Strategisch Kompas, kan Europa weinig uitrichten zonder Amerikaanse steun.

Dat wat onmogelijk leek is toch gebeurd: er is weer oorlog in Europa. Na de inleiding van Boswinkel opende moderator Alonso met die woorden het debat tussen de panelleden. De oorlog in Oekraïne vormde de aanleiding van veel discussies tijdens het debat. Zo constateerden alle panelleden dat de oorlog het gesprek over de noodzaak van defensie heeft vernieuwd. Volgens Boswinkel is de ‘tijd van naïviteit nu echt voorbij’. De EU wilde leven in een wereld van multilateralisme en economische banden, maar de EU ‘moet zich aanpassen aan de wereld zoals hij is’. Ook Brekelmans noemde het idee dat handel zou leiden tot wederzijds begrip achteraf gezien naïef. Schmidt sloot zich hierbij aan, maar signaleerde een positieve ontwikkeling: de EU-lidstaten stralen eenheid uit in de reactie op deze crisis.

Hoewel ook Van Dijk het logisch vond dat de ‘verschrikkelijke oorlog’ in Oekraïne heeft geleid tot debat over defensie, merkte hij op dat het kabinet al structureel en incidenteel meer investeert in defensie. De NAVO en de Europese lidstaten geven al meer uit aan defensie dan Rusland. Van Dijk waarschuwde voor een wapenwedloop en stelde dat Europa niet ‘mee moest gaan in het wapengekletter’. Hij zou daarom eerst willen discussiëren over de vraag waarom Europa meer zou moeten uitgeven aan defensie.

De discussie over de noodzaak van defensie-uitgaven volgde al snel. Op de vraag van Alonso over het nut van hogere uitgaven, antwoordde Brekelmans dat Nederland niet kan voldoen aan de eisen van NAVO. Nederland heeft een inhaalslag te maken op het aantal personen en materieel. Tegelijkertijd is de dreiging door Rusland toegenomen, en Oost-Europese landen vragen om meer bescherming. Dit vraagt om meer investeringen om de inzetbaarheid te vergroten. Deze discussie spitste zich toe op de rol van de NAVO. Van Dijk benoemde dat Rusland Oekraïne heeft aangevallen en niet de NAVO. Het is volgens hem niet hard te maken dat de NAVO zich grote zorgen moet maken over een grotere Russische aanval op Oost-Europa. Brekelmans stelt daarentegen dat afschrikking juist oorlog voorkomt. Daarom moet Europa meer investeren in defensie. Boswinkel sluit zich hierbij aan: ‘als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog’.

De noodzaak van een sterker EU-defensiebeleid kwam ook aan bod. Is het wel nodig, aangezien de NAVO de collectieve verdediging op zich neemt? Zowel Boswinkel als Brekelmans achten de niet-EU-landen binnen de NAVO momenteel te belangrijk voor de Europese veiligheid. Daarom pleitten zij voor een betere taakverdeling tussen de EU en de NAVO, zodat de EU-landen zelfstandiger op kunnen treden en daarmee de NAVO kunnen versterken. Het is immers niet vanzelfsprekend dat de Verenigde Staten zullen ingrijpen in Europese conflicten. Van Dijk benadrukte echter vooral het belang van economische sancties als het middel dat bij uitstek op zijn plek is, en het feit dat onderhandelingen uiteindelijk een einde moeten maken aan de oorlog in Oekraïne.

Hoewel de oorlog in Oekraïne de aanleiding vormde voor de discussies, betwijfelden de panelleden of de oorlog in Oekraïne een ‘gamechanger’ is voor het EU-defensiebeleid. Zowel Schmidt als Boswinkel stelden dat na eerdere crises de slagkracht van het EU-defensiebeleid niet aanzienlijk is uitgebreid. Hoewel er volgens Schmidt door de toegenomen investeringen taboes zijn doorbroken, zal de nationalistische reflex blijven bestaan. Hij voorspelde daarom dat EU-defensie de komende jaren beperkt blijft tot samenwerking tussen nationale krijgsmachten, met voorzichtige stapjes.

Alle panelleden waren het er tot slot over eens dat meer samenwerking tussen Europese landen nuttig is. Zo zou de EU gezamenlijke inkopen en ontwikkeling van materieel kunnen bevorderen, wat kosten bespaart. Alonso sloot af met de opmerking dat Oekraïne niet zoveel aan bod is gekomen tijdens het debat. Niet omdat het panel het niet belangrijk vindt, maar omdat het juist nu belangrijk is om strategische discussies over defensie te voeren. Ondanks dat de panelleden het tijdens de discussies lang niet altijd eens waren, sloten zij zich allemaal bij deze opmerking aan.