Stagflatie: terug naar de jaren zeventig?

woensdag 29 juni 2022, column van dr. Jonne Harmsma

Op 1 september aanstaande presenteert het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis Grote idealen, smalle marges. Een parlementaire geschiedenis van de lange jaren zeventig (1971-1982) (Boom uitgevers Amsterdam). Dit is het tiende deel in de serie parlementaire geschiedenis van Nederland na 1945. De jaren zeventig waren de jaren van hooggestemde verwachtingen van de politiek, van activisme en idealisme. Maar het waren ook de jaren van diepe maatschappelijke en politieke tegenstellingen en van economische crisis.

In deze column toont een van de auteurs van het boek, dr. Jonne Harmsma, een parallel tussen de huidige en de toenmalige discussie over de stand van de economie.

Het gevreesde S-woord doet de ronde: net als in de jaren zeventig zou stagflatie op de loer liggen.1 Na het grote Noorse staatsfonds NBIM waarschuwde ook de Wereldbank begin juni voor dit scenario.2 Sindsdien buitelen economen, bankiers en deskundigen over elkaar heen om de vergelijking met toen te onderschrijven of te weerleggen. Maar wat is stagflatie precies? En in hoeverre zijn er parallellen met de jaren zeventig? Dreigt de wereld inderdaad in een vergelijkbare situatie terecht te komen? En welke lessen kunnen getrokken worden uit de wijze waarop politici en beleidsmakers toen op deze malaise reageerden?

Stagflatie stak begin jaren zeventig de kop op en bestond uit dalende groei (stagnatie) en oplopende prijzen (inflatie). ‘Het summum van het onaangename bij elkaar’, aldus minister Roelof Nelissen (KVP) van Economische Zaken in december 1970.3 Lang was iedereen overtuigd dat deze twee verschijnselen onmogelijk samen konden gaan. De Phillips-curve voorspelde immers dat inflatie positief correleerde met groei: een beetje inflatie was dus goed voor de economie. Dat beide verschijnselen nu tegelijkertijd de kop op staken, was daarom verbijsterend. Kamerlid Theo Joekes (VVD) sprak in oktober 1971 over een ‘economische schizofrenie die wij “stagflatie" hebben leren noemen.’4

Vanaf toen brak men zich in binnen- en buitenland het hoofd over de wijze waarop men dit probleem moest bestrijden. De ‘beste behandelingstactiek’ voor de ‘draak’ met ‘twee koppen’ was in 1974 nog altijd niet gevonden, stelde ARP-econoom Ad Schouten in de Kamer vast.5 Expansief beleid was de geijkte manier om de groei te stimuleren, maar joeg ook de inflatie verder op. Tegelijkertijd kon een restrictief beleid de inflatie dempen, maar dergelijk beleid liet ook de werkloosheid groeien. Bovendien debatteerde men fel over de voedingsbodem van de inflatie: lagen er binnenlandse oorzaken aan ten grondslag, zoals de gewraakte loon-prijsspiraal en oplopende begrotingstekorten, of was het hoofdzakelijk een internationaal verschijnsel, aangejaagd door wereldwijde prijsstijgingen, de oliecrisis, ruim monetair beleid en een explosieve groei van internationale kredietverstrekking?

Lang zocht de politiek naar de juiste balans tussen expansief en restrictief beleid om zowel werkloosheid als inflatie te bestrijden. Stagflatie vroeg om een Keynesiaanse en neoklassieke benadering, meende VVD-fractieleider Koos Rietkerk in januari 1978 nog.6 Na de tweede oliecrisis van 1979 sloeg het tij om: terwijl inflatiecijfers omhoogschoten kreeg een andere aanpak langzaam de wind in de zeilen. De strijd tegen inflatie moest prioriteit krijgen boven andere beleidsdoelstellingen als het stimuleren van groei en werkgelegenheid. Dat vroeg om krachtig ingrijpen. In Amerika haalde de centrale bank alles uit de kast: de rente werd tot ongekende hoogte opgedreven (de Volcker-shock van 1979 en 1981). Ook in Nederland kreeg deze strijd langzaam prioriteit, wat zich uitte in het harde gulden beleid van De Nederlandsche Bank en een roep om loonmatiging, sanering van overheidsfinanciën en hervorming van de verzorgingsstaat. De politieke strijd hierover werd in 1982 beslecht toen de PvdA uit het tweede kabinet-Van Agt stapte en het rompkabinet-Van Agt III een gigantische bezuinigingsoperatie optuigde. De contouren van het ‘no nonsense’-beleid van het kabinet-Lubbers werden daarmee zichtbaar. De gevolgen van dit krachtige anti-inflatiebeleid waren pijnlijk: de werkloosheid liep in de jaren tachtig wereldwijd hoog op, de wereldeconomie maakte een langdurige recessie door en de rentestijgingen (tot 20% in de VS) zorgden voor onbetaalbare schulden voor ontwikkelingslanden en een implosie van de woningmarkt in Nederland.

Ligt dit scenario ook nu in het verschiet? Het is natuurlijk allereerst de vraag hoe de economie zich verder zal ontwikkelen, maar het is ook van belang hoe beleidsmakers en parlementariërs de huidige problemen interpreteren. Daarbij moet rekening worden gehouden met enkele belangrijke verschillen tussen toen en nu. Allereerst liggen de lonen tegenwoordig een stuk lager dan in de jaren zeventig en is er (nog) geen sprake van een loon-prijsspiraal. Bovendien is de uitgangspositie van het bedrijfsleven goed en groeit de economie nog altijd, ondanks de coronacrisis en de oorlog in Oekraïne. Gelijkenissen met de jaren zeventig zijn er overigens ook: de inflatie is ontstaan na een lange periode van ruim monetair en budgettair beleid (opkoopbeleid van de ECB en de coronasteun) en is verder aangejaagd door een sterke stijging van energie- en voedselprijzen vanwege de oorlog in Oekraïne. Deze externe schok roept herinneringen op aan de oliecrisis van 1973 die leidde tot een olieprijsstijging van 300%.

Kijkend naar deze overeenkomsten en verschillen is het te hopen dat beleidsmakers zich realiseren dat de stagflatie vooral internationale oorzaken heeft. Het beleidsrecept uit de jaren zeventig, waarbij sterk werd ingezet op loonmatiging, bezuinigingen en hervorming van de sociale zekerheid, biedt geen houvast voor een aanpak anno 2022. De situatie is geheel anders dan toen. Bovendien moet de politiek waken voor paniekmaatregelen. Het moet niet ‘vanzelfsprekend’ worden dat de overheid elke tegenslag voor huishoudens en bedrijfsleven vergoedt, waarschuwt ook bankpresident Klaas Knot, daarbij wijzend op de jaren zeventig.7 Compensatie van hoge energieprijzen is alleen voor kwetsbare groepen in de maatschappij nodig. De politiek moet fundamentele problemen zoals de oververhitte woningmarkt niet uit het oog verliezen. De renteverhoging waarmee de Amerikaanse Fed al is begonnen en die de ECB heeft aangekondigd, lijkt daarentegen logisch na de jarenlange verruiming van de geldmarkt. Maar ook hier is een belangrijke les van de jaren zeventig op zijn plaats: de positie van ontwikkelingslanden is en blijft precair en vraagt om zorgvuldige coördinatie tussen het mondiale Noorden en Zuiden en een andere aanpak dan de Volcker-shock van 1979.

 

Jonne Harmsma is onderzoeker bij het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis. Hij promoveerde in 2018 aan de Rijksuniversiteit Groningen op een biografie van oud-premier Jelle Zijlstra. Bij het CPG doet hij vooral onderzoek naar financieel-economische onderwerpen en milieubeleid. Hij doceert ook aan de Radboud Universiteit.

 

[1] Marcel de Boer en Marijn Jongsma, ‘We hebben groei én inflatie telkens onderschat’, Het Financieele Dagblad, 17 maart 2022.

[2] Global Economic Prospects June 2022 (World Bank, Washington 2022), p. 51-67.

[3] HTK, 15 december 1970, p. 1825.

[4] HTK, 13 oktober 1971, p. 269.

[5] HTK, 9 oktober 1974, p. 377.

[6] HTK, 17 januari 1978, p. 377.

[7] DNB Jaarverslag 2021: Naar een nieuw evenwicht (De Nederlandsche Bank, Amsterdam 2022), p. 17.