Herzieningsprocedure Grondwet: het blijft tobben

vrijdag 2 december 2022, column van Prof.Dr. Bert van den Braak

De negentiende-eeuwse staatsrechtgeleerde J.Th. Buys betitelde de procedure voor grondwetsherziening al als 'eene anomalie'. Een kleine minderheid van de Eerste Kamer kan als laatste een herziening van de Grondwet tegenhouden. En dat nadat die herziening in tweede lezing in de rechtstreeks gekozen Tweede Kamer een tweederde meerderheid heeft behaald.

Weliswaar is in 1995 de verplichte ontbinding en herverkiezing van de Eerste Kamer als overbodige en zinloze stap afgeschaft, maar het principe dat de Eerste Kamerminderheid een herziening kan tegenhouden, is onveranderd gebleven.

Laat ik positief beginnen: het is goed dat - in navolging van het advies van de Staatscommissie parlementair stelsel - nu een voorstel voorligt om de rol van de Eerste Kamer iets kleiner te maken. In de Verenigde Vergadering telt de stem van de senatoren minder zwaar als zij tezamen met de Tweede Kamerleden stemmen.

Hansko Broeksteeg acht, zo schreef in een column voor de MI-website, die (nieuwe) rol van de Verenigde Vergadering niet passend in ons tweekamerstelsel, omdat beide Kamers hun eigen rol moeten vervullen.

Hij gaat echter aan twee zaken voorbij. De tweede lezing vindt plaats nadat de kiezers hebben gesproken (Ja, ik weet: dat is fictie. Maar toch). Je kunt inderdaad de vraag stellen of Eerste Kamerleden überhaupt wel een rol moeten spelen bij die tweede lezing.

De kiezers spreken en op grond daarvan komt er een Tweede Kamer die met tweederde meerderheid uitspreekt dat de Grondwet zal worden gewijzigd. Waarom zou je dan nog lieden, die in geen enkel verband met die verkiezingen staan nog een rol geven en dan ook nota bene nog met de mogelijkheid dat 26 van de 75 leden die herziening kunnen tegenhouden.

Over de rol die de Verenigde Vergadering gaat spelen als de voorgestelde herziening wordt aanvaard, kun je zeggen: dat is afwijkend. Maar dat geldt natuurlijk sowieso voor de herzieningsprocedure. Waarom zou die afwijkende procedure niet nog een afwijking mogen bevatten, naast de verzwaarde meerderheid en het feit dat de tweede lezing pas na verkiezingen plaatsvindt?

Broeksteeg heeft op zich een punt, dat weinig wordt gedaan aan het feit dat de Eerste Kamer te grote invloed heeft op een grondwetsherziening. Er is veel voor te zeggen bij de tweede lezing te volstaan met een tweederde meerderheid in de Tweede Kamer. Die is immers door de kiezers vanwege de voorliggende grondwetsherziening gekozen en als zodanig de grondwetgevende vergadering.

Ik geef toe dat het probleem blijft dat kiezers zich niet echt over wenselijkheid van een (betwiste) herziening kunnen uitspreken. Voor hoe dat beter kan, verwijs ik naar wat ik daar eerder over schreef.