Titel III: "De bevoegdheden en het optreden van de Unie"

Inhoudsopgave van deze pagina:

8.

Bevoegdheden van de Unie

  • 1. 
    De afbakening en de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie worden beheerst door de beginselen van bevoegdheidstoewijzing, subsidiariteit, evenredigheid en loyale samenwerking.
  • 2. 
    Volgens het beginsel van bevoegdheidstoewijzing handelt de Unie binnen de grenzen van de bevoegdheden die de Grondwet haar heeft toegewezen om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die de Grondwet niet aan de Unie heeft toegewezen, behoren toe aan de lidstaten.
  • 3. 
    Volgens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Gemeenschap, op gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt.
  • 4. 
    Volgens het evenredigheidsbeginsel reiken de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder dan hetgeen noodzakelijk is om de doelstellingen van de Grondwet te verwezenlijken.
  • 5. 
    Volgens het beginsel van loyale samenwerking laten de Unie en de lidstaten wederzijds elkaars bevoegdheden onverlet en steunen zij elkaar wederzijds bij de vervulling van de taken die uit de Grondwet voortvloeien.

2.

Toelichting

Definitie en toepassing van de grondbeginselen (artikelen 8 en 9)

  • Artikel 8 bevat een opsomming en een duidelijke en expliciete definitie van de grondbeginselen voor de afbakening en de uitoefening van de bevoegdheden.
  • Artikel 9 bevat een aantal voorschriften voor de toepassing van deze beginselen. De opneming van een verwijzing naar de rol van de nationale parlementen heeft ten doel het belang van deze instellingen voor de controle op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel te onderstrepen, conform de conclusies van de door de heer Méndez de Vigo voorgezeten werkgroep. De conclusies van het Praesidium in het licht van het debat in de plenaire zitting over de aanbevelingen van de werkgroep zullen worden verwerkt in het Protocol betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel.
  • Het thans reeds bestaande beginsel dat de lidstaten uitvoering geven aan het recht van de Unie wordt ook in dat artikel weergegeven.
  • In lid 6, betreffende de eerbiediging van de nationale identiteit door de Unie, wordt een beginsel dat in artikel 1 van de Grondwet staat, verder uitgewerkt.

9.

Toepassing van de grondbeginselen

  • 1. 
    De Grondwet en het recht dat de instellingen van de Unie krachtens de hun bij de Grondwet toegewezen bevoegdheden aannemen, hebben de voorrang boven het recht van de lidstaten.
  • 2. 
    Bij de uitoefening van de niet-exclusieve bevoegdheden van de Unie passen de instellingen het subsidiariteitsbeginsel toe, in overeenstemming met het aan de Grondwet gehechte Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. Overeenkomstig de in het Protocol vastgelegde procedure zien de nationale parlementen van de lidstaten toe op de eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel.
  • 3. 
    Bij de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie passen de lidstaten het evenredigheidsbeginsel toe, in overeenstemming met het genoemde Protocol.
  • 4. 
    De lidstaten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit de Grondwet of uit handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.
  • 5. 
    Overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking vergemakkelijken de lidstaten de vervulling van haar taak door de Unie en onthouden zij zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van de Grondwet in gevaar kunnen brengen. De Unie handelt in een geest van loyaliteit jegens de lidstaten.
  • 6. 
    De Unie eerbiedigt de nationale identiteit van haar lidstaten die verbonden is met hun basisstructuur en met de essentiële functies van een staat, in het bijzonder zijn politieke en grondwettelijke structuur, met inbegrip van de staatsinrichting op nationaal, regionaal en lokaal niveau.

Voetnoot bij lid 2:

Binnenkort wordt een nieuwe versie van het Protocol verspreid.

4.

Toelichting

Definitie en toepassing van de grondbeginselen (artikelen 8 en 9)

  • Artikel 8 bevat een opsomming en een duidelijke en expliciete definitie van de grondbeginselen voor de afbakening en de uitoefening van de bevoegdheden.
  • Artikel 9 bevat een aantal voorschriften voor de toepassing van deze beginselen. De opneming van een verwijzing naar de rol van de nationale parlementen heeft ten doel het belang van deze instellingen voor de controle op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel te onderstrepen, conform de conclusies van de door de heer Méndez de Vigo voorgezeten werkgroep. De conclusies van het Praesidium in het licht van het debat in de plenaire zitting over de aanbevelingen van de werkgroep zullen worden verwerkt in het Protocol betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel.
  • Het thans reeds bestaande beginsel dat de lidstaten uitvoering geven aan het recht van de Unie wordt ook in dat artikel weergegeven.
  • In lid 6, betreffende de eerbiediging van de nationale identiteit door de Unie, wordt een beginsel dat in artikel 1 van de Grondwet staat, verder uitgewerkt.

10.

Categorieën van bevoegdheden

  • 1. 
    Wanneer de Grondwet op een bepaald gebied een exclusieve bevoegdheid aan de Unie toewijst, kan alleen de Unie wetgevend optreden en juridisch bindende besluiten aannemen, en kunnen de lidstaten zulks alleen zelf doen indien zij daartoe door de Unie gemachtigd zijn.
  • 2. 
    Wanneer de Grondwet op een bepaald gebied een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid aan de Unie toewijst, zijn de Unie en de lidstaten bevoegd op dat gebied wetgevend op te treden en juridisch bindende besluiten aan te nemen. De lidstaten oefenen hun bevoegdheid slechts uit indien en voorzover de Unie haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend.
  • 3. 
    De Unie is bevoegd om het economisch beleid van de lidstaten te coördineren.
  • 4. 
    De Unie is bevoegd om een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te bepalen en te voeren, en meer bepaald geleidelijk een gemeenschappelijk defensiebeleid vast te stellen.
  • 5. 
    Op een aantal gebieden en onder de in de Grondwet gestelde voorwaarden is de Unie bevoegd om het optreden van de lidstaten te coördineren, aan te vullen of te ondersteunen, zonder dat zij daarbij evenwel het bevoegdheidsgebied van de lidstaten betreedt.
  • 6. 
    De Unie oefent haar bevoegdheden tot uitvoering van het in deel II van de Grondwet omschreven beleid uit overeenkomstig de bijzondere bepalingen die daarin voor elk gebied zijn vastgelegd.

6.

Toelichting

  • Dit artikel bevat een opsomming en beschrijving van verschillende categorieën van bevoegdheden van de Unie, waarbij voor elke categorie gepreciseerd wordt welke gevolgen de uitoefening van deze bevoegdheden door de Unie heeft voor de bevoegdheden van de lidstaten.
  • Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten worden in afzonderlijke leden behandeld om rekening te houden met het specifieke karakter van de bevoegdheden van de Unie op deze gebieden.

11.

Exclusieve bevoegdheden

  • 1. 
    De Unie is exclusief bevoegd om op de interne markt het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal te verzekeren en de regels betreffende de mededinging vast te stellen, en voorts op de volgende gebieden:
    • de douane-unie,
    • het gemeenschappelijk handelsbeleid,
    • het monetair beleid voor de lidstaten waar de euro is ingevoerd,
    • de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid.
  • 2. 
    De Unie is exclusief bevoegd om een internationale overeenkomst te sluiten, wanneer daarin bij een wetgevingsbesluit van de Unie is voorzien, wanneer zulks noodzakelijk is om de Unie in staat te stellen haar interne bevoegdheid uit te oefenen, of wanneer zulks van invloed is op een intern besluit van de Unie.

8.

Toelichting

  • De in lid 1 gegeven opsomming van de gebieden van de Grondwet die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen gaat verder dan de huidige situatie, want zij bestrijkt de gehele gemeenschappelijke handelspolitiek. Dat weerspiegelt de conclusie van de werkgroep van de heer Dehaene, namelijk dat artikel 133, lid 6, van het Verdrag van Nice moet worden geschrapt.
  • Lid 2 van dat artikel weerspiegelt de jurisprudentie van het Hof van Justitie betreffende de exclusieve bevoegdheid van de Unie om internationale overeenkomsten te sluiten.

12.

Gedeelde bevoegdheden

  • 1. 
    De Unie is tezamen met de lidstaten bevoegd wanneer de Grondwet haar een bevoegdheid toewijst die buiten de in de artikelen 11 en 15 vermelde gebieden valt.
  • 2. 
    De gedeelde bevoegdheden van de Unie zijn afgebakend volgens de bepalingen van deel II.
  • 3. 
    Wanneer de Unie op een gebied van gedeelde bevoegdheid haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend of niet langer uitoefent, kunnen de lidstaten hun bevoegdheid uitoefenen.
  • 4. 
    De gedeelde bevoegdheden van de Unie en de lidstaten gelden de volgende hoofdgebieden:
    • interne markt,
    • ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid,
    • landbouw en visserij,
    • vervoer,
    • transeuropese netwerken,
    • energie,
    • sociale politiek,
    • economische en sociale samenhang,
    • milieu,
    • volksgezondheid,
    • consumentenbescherming.
  • 5. 
    Op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en ruimte-onderzoek is de Unie bevoegd om acties te ondernemen, met name programma's uit te voeren, zonder dat door de uitoefening van die bevoegdheid de lidstaten het recht kan worden ontzegd hun eigen bevoegdheid uit te oefenen.
  • 6. 
    Op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp is de Unie bevoegd om acties te ondernemen en een gemeenschappelijk beleid te voeren, zonder dat door de uitoefening van die bevoegdheid de lidstaten het recht kan worden ontzegd hun eigen bevoegdheid uit te oefenen.

10.

Toelichting

  • De gebieden die onder de gedeelde bevoegdheden vallen zijn die welke niet onder de exclusieve bevoegdheden, noch onder de gebieden voor ondersteunend optreden vallen. De verwijzing in lid 2 naar deel II van de Grondwet heeft tot doel naar de specifieke bepalingen van dat deel te verwijzen om de omvang en het gewicht van de bevoegdheid van de Unie op elk van deze gebieden te bepalen.
  • De toevoeging van "energie" aan de lijst van de gedeelde bevoegdheden vereist dat in deel II van de Grondwet voor dit gebied een specifieke rechtsgrondslag wordt gecreëerd, aangezien deze rechtsgrondslag in de bestaande verdragen niet voorhanden is (tot dusver werden de besluiten op dit terrein aangenomen op basis van artikel 308).
  • De gebieden ontwikkelingssamenwerking en onderzoek en technologische ontwikkeling (waaraan ruimteonderzoek werd toegevoegd) staan in afzonderlijke leden om te verduidelijken dat de lidstaten hun bevoegdheden op deze gebieden behouden, zelfs als de Unie haar bevoegdheid volledig uitoefent. Ondanks het belang en de omvang van de programma's van de Unie ter ondersteuning van ontwikkeling en onderzoek wordt in de Grondwet niet overwogen de nationale programma's af te schaffen.

13.

Coördinatie van het economisch beleid

  • 1. 
    De Unie coördineert het economische beleid van de lidstaten, met name door de globale richtsnoeren voor dat beleid vast te stellen.
  • 2. 
    De lidstaten voeren hun economisch beleid, met inachtneming van het gemeenschappelijk belang, om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie.
  • 3. 
    Voor de lidstaten waar de euro is ingevoerd, gelden bijzondere bepalingen.

12.

Toelichting

Terwijl het monetaire beleid, voor de lidstaten die op de euro zijn omgeschakeld, tot de exclusieve bevoegdheid van de Unie behoort, blijven de lidstaten, overeenkomstig de conclusies van de werkgroep voorgezeten door de heer Haensch, bevoegd voor het economisch beleid. Op dat gebied is de Unie bevoegd om de verschillende nationale beleidsvormen te coördineren. Gelet op het belang van deze coördinatie heeft het Praesidium geoordeeld dat zij een afzonderlijk artikel verdient.

14.

Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie wordt door de lidstaten actief en zonder voorbehoud gesteund, in een geest van loyaliteit en onderlinge solidariteit. Zij onthouden zich van elk optreden dat strijdig is met de belangen van de Unie of dat haar doeltreffendheid kan schaden.

14.

Toelichting

Met dit artikel wordt beoogd de specifieke verplichtingen van de lidstaten in de uitoefening van hun bevoegdheden op dat gebied te verduidelijken.

15.

Gebieden van ondersteunend optreden

  • 1. 
    De Unie kan coördinerend, aanvullend of ondersteunend optreden. Deze bevoegdheid is afgebakend volgens de bepalingen van deel II.
  • 2. 
    De gebieden voor ondersteunend optreden zijn:
    • werkgelegenheid,
    • industrie,
    • onderwijs, beroepsopleiding en jongeren,
    • cultuur,
    • sport,
    • bescherming tegen rampen.
  • 3. 
    De lidstaten coördineren in de Unie hun nationale werkgelegenheidsbeleid.
  • 4. 
    De door de Unie op grond van de bijzondere bepalingen betreffende deze gebieden in deel II aangenomen juridisch bindende besluiten kunnen geen harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inhouden.

16.

Toelichting

  • Net zoals het geval was met de gedeelde bevoegdheden, wordt met de verwijzing naar Deel II beoogd te verduidelijken dat de omvang en het gewicht van de bevoegdheid van de Unie op elk van deze gebieden bepaald worden door de specifieke bepalingen van dit Deel en ervoor te zorgen dat niets wordt gewijzigd ten opzichte van de huidige situatie behalve de punten die de Conventie uitdrukkelijk gewijzigd zou willen zien.
  • Met de toevoeging van "sport" en "bescherming tegen rampen" aan de lijst van de gebieden voor ondersteunend optreden wordt gevolg gegeven aan de conclusies van de werkgroep van de heer Christophersen; deze toevoeging vereist dat in Deel II van de Grondwet in een specifieke rechtsgrondslag voor deze gebieden moet worden voorzien, aangezien deze rechtsgrondslag niet voorhanden is in de bestaande verdragen (tot dusverre worden de besluiten op het gebied van de civiele bescherming aangenomen op basis van artikel 308).

16.

Flexibiliteit

  • 1. 
    Indien een optreden van de Unie noodzakelijk is om, op de in deel II omschreven beleidsgebieden, één van de in deze Grondwet bepaalde doelstellingen te verwezenlijken zonder dat de Grondwet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, neemt de Raad, op voorstel van de Commissie en met instemming van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen de passende maatregelen.
  • 2. 
    In het kader van de in artikel 9 bedoelde procedure voor toetsing aan het subsidiariteitsbeginsel vestigt de Commissie de aandacht van de nationale parlementen van de lidstaten op de voorstellen die op het onderhavige artikel berusten.
  • 3. 
    De op grond van het onderhavige artikel aangenomen bepalingen kunnen geen harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inhouden in gevallen waarin de Grondwet een dergelijke harmonisatie uitsluit.

18.

Toelichting

  • Gezien de wens van de Conventie dat de uitvoering van deze bepaling de grenzen van de door de Grondwet aan de Unie toegewezen bevoegdheden moet eerbiedigen, wordt in lid 1 gepreciseerd dat deze bepaling slechts kan worden aangewend "op de in Deel II omschreven beleidsgebieden".
  • Voorgesteld wordt de procedure van instemming van het Europees Parlement te gebruiken (In afwijking van de conclusies van de groep van de heer Amato, die heeft besloten dat voor de aanneming van wetgevingsbesluiten de medebeslissing de algemene regel moet worden en dat de instemming alleen vereist is voor de sluiting van internationale overeenkomsten), alsook de eenparigheid van stemmen voor de besluitvorming in de Raad. Het vraagstuk van de gekwalificeerde meerderheid zou kunnen worden besproken tijdens het algemene debat dat de Conventie daarover zal houden. Deze procedure wordt voorgesteld om het beroep op deze bepaling in te perken, maar terzelfder tijd de procedure sneller te laten verlopen wanneer er toch een beroep op wordt gedaan.
  • Met lid 2 is bedoeld om gevolg te geven aan de voorstellen van de groep van de heer Méndez de Vigo.
  • Met lid 3 wordt beoogd in de Grondwet een beperking van het toepassingsgebied van de flexibiliteitsclausule op te nemen die de huidige jurisprudentie van het Hof van Justitie weerspiegelt.

  • Artikel 8: Bevoegdheden van de Unie

    • 1. 
      De afbakening en de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie worden beheerst door de beginselen van bevoegdheidstoewijzing, subsidiariteit, evenredigheid en loyale samenwerking.
    • 2. 
      Volgens het beginsel van bevoegdheidstoewijzing handelt de Unie binnen de grenzen van de bevoegdheden die de Grondwet haar heeft toegewezen om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die de Grondwet niet aan de Unie heeft toegewezen, behoren toe aan de lidstaten.
    • 3. 
      Volgens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Gemeenschap, op gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt.
    • 4. 
      Volgens het evenredigheidsbeginsel reiken de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder dan hetgeen noodzakelijk is om de doelstellingen van de Grondwet te verwezenlijken.
    • 5. 
      Volgens het beginsel van loyale samenwerking laten de Unie en de lidstaten wederzijds elkaars bevoegdheden onverlet en steunen zij elkaar wederzijds bij de vervulling van de taken die uit de Grondwet voortvloeien.
  • Artikel 9: Toepassing van de grondbeginselen

    • 1. 
      De Grondwet en het recht dat de instellingen van de Unie krachtens de hun bij de Grondwet toegewezen bevoegdheden aannemen, hebben de voorrang boven het recht van de lidstaten.
    • 2. 
      Bij de uitoefening van de niet-exclusieve bevoegdheden van de Unie passen de instellingen het subsidiariteitsbeginsel toe, in overeenstemming met het aan de Grondwet gehechte Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. Overeenkomstig de in het Protocol vastgelegde procedure zien de nationale parlementen van de lidstaten toe op de eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel.
    • 3. 
      Bij de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie passen de lidstaten het evenredigheidsbeginsel toe, in overeenstemming met het genoemde Protocol.
    • 4. 
      De lidstaten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit de Grondwet of uit handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.
    • 5. 
      Overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking vergemakkelijken de lidstaten de vervulling van haar taak door de Unie en onthouden zij zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van de Grondwet in gevaar kunnen brengen. De Unie handelt in een geest van loyaliteit jegens de lidstaten.
    • 6. 
      De Unie eerbiedigt de nationale identiteit van haar lidstaten die verbonden is met hun basisstructuur en met de essentiële functies van een staat, in het bijzonder zijn politieke en grondwettelijke structuur, met inbegrip van de staatsinrichting op nationaal, regionaal en lokaal niveau.

    Voetnoot bij lid 2:

    Binnenkort wordt een nieuwe versie van het Protocol verspreid.

  • Artikel 10: Categorieën van bevoegdheden

    • 1. 
      Wanneer de Grondwet op een bepaald gebied een exclusieve bevoegdheid aan de Unie toewijst, kan alleen de Unie wetgevend optreden en juridisch bindende besluiten aannemen, en kunnen de lidstaten zulks alleen zelf doen indien zij daartoe door de Unie gemachtigd zijn.
    • 2. 
      Wanneer de Grondwet op een bepaald gebied een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid aan de Unie toewijst, zijn de Unie en de lidstaten bevoegd op dat gebied wetgevend op te treden en juridisch bindende besluiten aan te nemen. De lidstaten oefenen hun bevoegdheid slechts uit indien en voorzover de Unie haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend.
    • 3. 
      De Unie is bevoegd om het economisch beleid van de lidstaten te coördineren.
    • 4. 
      De Unie is bevoegd om een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te bepalen en te voeren, en meer bepaald geleidelijk een gemeenschappelijk defensiebeleid vast te stellen.
    • 5. 
      Op een aantal gebieden en onder de in de Grondwet gestelde voorwaarden is de Unie bevoegd om het optreden van de lidstaten te coördineren, aan te vullen of te ondersteunen, zonder dat zij daarbij evenwel het bevoegdheidsgebied van de lidstaten betreedt.
    • 6. 
      De Unie oefent haar bevoegdheden tot uitvoering van het in deel II van de Grondwet omschreven beleid uit overeenkomstig de bijzondere bepalingen die daarin voor elk gebied zijn vastgelegd.
  • Artikel 11: Exclusieve bevoegdheden

    • 1. 
      De Unie is exclusief bevoegd om op de interne markt het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal te verzekeren en de regels betreffende de mededinging vast te stellen, en voorts op de volgende gebieden:
      • de douane-unie,
      • het gemeenschappelijk handelsbeleid,
      • het monetair beleid voor de lidstaten waar de euro is ingevoerd,
      • de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid.
    • 2. 
      De Unie is exclusief bevoegd om een internationale overeenkomst te sluiten, wanneer daarin bij een wetgevingsbesluit van de Unie is voorzien, wanneer zulks noodzakelijk is om de Unie in staat te stellen haar interne bevoegdheid uit te oefenen, of wanneer zulks van invloed is op een intern besluit van de Unie.
  • Artikel 12: Gedeelde bevoegdheden

    • 1. 
      De Unie is tezamen met de lidstaten bevoegd wanneer de Grondwet haar een bevoegdheid toewijst die buiten de in de artikelen 11 en 15 vermelde gebieden valt.
    • 2. 
      De gedeelde bevoegdheden van de Unie zijn afgebakend volgens de bepalingen van deel II.
    • 3. 
      Wanneer de Unie op een gebied van gedeelde bevoegdheid haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend of niet langer uitoefent, kunnen de lidstaten hun bevoegdheid uitoefenen.
    • 4. 
      De gedeelde bevoegdheden van de Unie en de lidstaten gelden de volgende hoofdgebieden:
      • interne markt,
      • ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid,
      • landbouw en visserij,
      • vervoer,
      • transeuropese netwerken,
      • energie,
      • sociale politiek,
      • economische en sociale samenhang,
      • milieu,
      • volksgezondheid,
      • consumentenbescherming.
    • 5. 
      Op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en ruimte-onderzoek is de Unie bevoegd om acties te ondernemen, met name programma's uit te voeren, zonder dat door de uitoefening van die bevoegdheid de lidstaten het recht kan worden ontzegd hun eigen bevoegdheid uit te oefenen.
    • 6. 
      Op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp is de Unie bevoegd om acties te ondernemen en een gemeenschappelijk beleid te voeren, zonder dat door de uitoefening van die bevoegdheid de lidstaten het recht kan worden ontzegd hun eigen bevoegdheid uit te oefenen.
  • Artikel 13: Coördinatie van het economische beleid

    • 1. 
      De Unie coördineert het economische beleid van de lidstaten, met name door de globale richtsnoeren voor dat beleid vast te stellen.
    • 2. 
      De lidstaten voeren hun economisch beleid, met inachtneming van het gemeenschappelijk belang, om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie.
    • 3. 
      Voor de lidstaten waar de euro is ingevoerd, gelden bijzondere bepalingen.
  • Artikel 14: Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

    Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie wordt door de lidstaten actief en zonder voorbehoud gesteund, in een geest van loyaliteit en onderlinge solidariteit. Zij onthouden zich van elk optreden dat strijdig is met de belangen van de Unie of dat haar doeltreffendheid kan schaden.

  • Artikel 15: Gebieden van ondersteunend optreden

    • 1. 
      De Unie kan coördinerend, aanvullend of ondersteunend optreden. Deze bevoegdheid is afgebakend volgens de bepalingen van deel II.
    • 2. 
      De gebieden voor ondersteunend optreden zijn:
      • werkgelegenheid,
      • industrie,
      • onderwijs, beroepsopleiding en jongeren,
      • cultuur,
      • sport,
      • bescherming tegen rampen.
    • 3. 
      De lidstaten coördineren in de Unie hun nationale werkgelegenheidsbeleid.
    • 4. 
      De door de Unie op grond van de bijzondere bepalingen betreffende deze gebieden in deel II aangenomen juridisch bindende besluiten kunnen geen harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inhouden.
  • Artikel 16: Flexibiliteit

    • 1. 
      Indien een optreden van de Unie noodzakelijk is om, op de in deel II omschreven beleidsgebieden, één van de in deze Grondwet bepaalde doelstellingen te verwezenlijken zonder dat de Grondwet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, neemt de Raad, op voorstel van de Commissie en met instemming van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen de passende maatregelen.
    • 2. 
      In het kader van de in artikel 9 bedoelde procedure voor toetsing aan het subsidiariteitsbeginsel vestigt de Commissie de aandacht van de nationale parlementen van de lidstaten op de voorstellen die op het onderhavige artikel berusten.
    • 3. 
      De op grond van het onderhavige artikel aangenomen bepalingen kunnen geen harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inhouden in gevallen waarin de Grondwet een dergelijke harmonisatie uitsluit.

19.

Toelichting

Voor de leden van de Conventie gaan hierbij in bijlage 1 het ontwerp van het Praesidium voor de artikelen 1 tot en met 16 (titels I, II en II) en in bijlage 2 een toelichting. De artikelen beantwoorden in grote trekken aan de beschrijving in het document met de ontwerpstructuur van het Constitutionele Verdrag (CONV 369/02). De nummering is enigszins aangepast, om rekening te houden met de besprekingen in de Conventie. De verslagen van de Werkgroepen rechtspersoonlijkheid, Handvest, economisch bestuur, aanvullende bevoegdheden, subsidiariteit en extern optreden, alsook de strekking die zich tijdens het plenaire debat over hun aanbevelingen bleek af te tekenen, zijn in het ontwerp verwerkt.