Afdeling 2 - Sociaal beleid

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Onderverdeling

2.

III-98 Grondslagen

De Unie en de lidstaten stellen zich, indachtig sociale grondrechten zoals vastgelegd in het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekend Europees Sociaal Handvest en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, ten doel de bevordering van de werkgelegenheid, de gestage verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden, zodat de onderlinge aanpassing daarvan op de weg van de vooruitgang wordt mogelijk gemaakt, alsmede een adequate sociale bescherming, de sociale dialoog, de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting.

Te dien einde houden de Unie en de lidstaten in hun handelen rekening met de verscheidenheid van de nationale gebruiken, met name op het gebied van contractuele betrekkingen, alsmede met de noodzaak het concurrentievermogen van de economie van de Unie te handhaven.

Zij zijn van mening dat een dergelijke ontwikkeling zal voortvloeien, zowel uit de werking van de interne markt waardoor de harmonisatie der sociale stelsels zal worden bevorderd, als uit de in de Grondwet bepaalde procedures en het nader tot elkaar brengen van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

3.

III-99 Doelstellingen sociaal beleid

  • 1. 
    Ter verwezenlijking van de doelstellingen van [voorheen artikel 136] wordt het optreden van de lidstaten op de volgende gebieden door de Unie ondersteund en aangevuld:
    • a) 
      de verbetering van met name het arbeidsmilieu, om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen;
    • b) 
      de arbeidsvoorwaarden;
    • c) 
      de sociale zekerheid en de sociale bescherming van de werknemers;
    • d) 
      de bescherming van de werknemers bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst;
    • e) 
      de informatie en de raadpleging van de werknemers;
    • f) 
      de vertegenwoordiging en collectieve verdediging van de belangen van werknemers en werkgevers, met inbegrip van de medezeggenschap, onder voorbehoud van lid 5;
    • g) 
      de werkgelegenheidsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen die op wettige wijze op het grondgebied van de Unie verblijven;
    • h) 
      de integratie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, onverminderd [ex artikel 150];
    • i) 
      de gelijkheid van mannen en vrouwen wat hun kansen op de arbeidsmarkt en de behandeling

4.

III-100 Taken Commissie

  • 1. 
    De Commissie heeft tot taak de raadpleging van de sociale partners op het niveau van de Unie te bevorderen en stelt alle maatregelen vast die nuttig kunnen zijn om de dialoog tussen de partners te vergemakkelijken door middel van een evenwichtige ondersteuning van de partijen.
  • 2. 
    Daartoe raadpleegt de Commissie, alvorens voorstellen op het gebied van de sociale politiek in te dienen, de sociale partners over de mogelijke richting van een optreden van de Unie.
  • 3. 
    Indien de Commissie na deze raadpleging van mening is dat een optreden van de Unie wenselijk is, raadpleegt zij de sociale partners over de inhoud van het overwogen voorstel. De sociale partners doen de Commissie een advies of, in voorkomend geval, een aanbeveling toekomen.
  • 4. 
    Ter gelegenheid van deze raadpleging kunnen de sociale partners de Commissie in kennis stellen van hun wens het in [ex artikel 139] bedoelde proces in te leiden. De procedure neemt maximaal negen maanden in beslag, tenzij de betrokken sociale partners en de Commissie gezamenlijk besluiten tot verlenging.

5.

III-101 Bepalingen inzake sociale partners

  • 1. 
    De dialoog tussen de sociale partne rs op het niveau van de Unie kan, indien de sociale partners zulks wensen, leiden tot contractuele betrekkingen, met inbegrip van overeenkomsten.
  • 2. 
    De uitvoering van de op het niveau van de Unie gesloten overeenkomsten geschiedt hetzij volgens de procedures en gebruiken die eigen zijn aan de sociale partners en aan de lidstaten, hetzij, voor zaken die onder [ex artikel 137] vallen, op gezamenlijk verzoek van de ondertekenende partijen, door een Europese verordening of een Europees besluit, vastgesteld door de Raad op voorstel van de Commissie.

    Wanneer de betrokken overeenkomst één of meer bepalingen bevat die betrekking hebben op één van de in ex artikel 137, lid 1, onder c), genoemde gebieden, besluit de Raad met eenparigheid van stemmen.

6.

III-102 Gebieden waarop Commissie samenwerking bevordert

Ter verwezenlijking van de doelstellingen van [ex artikel 136] en onverminderd de andere bepalingen van de Grondwet, bevordert de Commissie de samenwerking tussen de lidstaten en vergemakkelijkt zij de coördinatie van hun optreden op alle onder [deze afdeling] vallende gebieden van de sociale politiek, met name op het terrein van:

  • a) 
    de werkgelegenheid,
  • b) 
    het arbeidsrecht en de arbeidsvoorwaarden,
  • c) 
    de beroepsopleiding en de voortgezette vorming,
  • d) 
    de sociale zekerheid,
  • e) 
    de voorkoming van arbeidsongevallen en beroepsziekten,
  • f) 
    de arbeidshygiëne,
  • g) 
    het recht zich te organiseren in vakverenigingen en van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers.

Te dien einde werkt de Commissie nauw samen met de lidstaten bij het verrichten van studies, het uitbrengen van adviezen en het organiseren van overleg zowel omtrent vraagstukken op nationaal niveau als omtrent vraagstukken die de internationale organisaties aangaan.

Alvorens de in dit artikel bedoelde adviezen uit te brengen, raadpleegt de Commissie het Economisch en Sociaal Comité.

7.

III-103 Beginsel van gelijke beloning voor man en vrouw

  • 1. 
    Iedere lidstaat draagt er zorg voor dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid wordt toegepast.
  • 2. 
    Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt.

    Gelijke beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in:

    • a) 
      dat de beloning voor gelijke arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis van eenzelfde maatstaf;
    • b) 
      dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor een zelfde functie.
  • 3. 
    Bij Europese wet of kaderwet worden maatregelen vastgesteld om de toepassing te waarborgen van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in werkgelegenheid en beroep, met inbegrip van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid. Zij wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.
  • 4. 
    Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om volledige gelijkheid van mannen en vrouwen in het beroepsleven in de praktijk te verzekeren, maatregelen handhaaft of aanneemt waarbij specifieke voordelen worden ingesteld om de uitoefening van een beroepsactiviteit door het ondervertegenwoordigde geslacht te vergemakkelijken of om nadelen in de beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren.

8.

III-104 Betaalde vakantie

De lidstaten streven ernaar de bestaande gelijkwaardigheid van de bepalingen omtrent betaalde vakantie te handhaven.

9.

III-105 Verslaglegging door Commissie

De Commissie stelt ieder jaar een verslag op over de stand van de verwezenlijking van de doelstellingen van [artikel 136], met inbegrip van de demografische situatie in de Unie. Zij zendt dit verslag toe aan het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité.

10.

III-106 Comité voor sociale bescherming

De Raad stelt op eigen initiatief met gewone meerderheid een comité voor sociale bescherming met een adviestaak in teneinde de samenwerking tussen de lidstaten onderling en met de Commissie op het gebied van de sociale bescherming te bevorderen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

Het comité heeft tot taak:

  • a) 
    toe te zien op de sociale situatie en de ontwikkeling van het beleid inzake sociale bescherming in de lidstaten en de Unie;
  • b) 
    de uitwisseling van informatie, ervaringen en goede praktijken tussen de lidstaten onderling en met de Commissie te vergemakkelijken;
  • c) 
    onverminderd [ex artikel 207], verslagen op te stellen, adviezen uit te brengen of andere activiteiten te ontplooien op gebieden die onder zijn bevoegdheid vallen, hetzij op verzoek van de Raad of de Commissie, hetzij op eigen initiatief.

Voor de vervulling van zijn opdracht legt het comité de nodige contacten met de sociale partners.

Iedere lidstaat en de Commissie benoemen twee leden van het comité.

11.

III-107 Hoofdstuk in jaarverslag Commissie

In haar jaarverslag aan het Europees Parlement wijdt de Commissie een afzonderlijk hoofdstuk aan de ontwikkeling van de sociale toestand in de Unie.

Het Europees Parlement kan de Commissie verzoeken verslagen op te stellen over bijzondere vraagstukken inzake de sociale toestand.