Afdeling 1 - Het gemeenschappelijk buitenlands beleid

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

III-190 Uitgangspunten

  • 1. 
    In het kader van de beginselen en doelstellingen van zijn externe optreden, zoals vermeld in artikel 1 va n deze titel, bepaalt en voert de Unie een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat alle terreinen van het buitenlands en veiligheidsbeleid bestrijkt.
  • 2. 
    De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie.

    De lidstaten werken samen om hun wederzijdse politieke solidariteit te versterken en tot ontwikkeling te brengen. Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen doen aan haar doeltreffendheid als bundelende kracht in de internationale betrekkingen.

    De Raad en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie zien toe op de inachtneming van deze beginselen.

  • 3. 
    De Unie voert het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid uit door:
    • a) 
      de algemene richtsnoeren vast te stellen,
    • b) 
      besluiten aan te nemen met betrekking tot:
      • i) 
        het optreden van de Unie,
      • ii) 
        standpunten van de Unie,
      • iii) 
        de uitvoering van het optreden en de standpunten,
    • c) 
      de systematische samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de beleidsvoering te versterken.

2.

III-191 Rol Europese Raad

De Europese Raad stelt de beginselen van en de algemene richtsnoeren voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vast, onder meer voor aangelegenheden met gevolgen op defensiegebied.

Indien een internationale ontwikkeling dit vereist, roept de voorzitter van de Europese Raad een buitengewone bijeenkomst va n de Europese Raad bijeen, teneinde de strategische beleidslijnen van de Unie ten aanzien van deze ontwikkeling vast te stellen.

De Raad neemt de nodige besluiten voor het bepalen en uitvoeren van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid op de grondslag van de door de Europese Raad vastgestelde algemene richtsnoeren en strategische beleidslijnen.

3.

III-192 De minister van Buitenlandse Zaken

  • 1. 
    De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, die de Raad Buitenlandse Zaken voorzit, draagt door middel van zijn voorstellen bij tot de voorbereiding van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en is verantwoordelijk voor de uitvoering van de besluiten van de Europese Raad en de Raad.
  • 2. 
    Voor aangelegenheden die onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vallen, wordt de Unie vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken, die namens de Unie de politieke dialoog voert en in internationale organisaties en op internationale conferenties het standpunt van de Unie verwoordt.

4.

III-193 De Raad

  • 1. 
    Wanneer een internationale situatie een operationeel optreden van de Unie vereist, neemt de Raad de noodzakelijke besluiten. In die besluiten worden de doelstellingen, de draagwijdte, de middelen welke de Unie ter beschikking dienen te worden gesteld, en de voorwaarden voor de uitvoering van het optreden omschreven, alsmede, zo nodig, de duur ervan.
  • 2. 
    Indien zich een verandering van omstandigheden voordoet met een duidelijke invloed op een vraagstuk dat het voorwerp is van een dergelijk besluit, beziet de Raad de beginselen en de doelstellingen van dat optreden opnieuw en neemt hij de noodzakelijke besluiten. Zolang de Raad geen besluit heeft genomen wordt het besluit over het optreden van de Unie gehandhaafd.
  • 3. 
    Die besluiten binden de lidstaten bij het innemen van standpunten en bij hun optreden.
  • 4. 
    Telkens wanneer op grond van een dergelijk besluit een nationale standpuntbepaling of een nationaal optreden wordt overwogen, wordt daarvan op een zodanig tijdstip kennis gegeven dat zo nodig voorafgaand overleg binnen de Raad mogelijk is. De verplichting tot voorafgaande kennisgeving geldt niet voor maatregelen die slechts de nationale omzetting van de besluiten van de Raad vormen.
  • 5. 
    In geval van dwingende noodzaak voortvloeiend uit veranderingen in de situatie en bij gebreke van een besluit van de Raad, kunnen de lidstaten met spoed de noodzakelijke maatregelen nemen, rekening houdend met de algemene doelstellingen van het besluit dat betrekking heeft op het optreden van de Unie. De betrokken lidstaat stelt de Raad onverwijld van iedere zodanige maatregel in kennis.
  • 6. 
    In geval van ernstige moeilijkheden bij de uitvoering van een dergelijk besluit, legt een lidstaat deze voor aan de Raad, die daarover beraadslaagt en passende oplossingen zoekt. Deze mogen niet in strijd zijn met de doelstellingen van het optreden noch afbreuk doen aan de doeltreffendheid ervan.
 

5.

III-194 Afstemming nationaal beleid lidstaten

De Raad neemt besluiten aan waarin de aanpak van de Unie wordt bepaald ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun nationaal beleid met de standpunten van de Unie overeenstemt.

6.

III-195 Recht van initiatief

  • 1. 
    Iedere lidstaat, de minister van Buitenlandse Zaken, of de minister met de steun van de Commissie, kan de Raad ieder vraagstuk in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voorleggen en bij de Raad voorstellen indienen.
  • 2. 
    In gevallen waarin snelle besluitvorming is vereist, roept de minister van Buitenlandse Zaken, hetzij eigener beweging, hetzij op verzoek van een lidstaat, binnen achtenveertig uur of, in geval van absolute noodzaak, op kortere termijn een buitengewone zitting van de Raad bijeen.

7.

III-196 Besluitvormingsprocedure

  • 1. 
    Besluiten uit hoofde van deze titel worden door de Raad met eenparigheid van stemmen vastgesteld. Onthouding van stemming door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel voor het vaststellen van deze besluiten.

    Ingeval een lid van de Raad zich van stemming onthoudt, kan dit lid zijn onthouding toelichten door op grond van onderhavige alinea een formele verklaring af te leggen. In dat geval is het lid niet verplicht het besluit toe te passen, doch aanvaardt het wel dat het besluit de Unie bindt. In een geest van wederzijdse solidariteit onthoudt de betrokken lidstaat zich van ieder optreden dat het optreden van de Unie krachtens genoemd besluit zou kunnen doorkruisen of belemmeren, en eerbiedigen de andere lidstaten dit standpunt. Indien de leden van de Raad die hun onthouding op deze wijze toelichten meer dan een derde van de stemmen, gewogen overeenkomstig [artikel X] van de Grondwet, vertegenwoordigen, is het besluit niet aangenomen.

  • 2. 
    In afwijking van lid 1 besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen:
    • a) 
      bij de aanneming van besluiten betreffende acties en standpunten van de Unie, op basis van een besluit van de Europese Raad met betrekking tot de strategische belangen en doelstellingen van de Unie als bepaald in [artikel 2, lid 1] van deze titel;
    • b) 
      bij de vaststelling van besluiten op initiatief van de minister van Buitenlandse Zaken, op verzoek van de Europese Raad;
    • c) 
      bij de vaststelling van een besluit waarmee uitvoering wordt gegeven aan een optreden of een standpunt van de Unie;
    • d) 
      bij de benoeming van een speciale vertegenwoordiger overeenkomstig [artikel 11] van dit hoofdstuk.

    Indien een lid van de Raad verklaart om essentiële, nader genoemde, redenen van nationaal beleid voornemens te zijn zich te verzetten tegen de vaststelling van een besluit met de vereiste gekwalificeerde meerderheid van stemmen, wordt niet tot stemming overgegaan. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen verlangen dat de aangelegenheid voor een besluit met eenparigheid van stemmen wordt voorgelegd aan de Europese Raad.

  • 3. 
    De Europese Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten dat de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit in andere dan de in lid 2 van dit artikel bedoelde gevallen.
  • 4. 
    De leden 2 en 3 van dit artikel zijn niet van toepassing op besluiten die gevolgen hebben op militair of defensiegebied.

8.

III-197 Coördinatie GBVB tussen lidstaten

  • 1. 
    Wanneer de Unie een gemeenschappelijke aanpak heeft omschreven in de zin van [artikel 31, lid 5], van deel I van de Grondwet, coördineren de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten hun activiteiten in de Raad.
  • 2. 
    De diplomatieke missies van de lidstaten en de delegaties van de Unie werken samen in de derde landen en bij de internationale organisaties, en dragen bij tot de formulering en de uit voering van een gemeenschappelijke aanpak.

9.

III-198 Speciale vertegenwoordiger

De Raad benoemt, telkens wanneer hij het nodig acht, op initiatief van de minister van Buitenlandse Zaken een speciale vertegenwoordiger aan wie hij een mandaat opdraagt voor specifieke beleidsvraagstukken. De speciale vertegenwoordiger oefent zijn mandaat uit onder het gezag van de minister van Buitenlandse Zaken.

10.

III-199 Overeenkomsten met internationale organisaties

De Unie kan uit hoofde van onderhavig hoofdstuk overeenkomstig de procedure van artikel 33 van deze titel overeenkomsten sluiten met één of meer staten of internationale organisaties.

11.

III-200 Europees Parlement

  • 1. 
    De minister van Buitenlandse Zaken raadpleegt het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, en ziet erop toe dat de opvattingen van het Europees Parlement naar behoren in aanmerking worden genomen. Het Europees Parlement wordt door de minister van Buitenlandse Zaken regelmatig op de hoogte gehouden van de ontwikkeling van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie, met inbegrip van het veiligheids- en defensiebeleid. Bij de informatieverstrekking aan het Europees Parlement kunnen de speciale vertegenwoordigers worden ingeschakeld.
  • 2. 
    Het Europees Parlement kan vragen of aanbevelingen tot de Raad en de minister van Buitenlandse Zaken richten. Het wijdt tweemaal per jaar een debat aan de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van het veiligheids- en defensiebeleid.

12.

III-201 Optreden in internationale organisaties of conferenties

  • 1. 
    De lidstaten coördineren hun optreden in internationale organisaties en op internationale conferenties. Zij verdedigen in deze fora de standpunten van de Unie. De minister van Buitenlandse Zaken organiseert deze coördinatie.

    In internationale organisaties en op internationale conferenties waaraan niet alle lidstaten deelnemen, verdedigen de wel deelnemende lidstaten de standpunten van de Unie.

  • 2. 
    Onverminderd het bepaalde in lid 1 en in [artikel 6, lid 3], van deze titel, houden de lidstaten die zijn vertegenwoordigd in internationale organisaties of op internationale conferenties waar niet alle lidstaten vertegenwoordigd zijn, de niet vertegenwoordigde lidstaten en de minister van Buitenlandse Zaken op de hoogte van alle aangelegenheden van gemeenschappelijk belang.

    Lidstaten die tevens lid zijn van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties plegen onderling overleg en houden de overige lidstaten en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie volledig op de hoogte. Lidstaten die lid van de Veiligheidsraad zijn, verdedigen bij de uitoefening van hun functie de standpunten en belangen van de Unie, onverminderd de verantwoordelijkheden die krachtens het Handvest van de Verenigde Naties op hen rusten.

    Wanneer de Unie een standpunt over een thema op de agenda van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft bepaald, formuleren de lidstaten die daarin zitting hebben, het verzoek dat de minister van Buitenlandse Zaken wordt uitgenodigd om het standpunt van de Unie uiteen te zetten.

13.

III-202 Diplomatieke en consulaire missies van de lidstaten

De diplomatieke en consulaire missies van de lidstaten en de delegaties van de Unie in derde landen en op internationale conferenties, alsmede hun vertegenwoordigingen bij internationale organisaties voeren onderling overleg om te verzekeren dat de door de Raad genomen besluiten inzake standpunten en optredens van de Unie in acht worden genomen en ten uitvoer worden uitgelegd. Zij intensiveren hun samenwerking door inlichtingen uit te wisselen en gezamenlijke evaluaties te verrichten.

Zij dragen bij tot de uitvoering van de bepalingen van [artikel 7, lid 2, van deel I] van de Grondwet betreffende de bescherming van de Europese burgers op het grondgebied van derde landen. De lidstaten stellen onderling de nodige regels vast en beginnen de internationale onderhandelingen die met het oog op deze bescherming vereist zijn.

14.

III-203 Politiek en veiligheidscomité

Onverminderd [artikel XX] van de Grondwet [betreffende de organisatie van de Raad/het Comité van Permanente Vertegenwoordigers] volgt een Politiek en Veiligheidscomité de internationale situatie op de onder het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid va llende gebieden en draagt het bij tot het bepalen van het beleid door op verzoek van de Raad, van de minister van Buitenlandse Zaken of op eigen initiatief adviezen aan de Raad uit te brengen. Het comité ziet ook toe op de uitvoering van het overeengekomen beleid, onverminderd de bevoegdheden van de minister van Buitenlandse Zaken.

In het kader van deze titel oefent het comité onder verantwoordelijkheid van de Raad en de minister van Buitenlandse Zaken de politieke controle en strategische leiding uit van crisisbeheersingsoperaties, zoals die zijn omschreven in [artikel 17] van deze titel.

De Raad kan het comité voor het doel en de duur van een crisisbeheersingsoperatie, als bepaald door de Raad, machtigen passende besluiten te nemen over de politieke controle en strategische leiding van de operatie.

15.

III-204 Afbakening en naleving

De uitvoering van het GBVB laat de in de [artikelen 11 tot en met 13, 15 en 16 van deel I] van de Grondwet genoemde bevoegdheden onverlet. Evenzo laat de uitvoering van de beleidsonderdelen die in deze artikelen worden genoemd de in [artikel 14 van deel I] van de Grondwet bedoelde bevoegdheid onverlet.

Het Hof van Justitie is bevoegd om de naleving van dit artikel te controleren.