Hoofdstuk III - Nauwere samenwerking

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

III-318 Bijzondere samenwerkingsvormen in het kader van het EVDB

De bepalingen van artikel [32 ter] van de Grondwet en van de erop volgende artikelen [J tot en met P van deel II] zijn niet van toepassing op de vormen van samenwerking op het gebied van defensie waarin wordt voorzien bij artikel [30] van de Grondwet en die specifiek worden geregeld bij de artikelen [18 tot en met 21] (deel III) van de Grondwet.

2.

III-319 Algemene voorwaarden

Bij de voorgenomen nauwere samenwerking worden de Grondwet en het acquis van de Unie in acht genomen.

De voorgenomen nauwere samenwerking mag geen afbreuk doen aan de interne markt, noch aan de economische en sociale samenhang. Zij mag geen belemmering of discriminatie in de handel tussen de lidstaten vormen, en zij mag de mededinging tussen de lidstaten niet verstoren.

3.

III-320 Betrekkingen met de niet-deelnemende staten

De voorgenomen nauwere samenwerking eerbiedigt de bevoegdheden, rechten en verplichtingen van de lidstaten die er niet aan deelnemen. De niet-deelnemende lidstaten belemmeren niet de uitvoering ervan door de deelnemende lidstaten.

4.

III-321 Beginsel van openheid

  • 1. 
    Nauwere samenwerking staat open voor alle lidstaten op het moment waarop zij wordt aangegaan, mits de eventueel in het machtigingsbesluit vastgestelde deelnemingsvoorwaarden worden nageleefd. Deelneming is ook op ieder ander tijdstip mogelijk, mits, afgezien van de bovengenoemde eventuele voorwaarden, de in dit kader reeds vastgestelde handelingen worden nageleefd. De Commissie en de lidstaten die aan een nauwere samenwerking deelnemen, zien erop toe dat de deelname van zo veel mogelijk lidstaten wordt vergemakkelijkt.
  • 2. 
    De Commissie en in voorkomend geval de minister van Buitenlandse Zaken houden alle leden van de Raad, alsmede het Europees Parlement op de hoogte van de ontwikkeling van de nauwere samenwerking.

5.

III-322 Machtigingsprocedures

  • 1. 
    De lidstaten die onderling een nauwere samenwerking wensen aan te gaan op een van de gebieden die onder de Grondwet vallen, met uitzondering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, richten een verzoek tot de Commissie, met opgave van de werkingssfeer en de met de voorgenomen nauwere samenwerking nagestreefde doelstellingen. De Commissie kan bij de Raad een voorstel in die zin kan indienen. Indien de Commissie geen voorstel indient, deelt zij de redenen daarvan mee aan de betrokken lidstaten.

    De machtiging om een nauwere samenwerking aan te gaan, wordt verleend bij een besluit van de Raad, die op voorstel van de Commissie en na instemming van het Europees Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een besluit neemt.

  • 2. 
    In het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid richten de lidstaten die onderling een nauwere samenwerking wensen aan te gaan, een verzoek tot de Raad. Het verzoek wordt doorgezonden naar de minister van Buitenlandse Zaken die advies uitbrengt over de samenhang van de nauwere samenwerking met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie, alsmede naar de Commissie die advies uitbrengt over met name de samenhang van de voorgenomen nauwere samenwerking met het beleid van de Unie op andere gebieden. Het verzoek wordt ter informatie ook toegezonden aan het Europees Parlement.

    De machtiging tot nauwere samenwerking wordt verleend bij een besluit van de Raad dat met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt genomen.

6.

III-323 Procedure voor de latere deelneming van andere lidstaten

  • 1. 
    Een lidstaat die aan nauwere samenwerking wil deelnemen, stelt de Raad, de Commissie en, in voorkomend geval, de minister van Buitenlandse Zaken van dit voornemen op de hoogte.

    Binnen vier maanden na ontvangst van de kennisgeving bevestigt de Commissie de deelname van de betrokken lidstaat. Zij stelt in voorkomend geval vast dat aan de voorwaarden tot deelname is voldaan en zij stelt de door haar nodig geachte overgangsbepalingen vast voor de toepassing van de reeds in het kader van de nauwere samenwerking vastgestelde handelingen.

    Is de Commissie evenwel van mening dat aan de eventuele voorwaarden voor deelname niet is voldaan is, dan geeft zij aanwijzingen omtrent de te nemen maatregelen opdat aan deze voorwaarden wel kan worden voldaan, en stelt zij een termijn vast waarbinnen zij de aanvraag tot deelname opnieuw in overweging zal nemen. Wanneer zij de aanvraag opnieuw in overweging neemt, handelt zij overeenkomstig de voorgaande alinea. Indien de Commissie van oordeel is dat aan de eventuele voorwaarden voor deelname nog steeds niet voldaan is, kan de betrokken lidstaat de kwestie voorleggen aan de Raad die, overeenkomstig artikel [32 ter, lid 3,] van de Grondwet, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit. De Raad kan ook, op voorstel van de Commissie, de bovengenoemde overgangsbepalingen vaststellen.

  • 2. 
    In het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid bevestigt de Raad de deelname van de betrokken lidstaat, na de minister van Buitenlandse Zaken te hebben geraadpleegd. Hij constateert in voorkomend geval dat aan de voorwaarden tot deelname voldaan is. De Raad kan ook op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken overgangsbepalingen vaststellen. Is de Raad evenwel van mening dat aan de eventuele voorwaarden voor deelname niet voldaan is, dan geeft hij aanwijzingen omtrent de te nemen maatregelen opdat aan deze voorwaarden wel kan worden voldaan, en stelt hij een termijn vast waarbinnen hij de aanvraag tot deelname opnieuw in overweging zal nemen.

    Voor de toepassing van dit lid besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, overeenkomstig artikel [32 ter, lid 3,] van de Grondwet.

 

7.

III-324 Financiering

De uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van een nauwere samenwerking, met uitzondering van de administratieve kosten voor de instellingen, komen ten laste van de deelnemende lidstaten, tenzij de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen van al zijn leden anders besluit.

8.

III-325 Coherentiebeginsel

De Raad en de Commissie zorgen ervoor dat de in het kader van een nauwere samenwerking genomen maatregelen coherent zijn, zowel onderling als met het beleid van de Unie, en werken daartoe samen.