Artikel III-270: Handelingen Europese organen en agentschappen

III-269
Artikel III-270
III-271
  • 1. 
    Het Hof van Justitie gaat de wettigheid na van de Europese wetten en kaderwetten, van de handelingen van de Raad van Ministers, de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank, voorzover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, en van de handelingen van het Europees Parlement die beogen rechtsgevolgen tegenover derden te hebben. Het Hof van Justitie gaat ook de wettigheid na van de handelingen van de organen of bureaus van de Unie die beogen rechtsgevolgen tegenover derden te hebben.
  • 2. 
    Te dien einde is het Hof bevoegd uitspraak te doen op ieder door een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad van Ministers of de Europese Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Grondwet of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.
  • 3. 
    Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen op ieder door de Rekenkamer, de Europese Centrale Bank of het Comité van de Regio's ingesteld beroep dat op de vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.
  • 4. 
    Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder dezelfde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.
  • 5. 
    De handelingen tot oprichting van organen en bureaus van de Unie kunnen voorzien in specifieke voorwaarden inzake de beroepen welke door natuurlijke of rechtspersonen worden ingesteld tegen handelingen van deze organen of bureaus die beogen rechtsgevolgen te hebben.
  • 6. 
    Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden, naargelang van het geval te rekenen vanaf de dag van bekendmaking

    van de handeling, de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.

1.

Ontwikkeling artikel

2003
  • 1. 
    Het Hof van Justitie gaat de wettigheid na van de Europese wetten en de Europese kaderwetten, van de handelingen van de Raad, de Commissie en de ECB, voorzover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, en van de handelingen van het Europees Parlement die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben. Het Hof van Justitie gaat ook de wettigheid na van de handelingen van de agentschappen en de organen van de Unie die rechtsgevolgen ten aanzien van derden hebben.
  • 2. 
    Te dien einde is het Hof bevoegd uitspraak te doen inzake elk door een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Grondwet of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.
  • 3. 
    Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen inzake elk door de Rekenkamer, de Europese Centrale Bank of het Comité van de Regio's ingesteld beroep dat op de vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.
  • 4. 
    Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder dezelfde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevende handelingen die hem rechtstreeks raken, maar die geen uitvoeringsmaatregelen bevatten.
  • 5. 
    De handelingen tot oprichting van organen en agentschappen van de Unie kunnen voorzien in specifieke voorwaarden inzake de beroepen die worden ingesteld door natuurlijke of rechtspersonen tegen de handelingen van deze organen of agentschappen die beogen rechtsgevolgen te hebben.
  • 6. 
    Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden, te rekenen, naargelang het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.
2003
  • 1. 
    Het Hof van Justitie gaat de wettigheid na van de Europese wetten en kaderwetten, van de handelingen van de Raad van Ministers, de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank, voorzover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, en van de handelingen van het Europees Parlement die beogen rechtsgevolgen tegenover derden te hebben. Het Hof van Justitie gaat ook de wettigheid na van de handelingen van de organen of bureaus van de Unie die beogen rechtsgevolgen tegenover derden te hebben.
  • 2. 
    Te dien einde is het Hof bevoegd uitspraak te doen op ieder door een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad van Ministers of de Europese Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Grondwet of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.
  • 3. 
    Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen op ieder door de Rekenkamer, de Europese Centrale Bank of het Comité van de Regio's ingesteld beroep dat op de vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.
  • 4. 
    Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder dezelfde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.
  • 5. 
    De handelingen tot oprichting van organen en bureaus van de Unie kunnen voorzien in specifieke voorwaarden inzake de beroepen welke door natuurlijke of rechtspersonen worden ingesteld tegen handelingen van deze organen of bureaus die beogen rechtsgevolgen te hebben.
  • 6. 
    Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden, naargelang van het geval te rekenen vanaf de dag van bekendmaking

    van de handeling, de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.

2003
  • 1. 
    Het Hof van Justitie van de Europese Unie gaat de wettigheid na van de Europese wetten en kaderwetten, van de handelingen van de Raad, de Commissie en de Europese Centrale Bank, voorzover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, alsmede van de handelingen van het Europees Parlement en van de Europese Raad die beogen rechtsgevolgen tegenover derden te hebben. Het Hof van Justitie gaat ook de wettigheid na van de handelingen van de organen of instanties van de Unie waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van derden worden beoogd. [*] [**]
  • 2. 
    Voor de toepassing van lid 1 is het Hof bevoegd uitspraak te doen inzake ieder door een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Grondwet of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.
  • 3. 
    Het Hof is onder de voorwaarden van de leden 1 en 2 bevoegd uitspraak te doen over ieder door de Rekenkamer, de Europese Centrale Bank of het Comité van de Regio's ingesteld beroep dat op de vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.
  • 4. 
    Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de voorwaarden van de leden 1 en 2 beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.
  • 5. 
    De handelingen tot oprichting van organen en instanties van de Unie kunnen voorzien in specifieke voorwaarden inzake de beroepen welke door natuurlijke of rechtspersonen worden ingesteld tegen handelingen van deze organen of instanties waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van hen worden beoogd.
  • 6. 
    Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden, naargelang van het geval te rekenen vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.

 

Voetnoot [*] bij lid 1

De Groep juridische deskundigen van de IGC is van oordeel dat, aangezien het door de Conventie opgestelde ontwerp van Grondwet de Europese Raad als zodanig de bevoegheid geeft om rechtshandelingen vast te stellen die gevolgen hebben ten aanzien van derden, die rechtshandelingen onderworpen moeten worden aan de rechterlijke toetsing door het Hof van Justitie (in artikel III-270 en in artikel III-272).

Noot [**] PDC bij lid 1

Tijdens het ministerieel conclaaf in Napels is besloten om de mogelijkheid te openen de Europese Raad voor het Hof van Justitie te dagen, als deze nalaat een besluit te nemen (eerste alinea, document CIG 52/03).

Deze tekst is overgenomen door de Werkgroep Juridische Deskundigen IGC in het slotdocument (CIG 50/03), en niet meer in het slotdocument van het Italiaanse voorzitterschap (CIG 60/03).

2004
  • 1. 
    Het Hof van Justitie van de Europese Unie gaat de wettigheid na van de Europese wetten en kaderwetten, van de handelingen van de Raad, de Commissie en de Europese Centrale Bank, voorzover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, alsmede van de handelingen van het Europees Parlement en van de Europese Raad die beogen rechtsgevolgen tegenover derden te hebben. Het gaat ook de wettigheid na van de handelingen van de organen of instanties van de Unie waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van derden worden beoogd.
  • 2. 
    Voor de toepassing van lid 1 is het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd uitspraak te doen inzake ieder door een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Grondwet of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.
  • 3. 
    Het Hof van Justitie van de Europese Unie is onder de in de leden 1 en 2 bepaalde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen over ieder door de Rekenkamer, de Europese Centrale Bank of het Comité van de Regio's ingesteld beroep dat op de vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.
  • 4. 
    Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de leden 1 en 2 bepaalde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoerings maatregelen met zich meebrengen.
  • 5. 
    De handelingen tot oprichting van organen en instanties van de Unie kunnen voorzien in bijzondere voorwaarden en bepalingen inzake de beroepen welke door natuurlijke of rechtspersonen worden ingesteld tegen handelingen van deze organen of instanties waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van hen worden beoogd.
  • 6. 
    Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden, naargelang van het geval te rekenen vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.