Onderafdeling 5 bis - De Europese Centrale Bank

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

III-289 bis Directie en Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank

  • 1. 
    De Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank bestaat uit de leden van de directie van de Europese Centrale Bank en de presidenten van de nationale centrale banken van de lidstaten die niet onder een derogatie in de zin van artikel III-91 vallen.
  • 2. 
    • a) 
      De directie bestaat uit de president, de vice-president en vier andere leden.
  • b) 
    De president, de vice-president en de overige leden van de directie worden gekozen uit personen wier gezag en beroepservaring op monetair of bancair gebied algemeen erkend worden. Zij worden met gekwalificeerde meerderheid van stemmen door de Europese Raad benoemd op aanbeveling van de Raad na raadpleging van het Europees Parlement en de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank.

Zij worden voor een periode van acht jaar benoemd en zijn niet herbenoembaar.

Alleen zij die de nationaliteit van een van de lidstaten bezitten kunnen lid van de directie zijn.

2.

III-289 ter Samenstelling Raad van Bestuur en Directie van de ECB

  • 1. 
    De voorzitter van de Raad en een lid van de Commissie mogen zonder stemrecht aan de vergaderingen van de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank deelnemen.

    De voorzitter van de Raad kan een motie ter bespreking voorleggen aan de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank.

  • 2. 
    De president van de Europese Centrale Bank wordt uitgenodigd om aan de vergaderingen van de Raad deel te nemen wanneer deze aangelegenheden bespreekt met betrekking tot de doelstellingen en de taken van het Europees Stelsel van Centrale Banken.
  • 3. 
    De Europese Centrale Bank stelt voor het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Europese Raad een jaarverslag op over de werkzaamheden van het Europees Stelsel van Centrale Banken en over het monetair beleid in het afgelopen jaar en het lopende jaar. De president van de Europese Centrale Bank legt dit verslag voor aan de Raad en aan het Europees Parlement, dat op die basis een algemeen debat kan houden.

    De president van de Europese Centrale Bank en de overige leden van de directie kunnen op verzoek van het Europees Parlement of op eigen initiatief worden gehoord door de bevoegde organen van het Parlement.