Artikel I-53: De budgettaire en financiële beginselen

I-52
Artikel I-53
I-54
  • 1. 
    Alle ontvangsten en uitgaven van de Unie worden overeenkomstig deel III voor ieder begrotingsjaar geraamd en opgenomen in de begroting van de Unie.
  • 2. 
    De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.
  • 3. 
    De op de begroting opgevoerde uitgaven worden toegestaan voor de duur van het begrotings jaar, in overeenstemming met de in artikel III-412 bedoelde Europese wet.
  • 4. 
    Op de begroting opgevoerde uitgaven kunnen niet worden uitgevoerd dan nadat een juridisch bindende handeling van de Unie is vastgesteld die een rechtsgrond geeft aan haar optreden en aan de uitvoering van de overeenkomstige uitgave, in overeenstemming met de in artikel III-412 bedoelde Europese wet, behoudens de daarin bepaalde uitzonderingen.
  • 5. 
    Teneinde de begrotingsdiscipline zeker te stellen, stelt de Unie geen handelingen vast die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat de uitgaven die uit die handelingen voortvloeien, gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Unie en met inachtneming van het in artikel I-55 bedoelde meerjarig financieel kader.
  • 6. 
    De begroting wordt uitgevoerd volgens het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten en de Unie dragen er samen zorg voor dat de op de begroting opgevoerde kredieten volgens dit beginsel worden gebruikt.
  • 7. 
    De Unie en de lidstaten bestrijden overeenkomstig artikel III-415 fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting Nederlandse regering

Doel van deze bepaling is een aantal centrale beginselen voor de financiën van de Europese Unie vast te leggen. De inhoud is grotendeels gebaseerd op een aantal bepalingen uit het EG-Verdrag.

Het vierde lid betreft een codificatie van de praktijk in de begrotingsprocedure. Bij de herziening van 25 juni 2002 van het Financieel Reglement (artikel 279 EG-Verdrag en artikel III-412 van het Grondwettelijk Verdrag) is vastgelegd dat alleen middelen in de begroting kunnen worden opgenomen waarvoor een rechtsbasis voorzien is.

Het vijfde lid is gebaseerd op artikel 270 EG-Verdrag. Belangrijke toevoeging is dat naast het Eigen Middelen Plafond ook het meerjaren financieel kader als grens dient voor de jaarlijkse begroting van de Unie. Op deze manier wordt de hiërarchie der financiële bepalingen vastgelegd. De Unie kent een Eigen Middelen Plafond; daarbinnen bevindt zich het meerjarig financieel kader (zie ook artikel I-55) en daarbinnen bevindt zich de jaarlijkse Uniebegroting.

De regering heeft aangedrongen op een artikel waarin alle belangrijke uitgangspunten voor de financiën van de Unie kort en bondig worden samengevat en ziet deze wens met het artikel I-53 verwezenlijkt.

2.

Ontwikkeling artikel

1984
  • 1. 
    De vaststelling van en verlening van machtiging voor alle uitgaven en ontvangsten van de Unie voor elk kalenderjaar geschiedt bij de begroting. De goedgekeurde begroting dient in evenwicht te zijn. Voor de goedkeuring van de gewijzigde en aanvullende begrotingen gelden dezelfde voorwaarden als voor de begroting. De bestemming van de ontvangsten wordt niet vastgelegd.
  • 2. 
    De bovengrens van de in het begrotingsjaar op te nemen en te verstrekken leningen wordt vastgesteld in de begroting. Behalve wanneer de begroting ter zake uitdrukkelijk een uitzondering maakt, mogen de geleende gelden uitsluitend worden gebruikt voor de financiering van investeringen.
  • 3. 
    De kredieten zijn verdeeld over hoofdstukken waarin de uitgaven zijn gegroepeerd naar hun aard of hun bestemming en onderverdeeld volgens de bepalingen van het financieel reglement. De uitgaven van andere instellingen dan de Commissie worden in afzonderlijke delen van de begroting opgenomen; zij worden voorbereid en beheerd door deze instellingen en kunnen slechts betrekking hebben op de huishoudelijke uitgaven.
  • 4. 
    Het financieel reglement van de Unie wordt vastgesteld bij organieke wet.
1994
  • 1. 
    Bij wet wordt beslist over de aard en het plafond van de financiële middelen van de Unie. Deze wet vereist instemming van de meerderheid van de leden van het Europees Parlement en van twee derden van de stemmen, alsmede van een overgekwalificeerde meerderheid in de Raad (1).
  • 2. 
    Alle jaarlijkse ontvangsten en uitgaven van de Unie worden in de begroting ingeschreven. Deze wordt elk jaar volgens de wetgevingsprocedure goedgekeurd.
  • 3. 
    Elk voorstel tot het doen van nieuwe uitgaven moeten vergezeld gaan van een voorstel omtrent de daar tegenover staande ontvangsten.
  • 4. 
    De Unie is onderworpen aan dezelfde begrotingsdiscipline die de wetgeving van de Unie ook aan de lid-staten oplegt.

Voetnoot bij lid 1

(1) Eenparigheid van stemmen gedurende een overgansperiode van 10 jaar.

2003
  • 1. 
    Alle ontvangsten en uitgaven van de Unie moeten voor elk begrotingsjaar worden geraamd en opgenomen in de begroting, overeenkomstig de bepalingen van deel II van de Grondwet.
  • 2. 
    De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.
  • 3. 
    De uitgaven opgevoerd op de begroting worden toegestaan voor de duur van het begrotingsjaar in overeenstemming met de in artikel B bedoelde wet (deel II, voorheen 279: het financieel reglement).
  • 4. 
    De uitvoering van uitgaven opgevoerd op de begroting vereist de voorafgaande vaststelling van een bindende rechtshandeling die een rechtsgrond geeft aan de actie van de Unie en aan de uitvoering van de uitgave in overeenstemming met de in artikel B bedoelde wet (deel II, voorheen 279: het financieel reglement). Die handeling moet de vorm hebben van een Europese wet, een Europese kaderwet, een Europese verordening of een Europees besluit.
  • 5. 
    Teneinde de begrotingsdiscipline te verzekeren, doet de Commissie geen voorstellen voor handelingen van de Unie, brengt zij geen wijzigingen in haar voorstellen aan en neemt zij geen uitvoeringsmaatregelen aan die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat die voorstellen of maatregelen gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Unie.
  • 6. 
    De begroting van de Unie wordt uitgevoerd volgens het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten en de Unie werken samen om te verzekeren dat de op de begroting opgevoerde kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.
  • 7. 
    De Unie en de lidstaten bestrijden fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, in overeenstemming met de bepalingen van artikel Z (deel II, voorheen 280 VEG).

3.

Toelichting

Dit artikel bevat de beginselen die ten grondslag liggen aan de financiën van de Unie, zoals genoemd in het verslag van werkgroep IX:

  • Lid 1 geeft het beginsel van eenheid van de begroting uit artikel 268 VEG weer: "Alle ontvangsten en uitgaven van de Gemeenschap, met inbegrip van die welke betrekking hebben op het Europees Sociaal Fonds, moeten voor elk begrotingsjaar worden geraamd en opgenomen in de begroting.".

    De verwijzing naar het Europees Sociaal Fonds, die achterhaald is, wordt geschrapt. De verwijzingen naar deel II van de Grondwet zijn bedoeld om, in afwachting van een standpunt van de Conventie, rekening te houden met de bijzondere regeling voor de financiering van bepaalde beleidstakken. Het gaat met name om het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, die thans onder artikel 268, tweede alinea, en de artikelen 28 en 41 VEU vallen, en om het Europees Ontwikkelingsfonds.

  • Lid 2 correspondeert met het beginsel van evenwicht tussen uitgaven en ontvangsten, dat nu in artikel 268, derde alinea, staat: "De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.".
  • Lid 3 bevat het beginsel van de jaarperiodiciteit van de begroting, dat nu in artikel 271, eerste alinea, VEG staat: "De uitgaven opgevoerd op de begroting worden toegestaan voor de duur van een begrotingsjaar, voorzover niet anders wordt bepaald in het ter uitvoering van artikel 279 vastgestelde reglement.". In de Franse tekst is de duur van het begrotingsjaar gepreciseerd. Het ter uitvoering van artikel 279 vastgestelde reglement is het financieel reglement, dat o.m. voorziet in een beperkte mogelijkheid om kredieten van het ene begrotingsjaar naar het andere over te dragen. Het financieel reglement zou volgens ontwerp-artikel 24 een wet moeten worden.
  • De leden 4 en 5 zijn twee toepassingen van hetzelfde beginsel: enerzijds vereist de opvoering van kredieten op de begroting het bestaan van een bindende rechtshandeling, maar anderzijds moet de Commissie, wanneer zij een besluit voorstelt, rekening houden met de gevolgen ervan voor de begroting.

    Lid 4 correspondeert met het voorstel van werkgroep IX, die zich op haar beurt gebaseerd heeft op artikel 36 van het Interinstitutioneel akkoord van 9 mei 1999 over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure: "Krachtens het stelsel van het Verdrag vereist de uitvoering van de in de begroting opgenomen kredieten voor communautaire acties de voorafgaande vaststelling van een basishandeling. Een "basishandeling" is een wetgevingshandeling van afgeleid recht die een rechtsgrond geeft aan de communautaire actie en aan de uitvoering van de desbetreffende in de begroting opgenomen uitgave. Deze handeling moet de vorm hebben van een verordening, een richtlijn, een beschikking of een besluit. Aanbevelingen en adviezen, alsook resoluties en verklaringen zijn geen basishandelingen.".

    Het Interinstitutioneel akkoord voorziet in zeer beperkte uitzonderingen op die regel. Zodra het algemene beginsel in de Grondwet is neergelegd, zouden die uitzonderingen in het in artikel 279 VEG bedoelde financieel reglement moeten worden opgenomen.

    Lid 5 correspondeert met artikel 270 VEG: "Teneinde de begrotingsdiscipline te verzekeren, doet de Commissie geen voorstellen voor communautaire handelingen, brengt zij geen wijzigingen in haar voorstellen aan en neemt zij geen uitvoeringsmaatregelen aan die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat die voorstellen of maatregelen gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Gemeenschap die voortvloeien uit de door de Raad krachtens artikel 269 vastgestelde bepalingen.".

  • Lid 6 gaat over de uitvoering van de begroting en plaatst het beginsel van goed financieel beheer, dat nu in artikel 274 VEG staat, in een ruimere context. Zo is de vermelding van de Commissie in dit artikel vervangen door een vermelding van de Unie. Dit beginsel belangt immers niet alleen de Commissie aan. Alle instellingen dragen een deel van de verantwoordelijkheid voor het beheer van de financiën van de Unie. Het Europees Parlement bijvoorbeeld moet dit beginsel in aanmerking nemen wanneer het de Commissie kwijting verleent. Artikel 274, tweede alinea, bevestigt deze benadering ten dele voor wat de uitvoering door de andere instellingen van hun eigen afdeling van de begroting betreft.

    Lid 6 loopt overigens niet vooruit op de verantwoordelijkheid van de Commissie bij de uitvoering van de begroting. De respectieve verantwoordelijkheden van de instellingen en de lidstaten bij het beheer van de begroting zullen worden vermeld in de bepalingen van deel II van de Grondwet.

    Dit beginsel belangt de lidstaten aan voorzover ook zij een rol spelen bij de uitvoering van de begroting.

    Het huidige artikel 274 VEG bepaalt: "De Commissie voert de begroting overeenkomstig de bepalingen van het ter uitvoering van artikel 279 vastgestelde reglement uit onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen der toegekende kredieten en met het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de toegekende kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt. Het reglement voorziet in de wijze waarop en de mate waarin iedere instelling haar eigen uitgaven doet.".

  • Lid 7 is gebaseerd op het eerste deel van artikel 280, lid 1, dat als volgt luidt: "De Gemeenschap en de lidstaten bestrijden fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, met overeenkomstig dit artikel te nemen maatregelen die afschrikkend moeten werken en in de lidstaten een doeltreffende bescherming moeten bieden.".

Voetnoot bij de toelichting:

Het beginsel van toereikende middelen, dat in het verslag van de werkgroep werd genoemd, is hier achterwege gelaten omdat het reeds door ontwerp-artikel 3, lid 5, (CONV 528/03) wordt bestreken.

2003
  • 1. 
    Alle ontvangsten en uitgaven van de Unie moeten voor elk begrotingsjaar worden geraamd en opgenomen in de begroting, overeenkomstig de bepalingen van Deel III van de Grondwet.
  • 2. 
    De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.
  • 3. 
    De uitgaven opgevoerd op de begroting worden toegestaan voor de duur van het begrotingsjaar in overeenstemming met de in artikel [voorheen 279] bedoelde Europese wet.
  • 4. 
    De uitvoering van uitgaven opgevoerd op de begroting vereist de voorafgaande vaststelling van een bindende rechtshandeling die een rechtsgrond geeft aan de actie van de Unie en aan de uitvoering van de uitgave in overeenstemming met de in artikel [voorheen 279] bedoelde Europese wet. Die handeling moet de vorm hebben van een Europese wet, een Europese kaderwet, een Europese verordening of een Europees besluit.
  • 5. 
    Teneinde de begrotingsdiscipline te verzekeren, stelt de Unie geen handelingen vast die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat die voorstellen of maatregelen gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Unie en van het in artikel I-54 bedoelde meerjarig financieel kader.
  • 6. 
    De begroting van de Unie wordt uitgevoerd volgens het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten en de Unie werken samen om te verzekeren dat de op de begroting opgevoerde kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.
  • 7. 
    De Unie en de lidstaten bestrijden fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, in overeenstemming met de bepalingen van artikel [voorheen 280] van Deel III.

4.

Opmerkingen

Commentaar bij lid 5: Het eindverslag van de Studiegroep begrotingsprocedure stelt dat het meerjarig financieel kader in dit lid moet worden genoemd als referentiekader voor de begrotingsdiscipline, tezamen met het maximum van de eigen middelen. In meerdere wijzigingsvoorstellen (De Vries, Borrell e.a., Duhamel e.a., Hain en Hjelm-Wallén) wordt dezelfde wens tot uitdrukking gebracht.

2003
  • 1. 
    Alle ontvangsten en uitgaven van de Unie moeten overeenkomstig de bepalingen van Deel III voor elk begrotingsjaar worden geraamd en opgenomen in de begroting.
  • 2. 
    De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.
  • 3. 
    De op de begroting opgevoerde uitgaven worden toegestaan voor de duur van het begrotingsjaar, in overeenstemming met de in artikel III-318 bedoelde Europese wet.
  • 4. 
    De uitvoering van uitgaven opgevoerd op de begroting vereist de voorafgaande vaststelling van een bindende rechtshandeling die een rechtsgrond geeft aan de actie van de Unie en aan de uitvoering van de uitgave in overeenstemming met de in artikel III-318 bedoelde Europese wet. Die handeling moet de vorm hebben van een Europese wet, een Europese kaderwet, een Europese verordening of een Europees besluit.
  • 5. 
    Teneinde de begrotingsdiscipline te verzekeren, stelt de Unie geen handelingen vast die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat die voorstellen of maatregelen gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Unie en van het in artikel I-54 bedoelde meerjarig financieel kader.
  • 6. 
    De begroting van de Unie wordt uitgevoerd volgens het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten en de Unie werken samen om te verzekeren dat de op de begroting opgevoerde kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.
  • 7. 
    De Unie en de lidstaten bestrijden fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, in overeenstemming met de bepalingen van artikel III-321.
2003
  • 1. 
    Alle ontvangsten en uitgaven van de Unie worden overeenkomstig de bepalingen van Deel III voor elk begrotingsjaar geraamd en opgenomen in de begroting.
  • 2. 
    De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.
  • 3. 
    De op de begroting opgevoerde uitgaven worden toegestaan voor de duur van het begrotingsjaar, in overeenstemming met de in artikel III-318 bedoelde Europese wet.
  • 4. 
    De uitvoering van de op de begroting opgevoerde uitgaven vereist de voorafgaande vaststelling van een bindende rechtshandeling van de Unie die een rechtsgrond geeft aan haar optreden en aan de uitvoering van de overeenkomstige uitgave, in overeenstemming met de in artikel III-318 bedoelde Europese wet, behoudens de daarin bepaalde uitzonderingen.
  • 5. 
    Teneinde de begrotingsdiscipline zeker te stellen, stelt de Unie geen handelingen vast die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat de uitgaven die uit die handelingen voortvloeien, gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Unie en met inachtneming van het in artikel I-54 bedoelde meerjarig financieel kader.
  • 6. 
    De begroting van de Unie wordt uitgevoerd volgens het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten en de Unie dragen er samen zorg voor dat de op de begroting opgevoerde kredieten volgens dit beginsel worden gebruikt.
  • 7. 
    De Unie en de lidstaten bestrijden overeenkomstig artikel III-321 fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.
2004
  • 1. 
    Alle ontvangsten en uitgaven van de Unie worden overeenkomstig deel III voor ieder begrotingsjaar geraamd en opgenomen in de begroting van de Unie.
  • 2. 
    De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.
  • 3. 
    De op de begroting opgevoerde uitgaven worden toegestaan voor de duur van het begrotings jaar, in overeenstemming met de in artikel III-412 bedoelde Europese wet.
  • 4. 
    Op de begroting opgevoerde uitgaven kunnen niet worden uitgevoerd dan nadat een juridisch bindende handeling van de Unie is vastgesteld die een rechtsgrond geeft aan haar optreden en aan de uitvoering van de overeenkomstige uitgave, in overeenstemming met de in artikel III-412 bedoelde Europese wet, behoudens de daarin bepaalde uitzonderingen.
  • 5. 
    Teneinde de begrotingsdiscipline zeker te stellen, stelt de Unie geen handelingen vast die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat de uitgaven die uit die handelingen voortvloeien, gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Unie en met inachtneming van het in artikel I-55 bedoelde meerjarig financieel kader.
  • 6. 
    De begroting wordt uitgevoerd volgens het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten en de Unie dragen er samen zorg voor dat de op de begroting opgevoerde kredieten volgens dit beginsel worden gebruikt.
  • 7. 
    De Unie en de lidstaten bestrijden overeenkomstig artikel III-415 fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.