Afdeling 2 - Gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

III-309 Missies

  • 1. 
    De in artikel I-41, lid 1, bedoelde missies, waarbij de Unie civiele en militaire middelen kan inzetten, omvatten gezamenlijke ontwapeningsacties, humanitaire en reddingsmissies, advies en bijstand op militair gebied, conflictpreventie en vredeshandhaving, missies van strijdkrachten met het oog op crisisbeheersing, daaronder begrepen vredestichting, alsmede stabiliseringsoperaties na afloop van conflicten. Al deze taken kunnen bijdragen tot de strijd tegen het terrorisme, ook door middel van steun aan derde landen om het terrorisme op hun grondgebied te bestrijden.
  • 2. 
    De Raad regelt bij Europees besluit de in lid 1 bedoelde missies en stelt doel en draagwijdte ervan vast, alsmede de algemene voorschriften voor de uitvoering ervan. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie draagt onder gezag van de Raad en in nauw en voortdurend contact met het Politiek en Veiligheidscomité zorg voor de coördinatie van de civiele en militaire aspecten van deze missies.

2.

III-310 Samenwerking bij de uitvoering van een missie

  • 1. 
    In het kader van de overeenkomstig artikel III-309 vastgestelde Europese besluiten kan de Raad de uitvoering van een missie toevertrouwen aan een groep lidstaten die dat willen en die over de nodige vermogens voor een dergelijke missie beschikken. Deze lidstaten regelen in samenspraak met de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie onderling het beheer van de missie.
  • 2. 
    De lidstaten die aan de missie deelnemen, brengen de Raad regelmatig op eigen initiatief of op verzoek van een andere lidstaat op de hoogte van het verloop van de missie. De deelnemende lidstaten wenden zich onverwijld tot de Raad indien de uitvoering van de missie zwaarwegende gevolgen met zich meebrengt of een wijziging vereist van de doelstelling, de reikwijdte of de uitvoeringsbepalingen van de missie, zoals vastgesteld bij de in lid 1 bedoelde Europese besluiten. In dat geval stelt de Raad de nodige Europese besluiten vast.

3.

III-311 Europees bureau voor bewapening en strategisch onderzoek

  • 1. 
    Het op grond van artikel I-41, lid 3, opgerichte Agentschap op het gebied van de ontwikkeling van defensievermogens, onderzoek, aankopen en bewapening (Europees Defensieagentschap), dat onder het gezag van de Raad ressorteert, heeft tot taak:
    • a) 
      de na te streven militaire vermogens van de lidstaten te helpen bepalen en de nakoming van de door de lidstaten aangegane verbintenissen inzake vermogens te evalueren;
    • b) 
      het harmoniseren van de operationele behoeften en het hanteren van doelmatige en onderling verenigbare aankoopmethoden te bevorderen;
    • c) 
      multilaterale projecten voor te stellen die erop gericht zijn de doelstellingen met betrekking tot militaire vermogens te verwezenlijken, de door de lidstaten uit te voeren programma's te coördineren en samenwerkingsprogramma's te beheren;
    • d) 
      het onderzoek inzake defensietechnologie te ondersteunen, alsmede gezamenlijk onderzoek naar en studie van technische oplossingen die voldoen aan toekomstige operationele behoeften, te coördineren en te plannen;
    • e) 
      bij te dragen tot het bepalen en in voorkomend geval uitvoeren van alle nuttige maatregelen om de industriële en technologische basis van de defensiesector te versterken en de efficiëntie van de militaire uitgaven te verbeteren.
  • 2. 
    Het Europees Defensieagentschap staat open voor alle lidstaten die daarvan deel wensen uit te maken. De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid een Europees besluit vast houdende vastlegging van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Agentschap. In dat besluit wordt rekening gehouden met de mate van werkelijke deelneming aan de activiteiten van het Agentschap. Binnen het Agentschap worden specifieke groepen lidstaten gevormd die gezamenlijke projecten uitvoeren. Het Agentschap vervult zijn taken voorzover nodig in overleg met de Commissie.

4.

III-312 Werking van de gestructureerde samenwerking

  • 1. 
    De lidstaten die wensen deel te nemen aan de in artikel I-41, lid 6, bedoelde permanente gestructureerde samenwerking, die voldoen aan de criteria en die de verbintenissen inzake militaire vermogens als vermeld in het protocol betreffende permanente gestructureerde samenwerking willen aangaan, stellen de Raad en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie in kennis van hun voornemen.
  • 2. 
    Binnen drie maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving stelt de Raad een Europees besluit tot instelling van de permanente gestructureerde samenwerking en tot opstelling van de lijst van deelnemers vast. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, na raadpleging van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie.
  • 3. 
    Iedere lidstaat die in een later stadium aan de permanente gestructureerde samenwerking wenst deel te nemen stelt de Raad en de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie van zijn voornemen in kennis.

    De Raad stelt een Europees besluit vast houdende bevestiging van de deelneming van de betrokken lidstaat die aan de criteria voldoet en de verbintenissen onderschrijft als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het protocol betreffende permanente gestructureerde samenwerking. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, na raadpleging van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie. Aan de stemming wordt alleen deelgenomen door de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen.

    Onder gekwalificeerde meerderheid wordt verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van deze staten.

    Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal leden van de Raad bestaan die meer dan 35% uitmaken van de bevolking van de deelnemende lidstaten, plus een lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen.

  • 4. 
    Indien een deelnemende lidstaat niet langer aan de criteria voldoet of zich niet langer kan houden aan de verbintenissen als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het protocol betreffende permanente gestructureerde samenwerking, kan de Raad een Europees besluit tot schorsing van de deelneming van deze lidstaat vaststellen.

    De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Aan de stemming wordt alleen deelgenomen door de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, met uitzondering van de betrokken lidstaat.

    Onder gekwalificeerde meerderheid wordt verstaan ten minste 55% van de leden van de Raad die de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65% uitmaakt van de bevolking van deze staten.

    Een blokkerende minderheid moet ten minste uit het minimumaantal leden van de Raad bestaan die meer dan 35% uitmaken van de bevolking van de deelnemende lidstaten, plus een lid; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen.

  • 5. 
    Indien een lidstaat zijn deelneming aan de permanente gestructureerde samenwerking wenst te beëindigen, geeft hij daarvan kennis aan de Raad, die er akte van neemt dat de deelneming van de betrokken lidstaat afloopt.
  • 6. 
    Andere dan de in de leden 2 tot en met 5 bedoelde Europese besluiten en aanbevelingen van de Raad in het kader van de gestructureerde samenwerking worden met eenparigheid van stemmen vastgesteld. Voor de toepassing van dit lid wordt eenparigheid van stemmen alleen door de stemmen van de vertegenwoordigers van de deelnemende lidstaten gevormd.