Titel V - Extern optreden van de Unie

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Onderverdeling

2.

Toelichting Nederlandse regering

Een alom gevoelde noodzaak tot een sterkere rol van de Unie in de wereld lag ten grondslag aan alle debatten die in de Conventie en IGC zijn gevoerd over het externe optreden van de Unie. De regering meent dat in dit opzicht met het Grondwettelijk Verdrag een belofte wordt ingelost. De vele vernieuwingen in het Grondwettelijk Verdrag (o.a. de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, een Europese diplomatieke dienst, de gestructureerde samenwerking, uitbreiding van EVDB-missies met onder andere terrorismebestrijding, het Europees Defensie Agentschap) geven de Unie de instrumenten die nodig zijn om de door velen gedeelde ambitie tot een grotere rol van de Unie op het wereldtoneel om te zetten in concrete daden.

De externe agenda van de Unie kent vele aspecten. Bepaalde delen van het externe optreden van de Unie waren ten tijde van het EG-Verdrag en het EU-Verdrag reeds ondergebracht in de communautaire structuren. Andere delen, zoals het GBVB en het EVDB, zijn in belangrijke mate intergouvernementeel van aard. Over het versterken van al deze dimensies is uitgebreid gediscussieerd. De Conventie was eenduidig in de boodschap dat meer coherentie en slagkracht op al deze terreinen moest worden gerealiseerd. De manier waarop lidstaten dat wilden bereiken liep echter sterk uiteen.

De conclusies van aparte werkgroepen in de Conventie over deze thema's [Extern beleid en Defensie] zijn uiteindelijk veelal overgenomen in het Grondwettelijk Verdrag. Op alle terreinen van het extern optreden van de Unie zijn belangrijke wijzigingen doorgevoerd. De belangrijkste innovatie is die van de minster van Buitenlandse Zaken van de Unie (EMBZ), die coherentie en slagkracht in het externe beleid van de Unie dient te waarborgen.

Verdere institutionele wijzigingen betreffen de besluitvormingsmethode. Voor de handelspolitiek is de betrokkenheid van het Europees Parlement vergroot. Voor het GBVB is de toepassing van besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid verruimd.

Materieel zijn er ook wijzigingen, zoals de expliciete aandacht voor beleidscoherentie bij ontwikkelingssamenwerking (zie toelichting bij artikel III-316) en het bevorderen van goed mondiaal bestuur. Binnen het EVDB zijn bepalingen opgenomen over wederzijdse bijstand en solidariteit (zie toelichting bij artikelen III-309 tot en met III-312). De regering meent dat uiteindelijk over de gehele breedte van het extern optreden een goed resultaat is behaald.

De basis voor het externe optreden van de Unie wordt gelegd in artikel I-3, vierde lid en I-40 van het Grondwettelijk Verdrag. Daar krijgt het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid een expliciete plaats als gedeelde bevoegdheid van de Unie en de lidstaten (zie ook artikel I-16).

De andere aspecten van het extern optreden van de Unie - zoals de gemeenschappelijke handelspolitiek, het Europees veiligheids - en defensiebeleid en de ontwikkelingssamenwerking- worden ook genoemd in Deel I. De uitwerking van deze terreinen van extern optreden vindt plaats in Titel V, artikel III-292 en volgende, van het Grondwettelijk Verdrag. Daar vindt de invulling plaats van de verscheidene bevoegdheden van de Unie op het vlak van extern optreden.

Het extern optreden van de Unie heeft in de Conventie ruime aandacht gehad. In aparte werkgroepen is over het extern optreden in het algemeen en over het Europees defensiebeleid in het bijzonder gesproken. Uiteindelijk kwam er uit de Conventie een breed pakket bepalingen over het extern optreden, dat de Unie slagvaardiger en transparanter moet laten optreden.