Algemeene Bepalingen

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Geluk van het Volk door middel van wijsheid der Wetgeving

Het geluk van een Volk wordt voornamelijk bevorderd door de wijsheid der Wetten, welke het zich geeft.

2.

Wetgeving op basis van de Ondervinding, Geest en Zeden der Natie

De Wetten moeten altijd gegrond zijn op de Ondervinding, en, zoo veel mogelijk, zijn ingericht naar den Geest en de Zeden der Natie, en de bijzondere omstandigheden des Lands.

3.

Beginsel der Maatschappelijke Vrijheid

Het groote beginsel der Maatschappelijke Vrijheid bestaat daarin, dat de Wet gelijke Regten verzekere en gelijke Pligten oplegge aan alle Burgers, zonder onderscheid van rang of geboorte.

4.

Geen heerschende Kerk

Er bestaat geene heerschende Kerk. Het Gouvernement verleent gelijke bescherming aan alle Kerkgenootschappen, binnen dit Gemeenebest bestaande. Het handhaaft dezelve bij de ongestoorde uitoefening van hunne kerkelijke Instellingen, geschikt ter verbreiding van Godsdiensitge beginselen en goede zeden, mitsgaders tot handhaving der goede orde. Het neemt de nodige maatregelen, welke de bijzondere omstandigheden van deze Kerkgenootschappen, met betrekking tot de openbare rust en algemeene welvaart vereischen.

5.

Huisregt

Ieder is onschendbaar in zijne woning; zijns ondanks mag niemand in dezelve treden, ten zij uit krachte van een bevel der daartoe bevoegde Magt.

6.

In hechtenis name

Niemand kan in hechtenis genomen worden, dan volgens de Wet; niemand kan veroordeeld worden, dan door den Regter, dien de wet hem toekent, en na alle middelen van verdediging, bij de Wet bepaald, te hebben gehad.

7.

Regt van verzoek en voordragt

Ieder Burger heeft het regt, om verzoeken of voordragten aan de daartoe bevoegde Magt schriftelijk intedienen, mits die persoonlijk, en niet uit naam van meerdere, worden onderteekend, welk laatste alleen zal kunnen geschieden door of van wegens Ligchamen, wettig zamengesteld en als zoodanig erkend, en dan nog niet anders dan over onderwerpen, tot derzelver bepaalde werkzaamheden behoorende.

8.

Herziening alle wetten sinds 1795, vervoeging bij Wetgever bij schade

Alle algemene Wetten en Bepalingen, welke sedert den jare 1795 hebben gedrogeerd aan de pecuniële waarde van Eigendommen of wettige verkregene Bezittingen zijn aan herziening onderworpen. De vertogen, uit dit artikel voortvloeijende, kunnen geen onderwerp van regtelijk onderzoek uitmaken. Ieder die door dezelve Wetten is benadeeld geworden, kan zich deswegens aan den Wetgever vervoegen, die, naar bevind van zaken en op de meest billijke wijze, op de bovengemelde verzoeken zal dipsoneeren.

9.

Afschaffing Leenregt, schadeloosstelling grondeigenaren bij nadeel

Het Leenregt blijft afgeschaft. Alle Goederen worden gehouden voor allodiaal. De Wet zorgt voor de billijke en regtmatige schadeloosstelling der grondeigenaren, welke door deze afschaffing blijkbaar zijn benadeeld geworden.