Artikel 23: Het openbaar en bijzonder onderwijs

22
Artikel 23
24
  • 1. 
    Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  • 2. 
    Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  • 3. 
    Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  • 4. 
    In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  • 5. 
    De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  • 6. 
    Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  • 7. 
    Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  • 8. 
    De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
 

In andere talen:

English "English"
Français "Français"
Deutsch "Deutsch"
Español "Español"
 

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting

Lerares voor de klas

De overheid heeft de zorg voor het onderwijs. Het geven van onderwijs is vrij, maar de overheid houdt er wel toezicht op. Eén en ander is in de wet geregeld, evenals het toezicht op het onderwijs en de vormen van onderwijs. Daarbij moet de wetgever wel rekening houden met ieders godsdienst of levensovertuiging.

In of vanuit iedere gemeente moet gelegenheid zijn openbaar basisonderwijs te volgen. Bij uitzondering kan dat ook in een niet openbare school plaatsvinden, bijvoorbeeld bij scholen waar het bijzonder en openbaar onderwijs samenwerken.

In het artikel is ook het bijzonder onderwijs zeker gesteld. Het gaat dan om de vrijheid van richting van het bijzonder onderwijs en om de financiële gelijkstelling van het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs. De eisen waar het openbare en bijzonder onderwijs aan moet voldoen moeten in een wet staan.

De regering moet ieder jaar aan de Staten-Generaal een verslag geven over de toestand van het onderwijs.

Voor de diverse vormen van onderwijs is uitgebreide wetgeving tot stand gekomen, bijvoorbeeld de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs, en de Wet studiefinanciering 2000. Verder is er een wet die het toezicht op het onderwijs regelt.

2.

Formele toelichting

In artikel 23 is vastgelegd dat het onderwijs voorwerp van overheidszorg is, en dat het geven van onderwijs vrij is, behoudens het bij de wet te regelen toezicht van de overheid. Het derde en vierde lid bevatten de grondwettelijke waarborgen met betrekking tot het openbaar onderwijs.

Het derde lid bepaalt dat het openbaar onderwijs bij de wet wordt geregeld, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging.

In het vierde lid zijn de voorschriften met betrekking tot de aanwezigheid van openbaar algemeen vormend lager onderwijs omschreven.

Voorts bevat het grondwetsartikel waarborgen voor het bijzonder onderwijs, met name betreffende de vrijheid van richting van het bijzonder onderwijs en de financiële gelijkstelling van het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs dat aan bij de wet te stellen bekostigingsvoorwaarden voldoet.

Tenslotte wordt aan de regering de plicht opgelegd jaarlijks aan de Staten-Generaal verslag te geven van de staat van het onderwijs.

Voor de diverse vormen van onderwijs is uitgebreide wetgeving tot stand gekomen, bijvoorbeeld de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs, en de Wet studiefinanciering 2000.

3.

In eenvoudig Nederlands

  • 1. 
    De regering zorgt voor het onderwijs.
  • 2. 
    Iedereen mag onderwijs geven. Maar de overheid houdt toezicht op het onderwijs. En de overeid moet ook onderzoeken of de mensen die onderwijs geven dat ook goed kunnen. In de wet staat hoe de overheid dit doet.
  • 3. 
    De overheid zorgt voor openbaar onderwijs. Openbaar onderwijs is onderwijs voor iedereen. Ook voor mensen met een godsdienst of levensovertuiging. Om de wet staat hoe de overheid zorgt voor het openbaar onderwijs.
  • 4. 
    In elke gemeente moeten genoeg openbare basisscholen zijn. Als dit niet zo is, moet de overheid ervoor zorgen dat kinderen op een andere manier openbaar onderwijs krijgen. Dit staat in de wet.
  • 5. 
    In de wet staan de eisen die de overheid moet stellen aan de kwaliteit van het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs. Het bijzonder onderwijs eruit ziet.
  • 6. 
    De eisen voor de kwaliteit van het basisonderwijs zijn zo opgeschreven, dat de kwaliteit van het bijzonder onderwijs en het openbaar onderwijs hetzelfde kan zijn. Het bijzonder onderwijs mag wel zelf bepalen welke boeken en andere leermiddelen het gebruikt. Ook mag het bijzonder onderwijs zelf bepalen welke onderwijzers lesgeven.
  • 7. 
    Bijzondere basisscholen krijgen van de overheid evenveel geld als openbare basisscholen. In de wet staat hoeveel geld het bijzonder voortgezet onderwijs van de overheid krijgt.
  • 8. 
    De regering stuurt ieder jaar een verslag aan de Eerste en Tweede Kamer. Daarin staat hoe het gaat met de kwaliteit van het onderwijs.

Uitleg

In artikel 23 van de Grondwet staat een echt Nederlands grondrecht. Dit grondrecht bestaat in de meeste landen van de wereld niet.

Wat staat er in artikel 23? In artikel 23 staat dat we in Nederland twee soorten onderwijs hebben, openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs:

  • openbaar onderwijs is er voor iedereen. Voor mensen met of zonder godsdienst of levensovertuiging. De overheid zorgt voor het openbaar onderwijs.
  • bijzonder onderwijs is voor mensen met een godsdienst of een levensovertuiging.

Echt Nederlands is dat de overheid beide soorten onderwijs betaalt. In veel landen betaalt de overheid alleen, onderwijs voor iedereen. In Nederland betaalt de overheid ook bijzonder onderwijs.

Iedereen in Nederland mag onderwijs geven. Dit is de vrijheid van onderwijs. Als een groep ouders een aparte christelijke basisschool wil voor hun kinderen, dan moet de overheid die school betalen. In de wet staat hoeveel leerlingen hiervoor nodig zijn.

Op deze manier zijn in de vorige eeuw heel veel verschillende soorten christelijke scholen gebouwd. Ook ouders van andere godsdiensten kunnen een school beginnen. Zo zijn er de afgelopen jaren bijvoorbeeld ook islamitische scholen gekomen. De overheid betaalt al deze scholen.

Maar de overheid kijkt ook of deze scholen wel goed onderwijs geven. Dit doet de Inspectie van het Onderwijs.

De overheid moet niet alleen zorgen voor dat ouders bijzonder onderwijs kunnen beginnen. De overheid moet ook zorgen dat er in iedere gemeente genoeg openbare basisscholen zijn. Als dat niet kan, moet de overheid ervoor zorgen dat kinderen op een andere manier openbaar onderwijs kunnen krijgen. Bijvoorbeeld door bussen te laten rijden naar een openbare school in de buurt. Of door een kind openbaar onderwijs te geven in een bijzondere school.

De Inspectie van het Onderwijs onderzoekt of het onderwijs goed is. In de wet staan de kwaliteitseisen voor het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs onderzoekt of scholen aan deze kwaliteitseisen voldoen.

De Inspectie van het Onderwijs onderzoekt dus ook de kwaliteit van het bijzonder onderwijs. Maar de Inspectie mag zich niet bemoeien met zaken die met de godsdienst of de levensovertuiging te maken hebben. Een voorbeeld: een bijzondere school gebruikt boeken waarin staat dar God of Allah de mens heeft gemaakt. De Inspectie mag dan niet zeggen dat dat niet goed is. Ook mag de Inspectie zich niet bemoeien met de onderwijzers van het bijzonder onderwijs.

Openbare en bijzondere scholen krijgen van de overheid evenveel geld. De overheid geeft niet alleen geld aan bijzondere basisscholen, maar ook aan bijzonder voortgezet onderwijs (vmbo's, havo's, vwo's, gymnasia), bijzonder beroepsonderwijs (ROC's, AOC's) en bijzonder hoger onderwijs (hbo's, universiteiten).

  • 2. 
     

5.

Achtergronden

6.

Literatuur

Ter oriëntatie

  • De Grondwet onder redactie van P.W.C. Akkermans en A.K. Koekkoek, Artikel 23, blz. 354 t/m 393.
  • Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Van der Pot (bewerkt door D.J. Elzinga, R. de Lange), 15e druk, Onderwijs, blz 463 t/m 478.
  • H. Drop, Algemene inleiding onderwijsrecht, 1986
  • D. Mentink, Orde in onderwijsbeleid : de wettelijke regeling van deugdelijkheidseisen als grondwettelijk probleem, 1989
  • D. Mentink, Openbaar onderwijs als kerntaak van overheidszorg: de ontstaansgeschiedenis van artikel 23, lid 4 van de Grondwet en de bestuurlijke vormgeving van het openbaar onderwijs, 1995

Wetenschappelijk

  • Grondrechten en rechtsbescherming in Nederland, P.W.C. Akkermans, C.J. Bax, L.F.M. Verhey, 3e druk, Onderwijs, blz. 86 t/m 97.
  • P.W.C. Akkermans, Onderwijs als constitutioneel probleem, 1980, blz. 136 e.v.
  • B.P. Vermeulen, Ontwikkelingen inzake het grondwetsartikel, NTRO-special, Jaarboek Onderwijsrecht 1990, blz. 36 e.v.
  • S.E. Zijlstra, Vrijheid van richting in het onderwijsrecht, 1989
  • H.L.C. Hermans en A. Postma (red.), Onderwijs en grondwet: verslag van een studiemiddag over wetsontwerp 19032: "Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van bepalingen over onderwijs", 1986

7.

Praktijkvragen

Via de Rijksoverheid komen veel vragen over onderwijs binnen, zoals:

Hebt u een andere vraag? Bel 1400 (U betaalt alleen de gebruikelijke belkosten).

8.

Onderwijsopdrachten

..

9.

Toelichting Memorie van Toelichting

MEMORIE VAN TOELICHTING

Inleiding

Het onderwerp samenwerkingsschool kent een lange voorgeschiedenis. Al tientallen jaren is de vorming van scholen met een samenwerkingskarakter onderwerp van discussie, mede als gevolg van bijvoorbeeld daling van leerlingaantallen, schaalvergrotingsprocessen, andere financieringswijzen en wensen tot onderwijskundige samenwerking. Met dit wetsvoorstel wordt duidelijk dat de Grondwet zich niet verzet tegen een wettelijke regeling voor de samenwerking tussen openbaar en bijzonder onderwijs binnen één instelling. In deze memorie van toelichting wordt onder een samenwerkingsschool verstaan een school die zowel openbaar als bijzonder onderwijs verzorgt.

Hoewel samenwerkingsscholen krachtens de huidige wettelijke bepalingen niet mogelijk zijn, bestaan er al geruime tijd vele tientallen scholen die in de praktijk toch als zodanig functioneren en die pretenderen openbaar én bijzonder onderwijs aan te bieden. Er is sprake van een maatschappelijke behoefte met betrekking tot samenwerkingsscholen. Deze behoefte kan overigens op verschillende motieven berusten, zoals het voorzien in voldoende leerlingenpotentieel, principiële redenen of het aanbieden van een breder onderwijsaanbod. De regering ziet het in het licht van de constitutionele opdracht ten aanzien van de zorg voor het onderwijs, als haar taak en als taak van de wetgever om, voor zover de Grondwet dat toestaat, de voorwaarden te verschaffen tot het in vrijheid ontplooien van deze behoefte.

Het huidige wettelijke stelsel brengt mee dat scholen die beogen openbaar én bijzonder onderwijs aan te bieden, formeel als een openbare of als een bijzondere school moeten worden beschouwd. Het bijzonder onderwijs is vrij om scholen op te richten waarin onderwijs van verschillende richtingen wordt aangeboden (dus waarbij in één school wordt samengewerkt). Het openbaar onderwijs heeft geen mogelijkheid om op die manier samen te werken. In de praktijk wordt daarom wel gekozen voor omzetting naar algemeen bijzonder onderwijs of voor andere vormen van samenwerking. Door omzetting van openbaar onderwijs naar algemeen bijzonder onderwijs is in diverse gemeenten het openbaar onderwijs inmiddels verdwenen. Zo is in de gemeente Deventer recentelijk een (samenwerkings)school algemeen bijzonder, rooms-katholiek en protestants-christelijk tot stand gekomen, nadat eerst het openbare Alexander Hegius lyceum was omgezet naar een algemeen bijzondere school. Via de statuten is getracht om de materiële kenmerken van het openbaar onderwijs te waarborgen, maar dat neemt niet weg dat in de gemeente Deventer geen openbaar onderwijs meer aanwezig is.

In het Regeerakkoord op basis waarvan het vorige kabinet is aangetreden, is een wettelijke regeling van de bestuurlijke vormgeving van de samenwerkingsschool aangekondigd (Kamerstukken II 1993/94, 23 715, nr. 11, blz. 29). Vervolgens is op 10 april 1995 het voorstel van Wet tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs inzake samenwerkingsscholen ingediend (Kamerstukken II 1994/95, 24 137, nrs. 12). Dit voorstel beoogde het mogelijk te maken dat openbare en bijzondere scholen institutioneel fuseren tot één school, die openbaar en bijzonder onderwijs verzorgt. Tijdens de behandeling van dit voorstel is het ingrijpend gewijzigd. Allereerst is het voorstel gesplitst in een voorstel inzake de bestuursvorm van het openbaar onderwijs (24 138) en een afgeslankt voorstel inzake de samenwerkingsschool (24 137). Nadien zijn de publiekrechtelijke varianten voor de bestuursvorm van de samenwerkingsschool uit het voorstel geschrapt. Op grond van de wet zoals die het Staatsblad heeft bereikt, is de mogelijkheid tot samenwerking tussen openbaar en bijzonder onderwijs beperkt tot samenwerking op bestuurlijk niveau (Wet van 23 april 1998 tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs inzake bestuurlijke fusie tussen openbare en bijzondere scholen, Stb. 294). Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat tegen de institutionele variant grondwettelijke bezwaren bestonden, met name omdat in de samenwerkingsschool het openbaar onderwijs niet van overheidswege zou worden gegeven en de vrijheid van richting niet zou zijn gewaarborgd daar de benoemingsvrijheid van het bijzonder onderwijs in gevaar zou kunnen komen.

De regering vindt het wenselijk ruimte te bieden aan maatschappelijke initiatieven tot samenwerking tussen openbaar en bijzonder onderwijs en meent dat hiervoor een wettelijke regeling tot stand moet komen. Overeenkomstig het Regeerakkoord is aan de Onderwijsraad gevraagd hoe artikel 23 van de Grondwet kan worden gewijzigd om de bestuurlijke vormgeving van de samenwerkingsschool wettelijk te kunnen regelen, zodanig dat aan grondwettelijke bezwaren kan worden tegemoet gekomen (Kamerstukken II 1997/98, 26 024, nr. 10, blz. 63). Het unanieme advies van de Onderwijsraad, getiteld «Samen verder», is op 18 januari 2000 aan de Tweede Kamer aangeboden (brief van 18 januari 2000, nr. WJZ/2000/2197 (1459)). In de bijlage bij het advies van de Onderwijsraad, getiteld «De samenwerkingsschool in parlementair-historisch perspectief», is een overzicht gegeven van de discussie die tot nu toe is gevoerd over dit onderwerp. Op 6 oktober 2000 is de reactie van het kabinet op dit advies aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2000/2001, 27 400 VIII, nr. 3). Deze reactie is op 18 januari 2001 besproken tijdens een Algemeen Overleg met de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (kamerstukken II 2000/2001, 27 400 VIII, nr. 62).

Gegeven de wens te komen tot een wettelijke regeling voor de samenwerkingsschool, ziet de regering het advies van de Onderwijsraad als een eerste stap om dit uiteindelijk mogelijk te maken. Dit wetsvoorstel, dat bijna gelijkluidend is aan het voorstel van de Onderwijsraad, strekt ertoe in artikel 23, vierde lid, van de Grondwet een grondslag te creëren voor een wettelijke regeling van de samenwerkingsschool. Dit geschiedt door in de eerste volzin van artikel 23, vierde lid, van de Grondwet te bepalen dat in elke gemeente van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs wordt gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen en in de tweede volzin dat volgens bij de wet te stellen regels afwijking van deze bepaling kan worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school. Met dit voorstel is enerzijds gewaarborgd dat het duale onderwijsbestel gehandhaafd blijft, terwijl anderzijds uit de Grondwet blijkt dat openbaar onderwijs niet altijd in openbare scholen hoeft te worden gegeven. Het advies van de Onderwijsraad om in de eerste volzin het woord «voldoend» te schrappen omdat het overbodig zou zijn, heeft de regering, gelet op het advies van de Raad van State niet overgenomen. De Raad leidt uit de verhouding tussen het vierde en het vijfde lid van artikel 23 van de Grondwet af dat de term «voldoend» in het vierde lid zijn betekenis behoudt, nu hij betrekking lijkt te hebben op de zekerstelling van kwalitatief goed openbaar onderwijs.

Grondwetswijziging

Voor de regering is handhaving van het bestaande duale onderwijsbestel uitgangspunt. Dit betekent dat de bestaande situatie waarin uitsluitend openbaar en bijzonder onderwijs voorkomen, onveranderd blijft. Dit uitgangspunt laat onverlet dat de regering ruimte wil kunnen bieden aan maatschappelijke initiatieven voor samenwerking tussen openbaar en bijzonder onderwijs binnen één school en de mogelijkheid hiertoe ook in de Grondwet tot uitdrukking wil laten komen.

Het wetsvoorstel opent in het nieuwe vierde lid van artikel 23 Grondwet de mogelijkheid om bij wet regels te stellen voor de samenwerkingsschool. Het voorstel laat de tekst van artikel 23 van de Grondwet, en in het bijzonder het vierde lid, zoveel mogelijk in stand. Het voorstel laat de uitleg van het vierde lid, voor zover ongewijzigd, dan ook volledig overeind.

De eerste volzin van het voorgestelde vierde lid bevat de belangrijke waarborg dat in elke gemeente voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs moet worden gegeven in «een genoegzaam aantal openbare scholen». In de huidige tekst van de eerste volzin van het vierde lid wordt gesproken over «een genoegzaam aantal scholen». In de context van het huidige vierde lid is duidelijk dat hiermee openbare scholen worden bedoeld.

De voorgestelde tweede volzin opent de mogelijkheid bij wet af te wijken van het bepaalde in de eerste volzin, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school. Met deze tweede volzin geeft de Grondwet aan dat «afwijking» van de eerste volzin mogelijk is. De eerste volzin moet dan ook in samenhang worden gelezen met de tweede volzin. De tweede volzin verduidelijkt dat niet elke gemeente een openbare school hoeft te hebben. De tweede volzin bevat daarnaast, evenals nu het geval is, de waarborg dat niemand openbaar onderwijs mag worden onthouden. De invulling van de huidige tweede volzin heeft de Grondwet overgelaten aan de wetgever. Zo heeft de wetgever door het geheel van stichtings- en opheffingsnormen uitgesloten dat in elke gemeente een openbare school is. Voor het primair onderwijs is erin voorzien dat een gemeentebestuur vergoedingen kan verlenen voor het bezoek aan een elders gelegen openbare school indien er te weinig leerlingen zijn om zelfstandig een openbare school in stand te houden. Ook een samenwerkingsschool kan een toelaatbare voorziening zijn omdat daardoor gelegenheid wordt gegeven tot het ontvangen van openbaar onderwijs. De voorgestelde tweede volzin van het vierde lid beoogt misverstand hierover uit te sluiten door in de Grondwet tot uitdrukking te brengen dat openbaar onderwijs niet altijd in een openbare school hoeft te worden gegeven.

Uit het vorenstaande blijkt dat het voorstel de kenmerken van het duale onderwijsbestel die in artikel 23 van de Grondwet liggen besloten, in stand laat. Voor het bijzonder onderwijs gaat het met name om het waarborgen van de vrijheid van richting en inrichting en voor het openbaar onderwijs om het karakter en het aanbod van openbaar onderwijs. Het wetsvoorstel doet geen afbreuk aan deze waarborgen.

Reikwijdte van artikel 23, vierde lid

De invulling van de tweede volzin van het voorgestelde artikel 23, vierde lid, van de Grondwet geschiedt door de wetgever. Hoewel de inhoud van een wetsvoorstel inzake samenwerkingsscholen daarom strikt genomen thans nog niet aan de orde is, wil de regering op hoofdlijnen ingaan op de inhoud van een wettelijke regeling, zoals de regering die voor ogen heeft. Een belangrijk algemeen uitgangspunt daarbij is dat een wettelijke regeling een aantal waarborgen moet bevatten om ervoor te zorgen dat openbaar en bijzonder onderwijs in gelijkwaardigheid tot hun recht kunnen komen binnen een samenwerkingsschool. Een wettelijke regeling zal de positie van het openbaar onderwijs en de vrijheden van het bijzonder onderwijs voldoende moeten respecteren.

  • a. 
    In welke gevallen is oprichting van een samenwerkingsschool mogelijk?

Zoals hiervoor is opgemerkt, is het in het licht van de constitutionele opdracht ten aanzien van de zorg voor het onderwijs, de taak van de regering en van de wetgever om, voor zover de Grondwet dat toestaat, de voorwaarden te creëren voor het in vrijheid ontplooien van de behoefte met betrekking tot vormen van samenwerking tussen openbare en bijzondere scholen. Naar het oordeel van de regering zal de wetgever, mits het ontvangen van openbaar onderwijs is gewaarborgd, het ontstaan van samenwerkingsscholen noch moeten beperken noch moeten stimuleren.

Samenwerkingsscholen kunnen een alternatief zijn voor de scholen die thans pretenderen openbaar én bijzonder onderwijs aan te bieden. Tevens kunnen zij een functie hebben voor scholen die met opheffing worden bedreigd. Maar ook om andere redenen kan er behoefte zijn aan een samenwerkingsschool, bijvoorbeeld om principiële redenen of om een breder onderwijsaanbod te kunnen garanderen. Ook kan door het stichten van een samenwerkingsschool in voorkomend geval worden voorkomen dat het openbaar onderwijs verdwijnt, namelijk in die situatie waarin een bestaande openbare school zonder wettelijke mogelijkheid omwille van de samenwerking met een bijzondere school zou worden omgezet naar een bijzondere (algemeen bijzondere) school.

  • b. 
    Oprichting

De regering is van oordeel dat een samenwerkingsschool uitsluitend door twee partijen in het leven geroepen mag worden. In een wettelijke regeling zal daarom tot uitdrukking komen dat naast een gemeentebestuur, op gelijke voet een vertegenwoordiger van het bijzonder onderwijs betrokken moet zijn bij de oprichting en instandhouding van een samenwerkingsschool. Het zou in strijd zijn met het duale onderwijsbestel indien een gemeentebestuur of een organisatie voor bijzonder onderwijs eenzijdig zou kunnen besluiten tot oprichting van een samenwerkingsschool.

Tijdens het Algemeen Overleg op 18 januari 2001 bleek dat er bij enkele fracties in de Tweede Kamer zorg bestaat over de mogelijkheid om afzonderlijke bijzondere of openbare scholen op te richten in nieuwbouwwijken (Vinexlocaties) wanneer daar reeds een samenwerkingsschool is gesticht. De regering heeft begrip voor deze zorg. In de wettelijke regeling voor samenwerkingsscholen zal worden voorzien in een regeling zodat de aanwezigheid van een samenwerkingsschool, de oprichting van afzonderlijke scholen in nieuwbouwwijken niet onnodig belemmert.

  • c. 
    Privaatrechtelijk karakter samenwerkingsschool

Wat betreft de rechtsvorm brengt het principe van gelijkwaardige samenwerking mee dat de samenwerkingsschool niet in een publiekrechtelijke rechtsvorm moet worden gegoten. Aan een samenwerkingsschool ligt de gedachte ten grondslag dat de samenwerkende partijen de vrijheid moeten hebben om een voor allen bevredigende oplossing te bereiken. Ook de rechtsvorm van een vereniging is niet wenselijk omdat in het verenigingsrecht essentieel is dat de algemene vergadering en niet het bestuur het hoogste orgaan is. Voorschriften over overheidsinvloed op het bestuur passen daar niet bij. De regering acht daarom de stichting de geëigende rechtsvorm voor de samenwerkingsschool.

  • d. 
    Rechtspositie

Uit de jurisprudentie blijkt dat niet de rechtsvorm, maar de mate van overheidsinvloed bepalend is voor de rechtspositie van werknemers. Dit betekent dat het personeel voor zover dat ten behoeve van het openbaar onderwijs werkzaam is, ambtenaar is. Wanneer een personeelslid van een samenwerkingsschool zowel voor het openbaar onderwijs als het bijzonder onderwijs werkzaam is, zal dit personeelslid bij het achterwege laten van een wettelijke regeling zowel als ambtenaar als krachtens arbeidsovereenkomst werkzaam zijn. Omdat dit tot praktische problemen leidt, is het wenselijk te regelen dat het personeel binnen de samenwerkingsschool werkzaam is op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

  • e. 
    Toezichthouders

Bij de oprichting van een samenwerkingsbestuur zal naast een gemeentebestuur altijd een vertegenwoordiger van het bijzonder onderwijs betrokken zijn. Het is uiteraard mogelijk dat de oprichtende rechtspersonen of daartoe in het leven geroepen rechtspersonen blijven toezien op het behoud van de identiteit. Overeenkomstig hetgeen tijdens het Algemeen Overleg op 18 januari 2001 is opgemerkt, zullen in de wettelijke regeling waarborgen worden opgenomen ten aanzien van het toezicht op zowel het openbaar als het bijzonder onderwijs. Er zal in worden voorzien dat de oprichtende of de daartoe in het leven geroepen rechtspersonen toezicht houden op het behoud van het openbare karakter respectievelijk de identiteit, overeenkomstig hetgeen is bepaald in de statuten van de stichting die de samenwerkingsschool in stand houdt.

  • f. 
    Toegankelijkheid

Bij de toelating van leerlingen tot de samenwerkingsschool, moet de algemene toegankelijkheid van het openbaar onderwijs gewaarborgd zijn. Algemene toegankelijkheid tot de school is een wezenskenmerk van het openbaar onderwijs. Daarom zullen binnen een samenwerkingsschool voor de toelating tot het openbaar onderwijs dezelfde criteria moeten gelden als bij toelating tot een openbare school.

  • g. 
    Het onderwijs

Het bevoegd gezag is binnen de wettelijk vastgestelde deugdelijkheidseisen, zelf verantwoordelijk voor het onderwijs op schoolniveau. Ook bij een samenwerkingsschool zorgt het schoolbestuur ervoor dat adequaat openbaar en bijzonder onderwijs wordt gegeven. Dit is bijvoorbeeld mogelijk door middel van het schoolplan, dat daartoe waarborgen kan bevatten.

  • h. 
    Personeelsbeleid

Op grond van artikel 23, zesde lid, van de Grondwet wordt de aanstelling van de onderwijzers geëerbiedigd als vrijheid voor het bijzonder onderwijs. Bij het vaststellen van deugdelijkheidseisen en bekostigingsvoorwaarden mag hierop geen inbreuk worden gemaakt. Dit behoort ook het uitgangspunt te zijn bij het personeelsbeleid van een samenwerkingsschool. Een wettelijk vetorecht, zoals door de Onderwijsraad voorgesteld ten aanzien van nieuw personeel om te voorkomen dat openbaar respectievelijk bijzonder onderwijs wordt geconfronteerd met personeelsleden die het betreffende onderwijs niet geloofwaardig kunnen uitdragen, is niet wenselijk. Partijen kiezen gezamenlijk voor een samenwerkingsschool en kunnen onderling afspraken maken over het te voeren personeelsbeleid.

De problematiek rond levensbeschouwing en denominatie in relatie tot benoeming en ontslag van personeel is ook bij de totstandkoming van de eerdergenoemde wet van 23 april 1998 waarmee de bestuurlijke fusie tussen openbare en bijzondere scholen in de onderwijswetgeving is geregeld, aan de orde geweest. De situatie bij de samenwerkingsschool is niet anders. In beide gevallen is bij de benoeming van personeel sprake van bestuursaanstelling, waardoor in beide gevallen dezelfde veronderstelde problemen aan de orde kunnen zijn. Het ligt dan ook in de rede om in de wettelijke regeling van de samenwerkingsschool op dit punt (bijvoorbeeld voor het zittende personeel van scholen waaruit een samenwerkingsschool voorkomt) dezelfde voorzieningen op te nemen als in genoemde wettelijke regeling.

  • i. 
    Rol van de ouders

Ouders hebben het recht om hun kinderen onderwijs te geven overeenkomstig hun overtuiging en geloof. Voor ouders is het van wezenlijk belang om het onderwijs te kunnen kiezen dat voldoet aan hun behoefte. De Wet medezeggenschap onderwijs 1992 regelt de onderwerpen waarover ouders advies- of instemmingsbevoegdheid hebben. Overeenkomstig hetgeen tijdens het Algemeen Overleg op 18 januari 2001 is opgemerkt, zal bij de wettelijke regeling van de samenwerkingsschool de rol van de ouders worden versterkt door te voorzien in een instemmingsrecht in plaats van een adviesrecht bij de besluitvorming over de totstandkoming van een samenwerkingsschool.

Samenhang met andere beleidsontwikkelingen

Zoals aangegeven is de onderhavige grondwetswijziging bedoeld om tegemoet te komen aan de constitutionele bezwaren bij de Tweede Kamer ten aanzien van het eerder ingediende wetsvoorstel over de samenwerkingsschool. Deze grondwetswijziging en de in aansluiting daarop te formuleren nadere wettelijke regeling van de samenwerkingsschool beogen belemmeringen weg te nemen voor het realiseren van een maatschappelijke behoefte om te komen tot samenwerkingsscholen.

Naast deze specifieke behoefte constateert de regering dat er ook in meer algemene zin een maatschappelijke behoefte bestaat aan instrumenten om de samenstelling van het scholenbestand waar nodig in overeenstemming te brengen met veranderende voorkeuren van ouders naar vormen van verlangd onderwijs.

Eén van die instrumenten betreft de concrete uitwerking van het voornemen van de regering om in het primair en voortgezet onderwijs het mogelijk te maken dat ouders door middel van het overleggen van voldoende ouderverklaringen de door hen gewenste school kunnen realiseren. Bij de beoordeling of de school voor publieke bekostiging in aanmerking komt, blijft de overheidstoets beperkt tot de beoordeling of er voldoende verklaringen zijn die voldoen aan een aantal wettelijke vereisten. De overheid toetst daarbij in tegenstelling tot de huidige situatie niet langer aan het richtingsbegrip. Met de introductie van de ouderverklaringen kunnen groepen van ouders, los van de gevestigde aanbieders van het onderwijs, zelf het initiatief nemen om tot stichting van de door hun gewenste school te komen. Deze vorm van richtingvrije planning is ondermeer door de Onderwijsraad getypeerd als de meest authentieke invulling van de grondwettelijke vrijheid van richting.

Het instrument van ouderverklaringen verruimt de mogelijkheden om tot nieuwe voorzieningen te komen, maar de regering werkt ook aan de verruiming van mogelijkheden om de grondslag/richting van bestaande scholen aan te passen aan veranderende voorkeuren. Bij deze mogelijkheden is én blijft het uitgangspunt dat het bevoegd gezag beslist over een eventuele verandering van de grondslag.

Genoemde uitwerking vindt langs de volgende lijnen plaats:

Schoolbesturen van scholen voor primair onderwijs, die hun grondslag na overleg met ouders en leerkrachten, willen wijzigen (het zogeheten kleurverschieten) komen nu alleen voor voortzetting van rijksbekostiging in aanmerking wanneer de scholen qua leerlingaantal voldoen aan de wettelijke stichtingsnorm. Deze norm wordt versoepeld, in die zin dat de voortzetting van de bekostiging wordt gerelateerd aan de lagere instandhoudingsnorm. In de praktijk betekent dit dat eerder de stap kan worden gezet naar omzetting naar een andere richting die beter aansluit bij veranderende voorkeuren/inzichten.

Met inachtneming van de bevoegdheid van het bevoegd gezag, krijgen ouders een sterkere invloed op de besluitvorming betreffende de verandering van de grondslag. Het bevoegd gezag zal zich bij de besluitvorming terzake nadrukkelijker dan nu het geval is, rekenschap moeten geven van het standpunt van de ouders terzake.

De door de regering nagestreefde invoering van de hiervoor geschetste instrumenten, doet niets af aan de noodzaak een wettelijke regeling te treffen voor de samenwerkingsschool. Immers zo lang een dergelijke regeling ontbreekt, kunnen, ook indien de wens daartoe bij betrokkenen nadrukkelijk leeft, deze instrumenten niet worden benut om een samenwerkingsschool te realiseren.

De Minister-President,

Minister van Algemene Zaken,

W. Kok

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

K. Y. I. J. Adelmund

10.

Ontwikkeling artikel

1798

De Maatschappij wil, dat de verlichting en beschaaving onder haare Leden zoo veel mooglijk bevorderd worde.

1801

Het Staats-Bewind zorgt door eene daartoe geschikte inrichting voor de bevordering van Kunsten, Wetenschappen, Opvoeding, Koophandel, Landbouw en Fabrieken.

1814

Ter bevordering van Godsdienst, als een vaste steun van den Staat en ter uitbreiding van kennis, is het openbaar onderwijs op de hooge, middelbare en lage scholen een aanhoudend voorwerp van de zorge der Regering. De Souvereine Vorst doet van den staat dier scholen jaarlijks aan de Staten Generaal een uitvoerig verslag geven.

1815

Het openbaar onderwijs is een aanhoudend voorwerp van de zorg der Regering. De Koning doet van den staat der hooge, middelbare en lagere scholen, jaarlijks, aan de Staten-Generaal een uitvoerig verslag geven.

1840: art 224
1848

Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering.

De inrigting van bet openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld.

Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs gegeven.

Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door de wet te regelen.

De Koning doet van den staat der hooge-, middelbare en lagere scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven.

1887: art 192
1917

Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regeering.

Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht der Overheid, en bovendien, voor zoover het algemeen vormend zoowel lager als middelbaar onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van den onderwijzer, een en ander bij de wet te regelen.

Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, bij de wet geregeld.

In elke gemeente wordt van Overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zoodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven.

De eischen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten deele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zoover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.

Deze eischen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zoodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.

Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar denzelfden maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hooger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.

De Koning doet jaarlijks van den staat van het onderwijs aan de Staten-Generaal verslag geven.

1922: art 195, 1938: art 200, 1948: art 201, 1953: art 208, 1956: art 208, 1963: art 208
1972

Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering.

Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid, en wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.

Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, bij de wet geregeld.

In elke gemeente wordt van Overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven.

De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.

Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.

Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar de zelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.

De Koning doet jaarlijks van de staat van het onderwijs aan de Staten-Generaal verslag geven.

1983: art 23, 1987: art 23, 1995: art 23, 1999: art 23, 2000: art 23, 2002: art 23, 2005: art 23
2006
  • 1. 
    Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  • 2. 
    Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  • 3. 
    Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  • 4. 
    In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  • 5. 
    De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  • 6. 
    Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  • 7. 
    Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  • 8. 
    De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
2008: art 23
2017
  • 1. 
    Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
  • 2. 
    Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
  • 3. 
    Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
  • 4. 
    In elke gemeente en in elk van de openbare lichamen, bedoeld in artikel 132a, wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
  • 5. 
    De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
  • 6. 
    Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
  • 7. 
    Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
  • 8. 
    De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.