Artikel 59: Voorwaarden Lidmaatschap

58
Artikel 59
60

Tot leden der vergadering van de Staten Generaal zijn alleenlijk verkiesbaar Nederlanders, bereikt hebbende den vollen ouderdom van dertig jaren en daar te boven, zijnde Ingezetenen van de Provincie of Landschap waaruit zij worden genoemd. Zij mogen elkanderen niet nader bestaan dan in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting Staatscourant

De grondslag is in ons Land de Constitutie der provintiën, der ridderschappen en steden. Daarom wordt deze constitutie bij de Grondwet bevestigd en alles zoo gelaten als het was, behalve hetgeen uitdrukkelijk verbeterd wordt. De voornaamste verbeteringen zijn dan nog herstellingen van de aloude Constitutie, zoo als zij was vóór de tijden van de Republiek, die eene groote nieuwigheid geweest is.

De oude vrijheid, die aan onze Voorouderen zoo dierbaar was, is geheel in deze Grondwet overgebragt. Die vrijheid heeft in sommige stukken geleden door de republikeinse regering. Dit is tastbaar in de afschaffing van de kiezers voor de stedelijke regeringen. Naderhand hebben, of de regeringen hare nieuwe leden aangesteld, of de Stadhouders hebben het gedaan, of beide gezamenlijk. Thans kan men dit regt aan het volk wedergeven, om dat de stedelijke regeringen niet meer een deel van de Souvereiniteit uitmaken, en dezelfde onlusten niet meer te vreezen zijn.

Tevens is, bij de Grondwet, zorg gedragen voor het behoud van eene redelijke vrijheid, voor die regten, welke den Nederlander altijd dierbaar zijn geweest, en de Staten van de Provintiën vinden, alzoo de algemeene voorspoed op dezelve gegrond is, en zijn aanzien rijst door den welstand van het volk. Toen Leopold de Tweede op den troon geroepen werd, dien Joseph had doen wankelen, door de zucht naar nieuwigheden, verklaarde hij aan de afgevaardigden, hem op de grenzen te gemoet gekomen, dat hij de Staten der Provintiën, als de grondzuil der monarchie, beschouwde. Deze Grondwet vereenigt, in zoo ver eene onvolmaakte menschelijke instelling vermag, alle de middelen tot behoud der nationale onafhankelijkheid en der burgerlijke vrijheid.

In zoo ver als de Staten-Generaal deelnemen aan de Souvereiniteit, doen zij dit zonder rugspraak ofschoon niet zonder verantwoordelijkheid. De afgevaardigden in de vergadering worden gekozen door de Staten der Provintiën; de Staten der Provintiën bestaan grootendeels uit afgevaardigden van de steden, en de stedelijke regeringen worden aangevuld door de burgerij. Zoo dat de verantwoordelijkheid nederdaalt tot het volk toe, hetwelk de eerste keuze doet. Een geest van republikeinsche aristocratie mogt dit beletten; onder eene bepaalde Souvereiniteit kan het vrij geschieden.

Een Stadhouder mogt begeeren, om zijne wankelende magt, door aanstellingen van stedelijke regenten, te schragen; een Souverein Vorst heeft dat niet noodig. En zoo vervalt in eens eene bron van menigvuldige twisten in de republiek, en de stedelijke welvaart wordt bevorderd door de goede burgerij in orde te houden, haar een zeker aanzien te geven, de leden der stedelijke regeringen meer aan haar te verbinden, en de regeringen nog meer belang te doen stellen in de stedelijke welvaart. De welvaart der steden maakt een groot gedeelte uit van de algemeene, en de stedelijke regeringen zullen dezelve des te meer behartigen, naar mate zij niet afgetrokken zullen worden door de zaken van het gemeene Land.

2.

Ontwikkeling artikel

1798

Tot Leden van dit Lichaam zijn verkiesbaar allen, die in zig vereenigen de navolgende verëischten:

  • a. 
    Dat zij zijn stembevoegde Burgers.
  • b. 
    Dat zij den ouderdom van dertig jaaren ten vollen bereikt hebben.
  • c. 
    Dat zij binnen deze Republiek, zoo als die vóór den Jaare 1795 bestond, of na dezen bestaan zal, geboren zijn, en aldaar, geduurende de laatste tien jaaren, of, zo elders geboren, geduurende de laatste vijftien jaaren, hunne vaste woonplaats gehad hebben.

Dit laatste sluit geenszins uit die Burgers, die in en na den Jaare 1787, om politieke vervolgingen, uit hun Vaderland geweken zijnde, vóór den Jaare 1796 daarin zijn wedergekeerd.

1805

De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogende moeten zijn Stemgeregtigde Burgers, bereikt hebbende den vollen ouderdom van 30 jaren, geboren binnen een der acht Departementen van het Gemeenebest of Coloniën of Bezittingen van den Staat; en binnen de Departement, van weges het welke zij benoemd worden, geduurende de laatste zes jaren vóór hunne benoeming hebben gewoond; zij mogen elkanderen niet bestaan tot in den vierden graad van bloedverwantschap of zwagerschap. Het vereischte inwoning sluit niet uit de zoodanige, die Reipublicae causa zijn afwezig geweest.

1806

De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden moeten zijn Stemgeregtigde Burgers, den vollen ouderdom van dertig jaren bereikt hebbende, geboren binnen het Koningrijk, of in de Koloniën of Bezittingen van den Staat, en binnen dat Departement, van wegens het welk zij benoemd worden, gedurende de laatste zes jaren voor hunne benoeming hebbende gewoond; zij mogen elkanderen niet bestaan tot in den derden graad van Bloedverwantschap of Zwagerschap, dat is de betrekking tusschen den Man en zijner Vrouwe Bloedverwanten.

Het vereischte van inwoning sluit niet uit de zoodanigen, die Reipublicae causa zijn afwezig geweest.

1814

Tot leden der vergadering van de Staten Generaal zijn alleenlijk verkiesbaar Nederlanders, bereikt hebbende den vollen ouderdom van dertig jaren en daar te boven, zijnde Ingezetenen van de Provincie of Landschap waaruit zij worden genoemd. Zij mogen elkanderen niet nader bestaan dan in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap.

1815

Tot leden der tweede Kamer zijn verkiesbaar ingezetenen der Provincie waaruit zij genoemd worden, bereikt hebbende den vollen ouderdom van dertig jaren.

De leden uit dezelfde Provincie gekozen, mogen elkander niet nader dan in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaan; geen zee- of landofficieren zijn daartoe verkiesbaar, welke eenen minderen rang dan dien van hoofd-officier hebben.

1840: art 83
1848

Om tot lid der Tweede Kamer verkiesbaar te zijn, wordt alleen vereischt, dat men Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten zij en den ouderdom van dertig jaren hebbe vervuld.

1887

Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt alleen vereischt dat men mannelijk Nederlander zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe.

1917

Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt vereischt, dat men Nederlander of door de wet als Nederlandsch onderdaan erkend zij, niet krachtens onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens krankzinnigheid of zwakheid van vermogens, de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe.

1922

Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt vereischt, dat men Nederlander of door de wet als Nederlandsch onderdaan erkend zij, den ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe, niet van de verkiesbaarheid ontzet zij, noch van de uitoefening van het kiesrecht zij uitgesloten krachtens de daaromtrent ingevolge artikel 81, derde lid, getroffen regeling, met uitzondering van gerechtelijke vrijheidsberooving en veroordeeling tot eene vrijheidsstraf anders dan wegens bedelarij of landlooperij of wegens een feit, waaruit openbare dronkenschap blijkt.

1938: art 87, 1948: art 87, 1953: art 94, 1956: art 94
1963

Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt vereist, dat men Nederlander of door de wet als Nederlands onderdaan erkend zij, de ouderdom van vijfentwintig jaren vervuld hebbe, niet van de verkiesbaarheid ontzet zij, noch van de uitoefening van het kiesrecht zij uitgesloten krachtens de daaromtrent ingevolge artikel 90, derde lid, getroffen regeling, met uitzondering van gerechtelijke vrijheidsberoving en veroordeling tot een vrijheidsstraf anders dan wegens bedelarij of landloperij of wegens een feit, waaruit openbare dronkenschap blijkt.

1972: art 94
1983

Om lid van de Staten-Generaal te kunnen zijn is vereist dat men Nederlander is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

1987: art 56, 1995: art 56, 1999: art 56, 2000: art 56, 2002: art 56, 2005: art 56, 2006: art 56, 2008: art 56, 2017: art 56, 2018: art 56