Procedure ambtsmisdrijven

Ambtsmisdrijven van Tweede en Eerste Kamerleden, ministers en staatssecretarissen worden, ook na hun aftreden, berecht door de Hoge Raad. De opdracht voor vervolging moet worden gegeven bij koninklijk besluit of bij besluit van de Tweede Kamer. Dat staat in artikel 119 van de Grondwet. Een voorbeeld van een ambtsmisdrijf is het bekendmaken van een staatsgeheim of het aannemen van steekpenningen.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Geschiedenis wettelijke regeling

Strikt genomen bestaat er geen wettelijke regeling voor vervolging. Het Wetboek van Strafvordering bepaalt sinds 1921 echter in artikel 483, tweede lid, dat daarvoor gebruik kan worden gemaakt van de procedure uit de Wet ministeriële verantwoordelijkheid uit 1855. In 2018 is deze wet gemoderniseerd.

In 2017 is door de minister van Veiligheid en Justitie een protocol vastgesteld waarin is omschreven op welke wijze wordt omgegaan met aangiftes voor ambtsdelicten van bewindspersonen die binnenkomen bij een minister, het Openbaar Ministerie of bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Daarnaast wordt momenteel ook gewerkt aan een fundamentele herziening van de wetgeving over de vervolging van Kamerleden en bewindspersonen wegens ambtsdelicten. Daartoe is in 2016 een commissie ingesteld onder voorzitterschap van de oud-procureur-generaal bij de Hoge Raad, mr. J.W. Fokkens.

2.

Procedure

Volgens de wijziging in 2018 van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid uit 1855 staan de leden van de Staten-Generaal, ministers en de staatssecretarissen, ook na hun aftreden, voor ambtsdelicten en ambtsovertredingen terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging kan worden gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Koninklijk besluit

Wanneer de opdracht tot vervolging bij koninklijk besluit wordt gegeven bevat dit een nauwkeurige aanduiding van het ten laste gelegde feit en de opdracht aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad om de vervolging in te stellen. De procureur-generaal bij de Hoge Raad is vervolgens verplicht onmiddellijk gevolg te geven aan de ontvangen opdracht tot vervolging.

Tweede Kamer

In het geval dat de Tweede Kamer een opdracht tot vervolging wil geven kan dit indien ten minste vijf leden van de Tweede Kamer een schriftelijke aanklacht indienen wegens een vermoedelijk ambtsdelict. Vervolgens beslist de Tweede Kamer of zij die aanklacht in overweging neemt. Indien dit het geval is wordt er een commissie van onderzoek ingesteld die is belast met het opsporen en verzamelen van alle inlichtingen en bewijzen. Leden die de aanklacht hebben ingediend, kunnen geen lid zijn van de commissie. Zodra de commissie van onderzoek de aanklacht voldoende toegelicht acht brengt zij hier verslag over uit aan de Tweede Kamer, hierbij wordt ook degene tegen wie de aanklacht is gericht gehoord, indien deze daarom verzoekt.

Wanneer de Tweede Kamer binnen drie maanden na de indiening van de aanklacht geen eindbeslissing heeft genomen wordt de aanklacht verworpen. Deze termijn kan verlengd worden met maximaal twee maanden. Na deze termijn blijft de regering nog wel bevoegd om bij koninklijk besluit de opdracht te geven tot vervolging van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten.

Indien de Tweede Kamer de aanklacht na gedaan onderzoek en overleg heeft verworpen, kan ten aanzien van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten noch door de regering noch door de Tweede Kamer opnieuw onderzoek worden gedaan noch een opdracht tot vervolging worden gegeven. Wanneer de Tweede Kamer wel genoegzame gronden tot vervolging aanwezig acht, geeft zij opdracht aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad om de vervolging in te stellen. Binnen drie dagen nadat de Tweede Kamer het besluit tot vervolging heeft genomen, wordt dit samen met de aanklacht en de verzamelde informatie toegezonden aan de procureur-generaal. Een afschrift van het besluit wordt toegezonden aan de betrokkene, de Minister van Justitie en Veiligheid en de Eerste Kamer.

Als de Tweede Kamer opdracht heeft gegeven tot vervolging, kan bij koninklijk besluit geen opdracht worden gegeven tot vervolging van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten.

3.

Casuïstiek

Het is nog nooit voorgekomen dat tegen een minister strafrechtelijke vervolging is ingesteld wegens een ambtsmisdrijf. Van belang waren wel twee verzoeken tot vervolging:

Op 16 oktober 2009 verwierp de Tweede Kamer met 132 tegen 10 stemmen een verzoek van de leden Wilders, Fritsma, Agema, De Roon, Bosma en De Mos tot het in overweging nemen van een onderzoek naar een aanklacht tegen de minister Van der Laan voor WWI ( 32158, nr. 1). Deze leden stelden dat de minister de Kamer had geweigerd vragen over de kosten van immigratie te beantwoorden. Het opzettelijk nalaten uitvoering te geven aan de bepalingen van de Grondwet was volgens hen een ambtsmisdrijf voor een minister, zoals staat omschreven in artikel 355 onder 4 Wetboek van Strafrecht. Algemeen werd gesteld dat Kamerleden andere mogelijkheden hebben om een bewindspersoon daarover ter verantwoording te roepen (interpellatie, motie) en veel begrip voor deze stap was er dan ook niet.

Eveneens vruchteloos was een adres van oud-premier Gerbrandy en acht anderen (onder wie oud-minister Welter en oud-bevelhebber Winkelman) in april 1948, houdende een verzoek de procureur-generaal bij de Hoge Raad opdracht te geven vervolging in te stellen tegen die leden van het zittende kabinet en tegen hun ambtsvoorgangers, die zich vanwege het Indonesische beleid schuldig zouden hebben gemaakt aan schending van hun ambtseed. Het verzoek werd door de Tweede Kamer afgewezen.

Oudere pogingen tot vervolging voor ambtsmisdrijven uit de 19e eeuw zijn onvergelijkbaar met nu, aangezien er toen andere, verouderde, wettelijke regels golden die verwezen naar de grondwet van 1814. Deze bepaalde dat ministers en Kamerleden voor de Hoge Raad konden worden gedaagd voor "alle misdrijven, in de waarneming hunner functiën begaan". Deze bepaling was dus veel ruimer dan het huidige begrip 'ambtsmisdrijven'.

4.

Immuniteit

Leden van de Staten-Generaal, ministers, staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan parlementaire debatten kunnen niet strafrechtelijk worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij daar zeggen of voor wat ze aan het parlement schrijven. Dit heet parlementaire immuniteit of onschendbaarheid.

 

Meer over