Nota naar aanleiding van het eindverslag - Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van de bepalingen inzake het geven van inlichtingen door de ministers en de staatssecretarissen en het recht van onderzoek

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Tekst

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET EINDVERSLAG Ontvangen 9 november 1979

Inleiding Van de inleidende opmerkingen van de leden van de C.D.A.-fractie hebben wij gaarne kennis genomen.

Algemene opmerkingen over de inlichtingenplicht De leden van de fractie van de P.v.d.A. vroegen de Regering om een nadere precisering van de staatkundige praktijk die zich op basis van het huidige artikel 104 heeft ontwikkeld en waaraan een zekere normatieve waarde niet kan worden ontzegd. Zij citeerden hierbij een aantal uitspraken van de Regering in de memorie van antwoord en meenden dat, indien precieze afbakening van het recht op inlichtingen op grond van artikel 104 niet goed mogelijk is, het van extra gewicht wordt om in de nieuwe Grondwet vast te leggen dat het recht op inlichtingen aan een minderheid toekomt. Deze leden waren bevreesd dat zonder een zodanige afbakening de kamermeerderheid van geval tot geval dient te beslissen, waarbij het op beslissende momenten weihaast onvermijdelijk zal zijn dat overwegingen van politieke opportuniteit, al of niet openlijk, een rol spelen. Zij bepleitten dan ook een grondwettelijk minderheidsrecht ter zake.

De leden van de fractie van het C.D.A. bespeurden enige ambivalentie in het standpunt van de Regering, waarin immers enerzijds erkend wordt dat het recht op inlichtingen, ook van minderheden, het hart raakt van de controlerende functie van de volksvertegenwoordiging, terwijl anderzijds moeilijk gevergd kan worden dat dit recht te allen tijde in de praktijk in absolute zin wordt toegepast. Deze leden stelden de vraag of het niet voor de hand ligt dat de nieuwe grondwettelijke bepaling voorkomt, dat zich in de toekomst de discussies gaan herhalen over de vraag of de inlichtingen wel of niet door een meerderheid verlangd dienen te worden, en of het derhalve geen aanbeveling verdient een grondwettelijk minderheidsrecht ter zake op te nemen. Alvorens nader op deze vragen en opmerkingen in te gaan, willen wij nogmaals kort onze visie op de aard en betekenis van het grondwettelijk recht op inlichtingen uiteenzetten. Het recht van de Kamers op inlichtingen vormt een van de hoekstenen van onze parlementaire democratie. Zonder de mogelijkheid om inlichtingen

14225 (R 1051)

2 vel

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,14225 (R 1051), nr. 12

van de Regering te verkrijgen kan het parlement -en kan een kamerlid -zijn taak niet naar behoren vervullen. Dit betekent dat het recht op inlichtingen van ruime strekking moet zijn, dat de mogelijkheid om gevraagde inlichtingen te weigeren beperkt moet worden gehouden, en dat de formulering voldoende ruimte moet laten voor een nadere concretisering van het recht in de staatkundige praktijk. Voor de formulering van een grondwetsbepaling inzake het recht van de Kamers op inlichtingen dienen zich drie mogelijkheden aan, te weten de door de staatscommissie voorgestelde tekst, een tekst waarin een formeel minderheidsrecht is neergelegd, en de tekst van het wetsontwerp. Het bezwaar van de door de staatscommissie voorgestelde tekst is dat daarin te sterk de nadruk wordt gelegd op een formeel recht van de kamermeerderheid. Hierdoor zou een zich in de praktijk op basis van het huidige artikel 104 Grondwet ontwikkelend recht van een minderheid onderbelicht blijven. An-derzijds zijn naar ons oordeel ook bezwaren verbonden aan een grondwetsbepaling waarin met zoveel woorden aan een minderheid het recht op in-lichtingen zou worden toegekend. Indien grondwettelijk zou worden vastgelegd dat een gekwalificeerde minderheid dit recht zou hebben, zou daardoor voet worden gegeven aan een interpretatie dat minderheden die beneden dein de Grondwet neergelegde grens blijven geen aanspraak kunnen maken op inlichtingen van de Regering. Het voorstel van het wetsontwerp vermijdt naar ons oordeel zowel de bezwaren van het voorstel van de staatscommissie als die van een formeel minderheidsrecht. Naast het formele recht van een kamermeerderheid geeft de tekst steun aan de ontwikkeling in de praktijk van rechten van minderheden, zoals die zich al heeft voorgedaan en zich noch verder kan voordoen.

Thans nader ingaande op de door de verschillende fracties gemaakte opmerkingen, merken wij het volgende op. De door de fractie van de P.v.d.A. weergegeven uitspraken in de memorie van antwoord waren bedoeld om nader te motiveren waarom wij -evenals onze ambtsvoorgangers -van mening zijn dat het voorstel van de staatscommissie om de woorden «door deze» in te voegen, afgewezen dient te worden. Wij deden daartoe een beroep op de staatkundige praktijk waaruit blijkt -de leden van de P.v.d.A.-fractie zullen dit toch niet ontkennen -dat de Regering gevraagde inlichtingen pleegt te verstrekken, ook indien die inlichtingen niet door een kamermeerderheid gevraagd worden. Gelet op de betekenis van het verkrijgen van inlichtingen voor het functioneren van de parlementaire democratie menen wij dat hier niet slechts sprake is van een gegroeide praktijk, maar dat deze praktijk tevens een normatief element inhoudt in die zin dat ook een minderheid de inlichtingen die zij voor haar functioneren in ons parlementaire stelsel nodig heeft, moet kunnen vragen. In dit verband wijzen wij er op dat interpellatie-aanvragen als regel door de Kamer zonder discussie worden goedgekeurd, hoewel in veel gevallen niet duidelijk is of de meerderheid van de Kamer aan de gevraagde informatie behoefte heeft. De Kamer beoordeelt de vraag of zij de interpellatie-aanvraag moet goedkeuren ook los van haar uiteindelijke oordeel over het onderwerp van de interpellatie. Wij menen derhalve het voorstel van de staatscommissie te moeten afwijzen, omdat daarin te sterk de nadruk wordt gelegd op een formeel recht van de kamermeerderheid. Zoals wij hiervoor reeds hebben uiteengezet zien wij echter ook bezwaren tegen een bepaling waarin een formeel recht van een kamerminderheid is neergelegd.

Het verheugt ons dat de leden van de fractie van het C.D.A. zich blijken te kunnen vinden in de opvatting van de Regering dat het voorstel van de staatscommissie niet gevolgd moet worden. De hier aan het woord zijnde leden merkten vervolgens op dat de afbakening die in de staatkundige praktijk moet plaatsvinden, zou kunnen leiden tot een praktijk, die overeenkomt met het voorstel van de staatscommissie. Indien deze leden hiermee bedoelen dat zich op basis van de thans voorgestelde grondwetsbepaling de praktijk zou kunnen ontwikkelen dat de Regering slechts inlichtingen geeft indien daarom door de meerderheid van de Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 14225 (R 1051), nr. 12

Kamer gevraagd wordt, merken wij daarover op dat deze bepaling, waarin bewust wordt afgeweken van het voorstel van de staatscommissie, daartoe juist geen aanleiding geeft. Een dergelijke praktijk zou immers voorbijgaan aan de in de voorgestelde bepaling besloten norm, dat de Regering in beginsel alle vanuit het parlement gevraagde inlichtingen moet verschaffen. De hier aan het woord zijnde leden wezen vervolgens op het onderscheid dat wij in de memorie van antwoord maakten tussen een aanvankelijke en een definitieve weigering om inlichtingen te verschaffen. Zij stelden in dit verband de vraag of, indien de gevraagde inlichtingen aanvankelijk niet zijn verstrekt, de in de memorie van antwoord gebezigde term «vanuit de Kamer» aldus verstaan moet worden dat het voor het ontstaan van een verplichting voor de Regering om, behoudens beroep op het belang van de staat, bepaalde inlichtingen te verstrekken geen voorwaarde is dat alsnog de meerderheid van de Kamer die inlichtingen verlangt. Zoals gesteld komt het voor dat de Regering aanvankelijk om praktische redenen de gevraagde inlichtingen (nog) niet verstrekt. Indien de kamerleden die om deze inlichtingen vroegen door de argumenten van de Regering niet overtuigd zijn en nogmaals aandringen op het verstrekken van de gevraagde inlichtingen, zal de Regering zich opnieuw moeten afvragen of zij blijft bij haar standpunt om de inlichtingen niet te verstrekken. Daarbij zal de Regering het beginsel dat gevraagde inlichtingen gegeven dienen te worden tenzij het belang van de staat zich daartegen verzet, in acht moeten nemen. Vanzelfsprekend kunnen er ook dan nog praktische redenen zijn om de inlichtingen niet te verschaffen, bij voorbeeld indien kort voor Prinsjesdag gevraagd zou worden om inlichtingen die in de begrotingstoelichting opgenomen zijn. Desgewenst kan door de betreffende kamerleden vervolgens aan de Kamer gevraagd worden om een interpellatie te mogen houden, waardoor een openbaar debat over de betreffende aangelegenheid kan plaatsvinden, dat kan uitmonden in een uitspraak van de Kamer over het weigeren door de Regering van de gevraagde inlichtingen. Bij de beoordeling van een dergelijke in-terpellatieaanvraag zal de Kamer er rekening mee houden dat het recht op inlichtingen -ook voor minderheden -van wezenlijke betekenis is. Wij menen dat de praktijk dit bevestigt. Verlof tot het houden van een interpellatie pleegt zonder discussie te worden verleend, tenzij het bij voorbeeld gaat om gevallen waarin het betreffende onderwerp toch op korte termijn in de Kamer besproken zou worden. In dergelijke gevallen is naar ons oordeel echter ook geen sprake van een inbreuk op het parlementaire recht op inlichtingen.

Zoals wij hiervoor reeds hebben uiteengezet geven wij de voorkeur aan een grondwetsbepaling, die steun geeft aan de ontwikkeling in de praktijk van rechten van minderheden, boven een bepaling waarin een formeel minderheidsrecht is neergelegd. Dat toekomstige discussies over de vraag of de inlichtingen wel of niet door een meerderheid verlangd dienen te worden, hierdoor niet worden uitgesloten, achten wij in het licht van de gegroeide praktijk niet een groot bezwaar.

Leden van de V.V.D.-fractie betreurden dat de Regering niet op zijn minst getracht had een inventarisatie te geven van de gevallen dat de Kamer er genoegen mee nam dat bewindslieden geen inlichtingen gaven zonder dat zij zich beriepen op het belang van de staat. Deze leden spitsten deze vraag nader toe op de gevallen waarin dergelijke weigeringen een herkenbaar twistpunt vormden in de Kamer. Naar ons oordeel hebben deze leden gelijk waar zij stellen dat dergelijke situaties zich in het verleden niet zo vaak hebben voorgedaan. Niet zonder zeer omvangrijk en tijdrovend onderzoek zou het mogelijk zijn dergelijke gevallen te inventariseren. Gelet op de staatkundige ontwikkeling lijkt het ons voorts, dat situaties die zich decennia geleden hebben voorgedaan wellicht thans niet meer zo bepalend behoeven te zijn voor de meningsvorming ter zake. Wij volstaan dan ook met hier kort in te gaan op een tweetal gevallen uit de naoorlogse parlementaire periode. Het eerste geval betreft de interpellatie-Burger in 1959. In de memorie van toelichting en het nader rapport hebben onze ambtsvoorgangers hieraan Tweede Kamer, zitting 1979-1980,14225 (R 1051), nr. 12

reeds aandacht geschonken. De Kamer wees toen -door het verwerpen van de motie-Samkalden -het standpunt af de de Regering gehouden zou zijn ofwel de in het kader van een interpellatie gestelde vragen te beantwoorden, ofwel de beantwoording te weigeren uitsluitend met een beroep op het belang van de staat. Onze ambtsvoorgangers gaven reeds aan dat naar hun oordeel met die uitspraak niet het laatste woord over de uitleg van artikel 104 Grondwet was gezegd. Het tweede geval betreft de weigering van staatssecretaris Van den Berge bij de behandeling van de begroting voor 1965 om gevraagde inlichtingen te verstrekken, omdat het belang van een zo goed mogelijke belastingheffing zich daartegen verzette. Overigens bleek de opvolger van de staatssecretaris het daaropvolgend jaar wel bereid over deze kwestie met de Commissie voor Financiën te spreken. Naar aanleiding van dit geval is door de Voorzitter van de Kamer een nota inzake de z.g. antwoordplicht van de regering opgesteld. (Bijl. Hand. I11965 I966, nr. 8525). Deze nota hield over de hier aan de orde zijnde vraag geen duidelijke conclusie in. Zoals wij reeds op blz. 3 van de memorie van antwoord hebben opgemerkt, is gaandeweg de overtuiging ontstaan, dat de Regering behoort te antwoorden tenzij het belang van de staat zich daartegen verzet.

Het individuele vragenrecht

De leden van de fractie van het C.D.A. merkten terecht op dat het in eerste instantie niet verstrekken van inlichtingen om redenen van opportuniteit niet specifiek geldt voor het individuele vragenrecht. Ook in het kader van een door de Kamer aan de orde gesteld onderwerp kan zich zulk een situatie voordoen. Desalniettemin konden deze leden zich vinden in het oordeel van de Regering dat het individuele vragenrecht niet beschouwd moet worden als een directe toepassing van het grondwettelijk recht op inlichtingen.

De leden van de fractie van de V.V.D. waren hiervan niet overtuigd. Zij vroegen de Regering dan ook nader aan te geven wat het verschil is tussen vragen die een individueel kamerlid stelt bij een aan de orde zijnd wetsontwerp en vragen die een individueel kamerlid stelt volgens de in het Reglement van Orde voorziene procedure van het schriftelijk en mondeling vragen stellen. Wij hebben ons naar aanleiding van de opmerkingen van de leden van de genoemde fracties hieromtrent, nader afgevraagd of het feit dat de inlichtingen niet in het kader van een aan de orde gesteld onderwerp worden gevraagd en dat de inlichtingen formeel niet aan de Kamer als zodanig, maar aan het individuele kamerlid worden verstrekt, zo essentieel is dat op grond daarvan het individuele vragenrecht niet direct in het grondwettelijk recht op inlichtingen begrepen moet worden geacht. Wij menen thans dat zulks niet het geval is, hoewel wij van oordeel blijven dat het individuele vragenrecht niet in alle opzichten op één lijn kan worden gesteld met andere vormen van het vragen van inlichtingen. In dit verband wijzen wij op de begrotingsbehandeling. Daarbij gaat het om een door de Kamer aan de orde gesteld onderwerp. In het kader van dat onderwerp kunnen vragen over de meest uiteenlopende kwesties worden gesteld. Indien dergelijke vragen vervolgens ook nog schriftelijk worden afgehandeld, is de gelijkenis met het individuele vragenrecht materieel gezien wel bijzonder groot. Vanzelfsprekend blijft er nog wel het verschil dat bij de begrotingsbehandeling zonder meer een openbaar debat naar aanleiding van de gevraagde inlichtingen kan volgen, hetgeen bij het individuele vragenrecht niet het geval is. Daartoe is dan immers een besluit van de Kamer nodig om de zaak op de agenda te zetten.

De leden van de fractie van het C.D.A. stelden nog de vraag of met de term «vanuit de Kamer» in dit verband bedoeld wordt dat het onderwerp van de vragen als zodanig aan de orde moet worden gesteld in de vorm van een in-terpellatie. Wij verwijzen naar hetgeen wij eerder in deze nota hebben geant-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,14225 (R 1051), nr. 12

woord op door deze leden gestelde vragen, waarbij ook de term «vanuit de Kamer» reeds aan de orde kwam. Wij voegen daar volledigheidshalve nog aan toe dat een bepaalde kwestie zich er ook toe kan lenen om in een commissievergadering aan de orde te worden gesteld. Ook op de daar gestelde vragen is immers, zoals wij ook reeds in de memorie van antwoord opmerkten, artikel 3.2.4 van toepassing.

Verschoningsgronden De leden van de fractie van de P.v.d.A. bleven ook na de beschouwingen in de memorie van antwoord hieromtrent van oordeel dat «het belang van de staat» als verschoningsgrond te rekkelijk is. Een beroep op deze verschoningsgrond zou naar het oordeel van deze leden onmogelijk op zorgvuldige wijze en toetsbaar kunnen worden gemotiveerd, zulks in tegenstelling tot een beroep op de belangen genoemd in de Wet openbaarheid van bestuur. In tegenstelling tot de hier aan het woord zijnde leden menen wij dat de verschoningsgrond «belang van de staat» niet te rekkelijk is. Het lijkt ons zelfs zeer verdedigbaar dat minder snel zal worden aangenomen dat het verstrekken van bepaalde inlichtingen strijdig is met het belang van de staat, dan dat zou worden aangenomen dat een van de gronden van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing is. Zo zal bij voorbeeld in veel gevallen die wel onder artikel 5 van de Wet openbaarheid van bestuur zouden vallen het vertrouwelijk ter kennis van de Kamer brengen van bepaalde inlichtingen niet in strijd met het belang van de staat worden geoordeeld. In dit verband verdient vermelding dat op de verschoningsgrond «belang van de staat» vrijwel nooit een beroep wordt gedaan. Ook het tweede bezwaar van deze leden, dat een beroep op deze verschoningsgrond onmogelijk op zorgvuldige wijze en toetsbaar zou kunnen worden gemotiveerd, delen wij niet. Het ligt voor de hand dat de Kamer, indien deze meent bepaalde inlichtingen voor een goede taakvervulling nodig te hebben, een beroep op deze verschoningsgrond niet snel zal aanvaarden. De Regering zal derhalve wel gedwongen zijn een beroep op deze grond zorgvuldig te overwegen en tevens op zodanige wijze -toetsbaar -te presenteren dat de Kamer ervan overtuigd raakt dat het verstrekken van de in-lichtingen inderdaad in strijd zou zijn met het belang van de staat.

In antwoord op een door de leden van de fractie van het C.D.A. gestelde vraag merken wij op, dat een weigering van de Regering om gevraagde in-lichtingen te verstrekken omdat dat in strijd zou zijn met het belang van de staat, door de Kamer getoetst dient te worden aan de vraag of naar het oordeel van de Kamer terecht een beroep op deze verschoningsgrond is gedaan. Pas indien de Kamer na deze toetsing van oordeel is dat de Regering terecht een beroep op de verschoningsgrond heeft gedaan, zal het weigeren van de verlangde inlichtingen door de Kamer aanvaard kunnen worden. Dat hierin een tegenstrijdigheid zou schuilen zien wij niet. Overigens merkten de hier aan het woord zijnde leden terecht op, dat juist op een punt als dit de eigen verantwoordelijkheid van Regering en Staten-Generaal tot uitdrukking komt. In dit verband is ook van belang de door de leden van de fractie van D'66 gestelde vraag wie uiteindelijk kan bepalen wat het «belang van de staat» is. Hier komt duidelijk naar voren dat Regering en Staten-Generaal op dit punt een eigen verantwoordelijkheid hebben. Indien de Regering immers, ook nadat de Kamer blijk heeft gegeven een beroep op de verschoningsgrond niet te aanvaarden, weigert de gevraagde inlichtingen te verstrekken, kan dit voor de Kamer aanleiding zijn het vertrouwen in de betreffende minister c.q. staatssecretaris of zelfs in het kabinet op te zeggen. Daarmee is evenwel niet gezegd dat de Kamer vervolgens wel de beschikking krijgt over de verlangde inlichtingen. Een nieuw aangetreden bewindsman of kabinet zal immers weer zelf moeten beoordelen of de gevraagde inlichtingen zullen worden verstrekt. Overigens dient te worden opgemerkt dat de hierboven geschetste situatie in hoge mate theoretisch is.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,14225 (R 1051), nr. 12

De leden van de fractie van het C.D.A. vroegen zich af of niet door het geven van vertrouwelijke inlichtingen de onderhavige problematiek op zinvolle wijze is te nuanceren. Wij menen dat zulks inderdaad het geval is. Anders dan de hier aan het woord zijnde leden menen wij echter hieraan in de memorie van antwoord voldoende aandacht te hebben geschonken.

Artikel 3.2.6 (recht van enquête)

De leden van de fractie van het C.D.A. bespeurden in het betoog in de memorie van antwoord een zekere spanning. Enerzijds werd daar immers gesteld dat ook minderheden hun controlerende taak naar behoren moeten kunnen vervullen, terwijl anderzijds de Regering geen voorstander is van het in de Grondwet opnemen van een formeel recht van een parlementaire minderheid ter zake. De hier aan het woord zijnde leden vroegen de Regering in verband hiermee nader in te gaan op de regeling die ter zake in de Duitse Bondsrepubliek geldt. Wij erkennen dat in de uiteenzetting in de memorie van antwoord op dit punt sprake is van een zekere spanning. Enerzijds immers ligt, anders dan in artikel 3.2.4, in de voorgestelde tekst van artikel 3.2.6 wel besloten dat voor het uitoefenen van dit recht een formeel meerderheidsbesluit van de Kamer noodzakelijk is, terwijl anderzijds het recht van onderzoek, evenals het recht op inlichtingen, van essentieel belang is voor de controlefunctie van het parlement en van de minderheden daarin. Het scheppen van een formeel recht voor een minderheid ter zake -zoals de leden van de fractie van het C.D.A. kennelijk voor ogen staat -zou deze spanning overigens niet geheel doen verdwijnen. Indien het recht van onderzoek formeel aan een minderheid zou worden toegekend, zou deze met zo veel woorden in de Grondwet (of via delegatie in de wet) genoemd moeten worden. Wij zouden ter zake de voorkeur geven aan regeling in de Grondwet zelf, daar het hier om een zeer belangrijk recht gaat. Zodra evenwel een dergelijke minderheid in de Grondwet vastgelegd zou worden, zou dit tot verstarring kunnen leiden in die zin dat onderzoeksvoorstellen waarvan duidelijk is dat zij niet de steun van ten minste de bedoelde minderheid ondervinden, door de Kamer zonder veel verdere discussie terzijde zouden kunnen worden gelegd. Dit bezwaar zou ondervangen kunnen worden door de vereiste minderheid zo gering mogelijk te maken. Het bezwaar daarvan is evenwel weer dat een dergelijk onderzoek een belangrijk beslag kan leggen op de Kamer, terwijl hierbij bovendien meestal belangen van derden in het geding zullen zijn. Een en ander afwegend hebben wij in de memorie van antwoord het standpunt ingenomen dat voor het instellen van een parlementair onderzoek een meerderheidsbesluit van de Kamer vereist moet blijven. Daarbij hebben wij opgemerkt dat er naar onze mening zeker aanleiding is voor een soortgelijke ontwikkeling ten aanzien van het recht van onderzoek als zich ten aanzien van het recht op inlichtingen heeft voorgedaan. Ook na heroverweging menen wij dit standpunt te moeten handhaven.

Omtrent de regeling van het recht van onderzoek van de Duitse Bondsdag merken wij het volgende op. Krachtens artikel 44 van de Duitse Grondwet is de Bondsdag verplicht een onderzoekscommissie in het leven te roepen in-dien tenminste een vierde van het aantal leden dat verzoekt. De taakopdracht en samenstelling van een dergelijke onderzoekscommissie wordt -evenals bij een commissie die bij meerderheidsbesluit is ingesteld -door de Bondsdag vastgesteld. Deze taakopdracht, die op grond van artikel 63 van het reglement van orde van de Bondsdag in het voorstel moet zijn opgenomen, mag door de Bondsdag niet zodanig gewijzigd worden vastgesteld dat daardoor de strekking van het onderzoek zou veranderen. Eventuele conflicten over de instelling en de taakopdracht van een dergelijke commissie kunnen aan het Bundesverfassungsgericht worden voorgelegd. Voor zover bekend is zulks tot nu toe echter nimmer voorgekomen. Omtrent de ervaringen tot dusver in West-Duitsland met het recht van onderzoek beschikken wij over te weinig gegevens om hierover een afgerond Tweede Kamer, zitting 1979-1980,14225 (R 1051), nr. 12

oordeel te kunnen geven. Enerzijds lijkt de constatering juist dat het minderheidsrecht ter zake duidelijk een functie vervult. Het merendeel der onderzoekscommissies wordt ingesteld op voorstel van een gekwalificeerde minderheid. Anderzijds bestaat de indruk dat het recht van onderzoek in de Bondsrepubliek meer dan in Nederland als een politiek strijdmiddel gebruikt wordt. In dit verband verdient vermelding hetgeen de Enquete-Kommission für Fragen der Verfassungsreform over de aard van het recht van onderzoek opmerkt. Deze commissie stelt vast dat voor de aard van het onderzoeksrecht bepalend is of men de nadruk legt op het onderzoerkaspect, dan wel op het politieke aspect. Hoewel de commissie van oordeel is dat het onderzoekaspect van groot belang is, legt zij toch de nadruk op het politieke aspect. Een onderzoekscommissie ziet zij in de eerste plaats als een instrument in de politieke strijd tussen meerderheid en minderheid. In deze opzet ligt vanzelfsprekend een formeel minderheidsrecht voor de hand. In de Westduitse regeling van het recht van onderzoek liggen naar ons oordeel onvoldoende aanknopingspunten om de voorgestelde bepaling te wijzigen. Het Westduitse minderheidsrecht functioneert binnen het West-duitse constitutionele kader, dat op verschillende onderdelen nogal afwijkt van het Nederlandse stelsel. Wij menen dat de vraag of in Nederland een dergelijk minderheidsrecht ingevoerd moet worden, op zijn eigen merites moet worden bezien. Gelet op de hiervoor reeds genoemde staatkundige ontwikkelingen beantwoorden wij deze vraag ontkennend. Ten slotte merken wij nog het volgende op. Tijdens het afleggen van een regeringsverklaring in de Tweede Kamer op 26 juni jl.3 over de in Straatsburg gehouden Europese Raad en onlangs bij de behandeling van de begroting van Algemene Zaken, zijn van de verschillende zijden opmerkingen gemaakt over de vraag hoever het geven van inlichtingen aan de Kamer strekt. Naar ons oordeel ligt de beantwoording van deze vraag besloten in de memorie van antwoord op dit ontwerp en in deze nota. Wij zijn evenwel, zoals de eerste ondergetekende reeds heeft laten blijken bij de behandeling van de begroting van Algemene Zaken in de Tweede Kamer, gaarne bereid daarop bij de verdere behandeling van het onderhavige wetsontwerp nog nader in te gaan, indien daarop vanuit de Kamer prijs zou worden gesteld.

De Minister-President, Minister van Algemene zaken, A. A. M. van Agt De Minister van Binnenlandse Zaken, H. Wiegel

1 G. Visscher, De parlementaire enquête in vergelijkend perspectief; Acta Politica, april 1978 pag. 212-260. 2 «Fragen der Verfassungsreform»; Zwischenbericht der Enquete-Kommission des Deutschen Bundestages, gepubliceerd in Zur Sache, Themen Parlamentarischer Beratung 1/73. 3 Handelingen I11978 I979, b\z. 5731-5733 • Handelingen I11979 I980, blz. 319-326.

Tweede Kamer, zitting 1979-1980,14225 (R1051), nr. 12

 
 

2.

Meer informatie