Artikel III-20: Maatregelen voor totstandbrenging vrijheid van vestiging

III-19
Artikel III-20
III-21
  • 1. 
    Bij Europese kaderwet worden de maatregelen vastgesteld om de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid te verwezenlijken. De kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.
  • 2. 
    Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie oefenen de taken uit die hun bij lid 1 worden toevertrouwd, met name:
    • a) 
      door in het algemeen bij voorrang die werkzaamheden te behandelen waarvoor de vrijheid van vestiging een bijzonder nuttige bijdrage levert ter ontwikkeling van de productie en van het handelsverkeer,
    • b) 
      door het verzekeren van een nauwe samenwerking tussen de bevoegde nationale bestuursinstellingen teneinde de bijzondere omstandigheden van de verschillende betrokken werkzaamheden binnen de Unie te leren kennen,
    • c) 
      door het afschaffen van die bestuursrechtelijke procedures en handelwijzen, voortvloeiende hetzij uit de nationale wetgeving hetzij uit voordien tussen de lidstaten gesloten akkoorden waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de vrijheid van vestiging,
    • d) 
      door ervoor te waken dat de werknemers van een der lidstaten welke op het grondgebied van een andere lidstaat te werk zijn gesteld, op dit grondgebied kunnen verblijven om er anders dan in loondienst werk te verrichten, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden waaraan zij zouden moeten voldoen indien zij op het tijdstip waarop zij genoemde bezigheid willen opvatten, eerst in die staat zouden zijn aangekomen,
    • e) 
      door de verwerving en de exploitatie mogelijk te maken van op het grondgebied van een lidstaat gelegen grondbezit door een onderdaan van een andere lidstaat, voorzover de beginselen van [ex artikel 33, lid 2,] niet worden aangetast,
    • f) 
      door de geleidelijke opheffing der beperkingen van de vrijheid va n vestiging in elke in behandeling genomen tak van werkzaamheid toe te passen enerzijds op de oprichtings voorwaarden op het grondgebied van een lidstaat van agentschappen, filialen of dochterondernemingen en anderzijds op de toelatingsvoorwaarden voor het personeel van de hoofdvestiging tot de organen van beheer of toezicht van deze agentschappen, filialen of dochterondernemingen,
    • g) 
      door, voorzover nodig, de waarborgen te coördineren welke in de lidstaten worden verlangd van de rechtspersonen in de zin van [de tweede alinea van ex artikel 48], om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in die rechtspersonen als van derden, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken,
    • h) 
      door ervoor te zorgen dat de voorwaarden van vestiging niet worden vervalst als gevolg van steunmaatregelen van de lidstaten.

1.

Ontwikkeling artikel

2003
  • 1. 
    Bij Europese kaderwet worden de maatregelen vastgesteld om de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid te verwezenlijken. De kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.
  • 2. 
    Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie oefenen de taken uit die hun bij lid 1 worden toevertrouwd, met name:
    • a) 
      door in het algemeen bij voorrang die werkzaamheden te behandelen waarvoor de vrijheid van vestiging een bijzonder nuttige bijdrage levert ter ontwikkeling van de productie en van het handelsverkeer,
    • b) 
      door het verzekeren van een nauwe samenwerking tussen de bevoegde nationale bestuursinstellingen teneinde de bijzondere omstandigheden van de verschillende betrokken werkzaamheden binnen de Unie te leren kennen,
    • c) 
      door het afschaffen van die bestuursrechtelijke procedures en handelwijzen, voortvloeiende hetzij uit de nationale wetgeving hetzij uit voordien tussen de lidstaten gesloten akkoorden waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de vrijheid van vestiging,
    • d) 
      door ervoor te waken dat de werknemers van een der lidstaten welke op het grondgebied van een andere lidstaat te werk zijn gesteld, op dit grondgebied kunnen verblijven om er anders dan in loondienst werk te verrichten, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden waaraan zij zouden moeten voldoen indien zij op het tijdstip waarop zij genoemde bezigheid willen opvatten, eerst in die staat zouden zijn aangekomen,
    • e) 
      door de verwerving en de exploitatie mogelijk te maken van op het grondgebied van een lidstaat gelegen grondbezit door een onderdaan van een andere lidstaat, voorzover de beginselen van [ex artikel 33, lid 2,] niet worden aangetast,
    • f) 
      door de geleidelijke opheffing der beperkingen van de vrijheid va n vestiging in elke in behandeling genomen tak van werkzaamheid toe te passen enerzijds op de oprichtings voorwaarden op het grondgebied van een lidstaat van agentschappen, filialen of dochterondernemingen en anderzijds op de toelatingsvoorwaarden voor het personeel van de hoofdvestiging tot de organen van beheer of toezicht van deze agentschappen, filialen of dochterondernemingen,
    • g) 
      door, voorzover nodig, de waarborgen te coördineren welke in de lidstaten worden verlangd van de rechtspersonen in de zin van [de tweede alinea van ex artikel 48], om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in die rechtspersonen als van derden, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken,
    • h) 
      door ervoor te zorgen dat de voorwaarden van vestiging niet worden vervalst als gevolg van steunmaatregelen van de lidstaten.
2003
  • 1. 
    Bij Europese kaderwet worden de maatregelen vastgesteld om de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid te verwezenlijken. De kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.
  • 2. 
    Het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Europese Commissie oefenen de taken uit die hun bij lid 1 worden toevertrouwd, te weten:
    • a) 
      door in het algemeen bij voorrang die werkzaamheden te behandelen waarvoor de vrijheid van vestiging een bijzonder nuttige bijdrage levert ter ontwikkeling van de productie en van het handelsverkeer,
    • b) 
      door het verzekeren van nauwe samenwerking tussen de bevoegde nationale bestuursinstellingen, teneinde de bijzondere omstandigheden van de verschillende betrokken werkzaamheden binnen de Unie te leren kennen,
    • c) 
      door het afschaffen van die bestuursrechtelijke procedures en handelwijzen welke voortvloeien uit de nationale wetgeving of uit voordien tussen de lidstaten gesloten akkoorden en waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de vrijheid van vestiging,
    • d) 
      door erop toe te zien dat de werknemers van een van de lidstaten die op het grondgebied van een andere lidstaat te werk zijn gesteld, op dit grondgebied kunnen verblijven om er anders dan in loondienst werk te verrichten, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden waaraan zij zouden moeten voldoen indien zij op het tijdstip waarop zij genoemde bezigheid willen opvatten, eerst in die staat zouden zijn aangekomen,
    • e) 
      door de verwerving en de exploitatie mogelijk te maken van op het grondgebied van een lidstaat gelegen grondbezit door een onderdaan van een andere lidstaat, voorzover de beginselen van artikel III-123, lid 2 niet worden aangetast,
    • f) 
      door de geleidelijke opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging in iedere in behandeling genomen tak van werkzaamheid toe te passen, enerzijds op de oprichtingsvoorwaarden op het grondgebied van een lidstaat van agentschappen, filialen of dochterondernemingen, en anderzijds op de toelatingsvoorwaarden voor het personeel van de hoofdvestiging tot de organen van beheer of toezicht van deze agentschappen, filialen of dochterondernemingen,
    • g) 
      door, voorzover nodig, de waarborgen te coördineren welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel III-27, tweede alinea, om de belangen te beschermen zowel van de vennoten als van derden, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken,
    • h) 
      door ervoor te zorgen dat de voorwaarden van vestiging niet worden vervalst als gevolg van steunmaatregelen van de lidstaten.
2003
  • 1. 
    Bij Europese kaderwet worden maatregelen vastgesteld om de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid te verwezenlijken. De kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.
  • 2. 
    Het Europees Parlement, de Raad van Ministers en de Commissie oefenen de taken uit die hun bij lid 1 worden toevertrouwd, te weten:
    • a) 
      door in het algemeen bij voorrang die werkzaamheden te behandelen, waarvoor de vrijheid van vestiging een bijzonder nuttige bijdrage levert ter ontwikkeling van de productie en van het handelsverkeer,
    • b) 
      door het verzekeren van nauwe samenwerking tussen de bevoegde nationale overheden, teneinde de bijzondere omstandigheden van de verschillende betrokken werkzaamheden binnen de Unie te leren kennen,
    • c) 
      door het afschaffen van de bestuursrechtelijke procedures en handelwijzen welke voortvloeien uit de nationale wetgeving of uit voordien tussen de lidstaten gesloten akkoorden en waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de vrijheid van vestiging,
    • d) 
      door erop toe te zien dat de werknemers van een van de lidstaten die op het grondgebied van een andere lidstaat te werk zijn gesteld, op dat grondgebied kunnen verblijven om er anders dan in loondienst werk te verrichten, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden waaraan zij hadden moeten voldoen indien zij op het tijdstip waarop zij genoemde bezigheid willen opnemen, eerst in die staat zouden zijn aangekomen,
    • e) 
      door de verwerving en de exploitatie mogelijk te maken van op het grondgebied van een lidstaat gelegen grondbezit door een onderdaan van een andere lidstaat, voorzover de beginselen van artikel III-123, lid 2 niet worden aangetast,
    • f) 
      door de geleidelijke opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging in iedere in behandeling genomen sector toe te passen, enerzijds op de voorwaarden voor de oprichting op het grondgebied van een lidstaat, van agentschappen, filialen of dochterondernemingen, en anderzijds op de voorwaarden voor de toelating van het personeel van de hoofdvestiging tot de organen van beheer of toezicht van deze agentschappen, filialen of dochterondernemingen,
    • g) 
      door, voorzover nodig, de waarborgen te coördineren welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel III-27, tweede alinea, om de belangen te beschermen zowel van de vennoten als van derden, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken,
    • h) 
      door ervoor te zorgen dat de voorwaarden van vestiging niet worden vervalst als gevolg van steunmaatregelen van de lidstaten.
2004
  • 1. 
    Bij Europese kaderwet worden de maatregelen vastgesteld om tot de vrijheid van vestiging voor een bepaalde werkzaamheid te komen. De kaderwetten worden vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.
  • 2. 
    Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie oefenen de taken uit die hun bij lid 1 worden toevertrouwd, door met name:
    • a) 
      in het algemeen bij voorrang de werkzaamheden te behandelen, ten aanzien waarvan de vrijheid van vestiging een bijzonder nuttige bijdrage levert ter ontwikkeling van de productie en van het handelsverkeer;
    • b) 
      te bewerkstelligen dat de bevoegde nationale overheden nauw samenwerken, teneinde de bijzondere omstandigheden van de verschillende betrokken werkzaamheden binnen de Unie te leren kennen;
    • c) 
      bestuursrechtelijke procedures en praktijken af te schaffen welke uit de nationale wetgeving of uit voordien tussen de lidstaten gesloten akkoorden voortvloeien en waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de vrijheid van vestiging;
    • d) 
      erop toe te zien dat de werknemers van een van de lidstaten die op het grondgebied van een andere lidstaat werkzaam zijn, op dat grondgebied kunnen verblijven om er anders dan in loondienst werk te verrichten, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden waaraan zij zouden moeten voldoen indien zij pas op het tijdstip waarop zij die bezigheid willen opnemen, in die staat zouden aankomen;
    • e) 
      de verwerving en de exploitatie mogelijk te maken van op het grondgebied van een lidstaat gelegen grondbezit door een onderdaan van een andere lidstaat, voorzover de in artikel III-227, lid 2, bedoelde beginselen niet worden aangetast;
    • f) 
      de geleidelijke opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging in iedere in behandeling genomen sector toe te passen, enerzijds op de voorwaarden voor de oprichting op het grondgebied van een lidstaat, van agentschappen, bijkantoren of dochterondernemingen, en anderzijds op de voorwaarden voor de toelating van het personeel van de hoofdvestiging tot de organen van beheer of toezicht van deze agentschappen, bijkantoren of dochterondernemingen;
    • g) 
      voorzover nodig, de waarborgen te coördineren welke in de lidstaten worden verlangd van vennootschappen in de zin van artikel III-142, tweede alinea, om de belangen van vennoten en van derden te beschermen, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken;
    • h) 
      ervoor te zorgen dat de voorwaarden van vestiging niet worden vervalst als gevolg van steunmaatregelen van de lidstaten.