Artikel III-47: Rechten van de lidstaten

III-46
Artikel III-47
III-48
  • 1. 
    Artikel III-45 doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten:
    • a) 
      de terzake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd;
    • b) 
      de nodige regelingen te treffen om overtredingen van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tegen te gaan, met name op fiscaal gebied en met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op financiële instellingen, of te voorzien in procedures voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen aan de overheid of voor statistische doeleinden, dan wel maatregelen te nemen die op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn.
  • 2. 
    Deze afdeling laat de mogelijkheid onverlet om met de Grondwet beperkingen op het recht van vestiging toe te passen.
  • 3. 
    De in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen en procedures mogen geen middel tot willekeurige discriminatie vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer of het betalingsverkeer als omschreven in artikel III-45.
  • 4. 
    Bij ontstentenis van een Europese wet of kaderwet als bedoeld in artikel III-46, lid 3, kan de Commissie, of, bij ontstentenis van een besluit van de Commissie binnen drie maanden na de indiening van het verzoek door de betrokken lidstaat, de Raad, een Europees besluit vaststellen waarin wordt gestipuleerd dat door een lidstaat jegens een of meer derde landen genomen beperkende belastingmaatregelen verenigbaar worden geacht met de Grondwet, voorzover deze stroken met de doelstellingen van de Unie en verenigbaar zijn met de goede werking van de interne markt. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen op verzoek van een lidstaat. [*]

Noot [*] bij lid 4:

In document CIG 79/04 (voorbereiding op de IGC-Raad van 14 juni 2004) is dit nieuwe lid 4 (in november 2003 toegevoegd door de werkgroep Juridische deskundigen) gewijzigd. In het werkdocument CIG 73/04 (29 april 2004) luidde het commentaar bij dit nieuwe lid:

"Het voorzitterschap stelt een toevoeging voor om tegemoet te komen aan de wensen van een aantal delegaties in verband met de bepalingen van de tekst van de Conventie."

In de voorbereiding op de afsluitende Europese Raad van 17-18 juni 2004 (document CIG 81/04) is de termijn van drie maanden ingevoegd.

De versie die de Werkgroep Juridische Deskundigen in november 2003 hebben vastgesteld (document CIG 50/03) luidde:

Bij ontstentenis van een Europese wet of kaderwet als bedoeld in artikel III-46, lid 3, kan de Raad een Europees besluit vaststellen waarin wordt bevestigd dat door een lidstaat jegens een of meer derde landen genomen beperkende belastingmaatregelen verenigbaar worden geacht met de Grondwet, voor zover deze sporen met de doelstellingen van de Unie en verenigbaar zijn met de goede werking van de interne markt. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie.

1.

Ontwikkeling artikel

2003
  • 1. 
    [Ex artikel 56] doet niets af aan het recht van de lidstaten:
    • a) 
      de terzake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd;
    • b) 
      alle nodige regelingen te treffen om overtredingen van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tegen te gaan, met name op fiscaal gebied en met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op financiële instellingen, of te voorzien in procedures voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen ter informatie van de overheid of voor statistische doeleinden, dan wel maatregelen te nemen die op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn.
2003
  • 1. 
    Artikel III-45 doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten:
    • a) 
      de terzake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd;
    • b) 
      alle nodige regelingen te treffen om overtredingen van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tegen te gaan, met name op fiscaal gebied en met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op financiële instellingen, of te voorzien in procedures voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen aan de overheid of voor statistische doeleinden, dan wel maatregelen te nemen die op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn.
  • 2. 
    Deze afdeling laat de mogelijkheid onverlet om beperkingen op het recht van vestiging toe te passen voorzover deze verenigbaar zijn met de Grondwet.
  • 3. 
    De in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen en procedures mogen geen middel tot willekeurige discriminatie vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer of het betalingsverkeer als omschreven in artikel III-45.
2003
  • 1. 
    Artikel III-45 doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten:
    • a) 
      de terzake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd;
    • b) 
      de nodige regelingen te treffen om overtredingen van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tegen te gaan, met name op fiscaal gebied en met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op financiële instellingen, of te voorzien in procedures voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen aan de overheid of voor statistische doeleinden, dan wel maatregelen te nemen die op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn.
  • 2. 
    Deze afdeling laat de mogelijkheid onverlet om met de Grondwet beperkingen op het recht van vestiging toe te passen.
  • 3. 
    De in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen en procedures mogen geen middel tot willekeurige discriminatie vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer of het betalingsverkeer als omschreven in artikel III-45.
  • 4. 
    Bij ontstentenis van een Europese wet of kaderwet als bedoeld in artikel III-46, lid 3, kan de Commissie, of, bij ontstentenis van een besluit van de Commissie binnen drie maanden na de indiening van het verzoek door de betrokken lidstaat, de Raad, een Europees besluit vaststellen waarin wordt gestipuleerd dat door een lidstaat jegens een of meer derde landen genomen beperkende belastingmaatregelen verenigbaar worden geacht met de Grondwet, voorzover deze stroken met de doelstellingen van de Unie en verenigbaar zijn met de goede werking van de interne markt. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen op verzoek van een lidstaat. [*]

Noot [*] bij lid 4:

In document CIG 79/04 (voorbereiding op de IGC-Raad van 14 juni 2004) is dit nieuwe lid 4 (in november 2003 toegevoegd door de werkgroep Juridische deskundigen) gewijzigd. In het werkdocument CIG 73/04 (29 april 2004) luidde het commentaar bij dit nieuwe lid:

"Het voorzitterschap stelt een toevoeging voor om tegemoet te komen aan de wensen van een aantal delegaties in verband met de bepalingen van de tekst van de Conventie."

In de voorbereiding op de afsluitende Europese Raad van 17-18 juni 2004 (document CIG 81/04) is de termijn van drie maanden ingevoegd.

De versie die de Werkgroep Juridische Deskundigen in november 2003 hebben vastgesteld (document CIG 50/03) luidde:

Bij ontstentenis van een Europese wet of kaderwet als bedoeld in artikel III-46, lid 3, kan de Raad een Europees besluit vaststellen waarin wordt bevestigd dat door een lidstaat jegens een of meer derde landen genomen beperkende belastingmaatregelen verenigbaar worden geacht met de Grondwet, voor zover deze sporen met de doelstellingen van de Unie en verenigbaar zijn met de goede werking van de interne markt. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie.

2004
  • 1. 
    Artikel III-156 laat onverlet het recht van de lidstaten:
    • a) 
      de terzake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving toe te passen die onderscheid maken tussen belastingplichtigen die niet in dezelfde situatie verkeren met betrekking tot hun vestigingsplaats of de plaats waar hun kapitaal is belegd;
    • b) 
      alle nodige maatregelen te nemen om overtredingen van de nationale wettelijke en bestuurs rechtelijke regels tegen te gaan, met name op fiscaal gebied en met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op financiële instellingen, of te voorzien in procedures voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen aan de overheid of voor statistische doeleinden, dan wel maatregelen te nemen die ter wille van de openbare orde of de openbare veiligheid gerechtvaardigd zijn.
  • 2. 
    Deze afdeling laat de mogelijkheid onverlet om met de Grondwet verenigbare beperkingen op het recht van vestiging toe te passen.
  • 3. 
    De in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen en procedures mogen geen middel tot willekeurige discriminatie vormen, noch een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer of het betalingsverkeer in de zin van artikel III-156.
  • 4. 
    Bij ontstentenis van een Europese wet of kaderwet als bedoeld in artikel III-157, lid 3, kan de Commissie, of, bij ontstentenis van een Europees besluit van de Commissie binnen drie maanden na de indiening van het verzoek door de betrokken lidstaat, kan de Raad een Europees besluit vaststellen waarin wordt bepaald dat door een lidstaat jegens een of meer derde landen genomen beperkende belastingmaatregelen verenigbaar worden geacht met de Grondwet, voorzover deze stroken met de doelstellingen van de Unie en verenigbaar zijn met de goede werking van de interne markt. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, op verzoek van een lidstaat.