Afdeling 4 - Landbouw en visserij

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

III-121 Gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid

De Unie stelt een gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid vast en voert dit uit.

Onder landbouwproducten worden verstaan de voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij, alsmede de producten in eerste graad van bewerking welke met de genoemde voortbrengselen rechtstreeks verband houden. Verwijzingen naar het gemeenschappelijk landbouwbeleid of naar de landbouw gelden tevens als verwijzing naar de visserij, gezien de bijzondere kenmerken van de visserijsector.

2.

III-122 Interne markt in landbouwproducten

  • 1. 
    De interne markt omvat mede de landbouw en de handel in landbouwproducten.
  • 2. 
    Voorzover in de artikelen III-123 tot en met III-128 niet anders is bepaald, zijn de regels voor de instelling van de interne markt van toepassing op landbouwproducten.
  • 3. 
    De in bijlage I [*] vermelde producten vallen onder de artikelen III-123 tot en met III-128.
  • 4. 
    De werking en de ontwikkeling van de interne markt voor de landbouwproducten dienen gepaard te gaan met de totstandkoming van een gemeenschappelijk landbouwbeleid.

3.

III-123 Doelstellingen gemeenschappelijk landbouwbeleid

  • 1. 
    Het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft ten doel:
    • a) 
      de productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren, met name de arbeidskrachten, te bewerkstelligen,
    • b) 
      aldus de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn,
    • c) 
      de markten te stabiliseren,
    • d) 
      de voorziening veilig te stellen,
    • e) 
      redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren.
  • 2. 
    Bij de totstandbrenging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en van de daarvoor te treffen bijzondere voorzieningen wordt rekening gehouden met:
    • a) 
      de bijzondere aard van het landbouwbedrijf, welke voortvloeit uit de maatschappelijke structuur van de landbouw en uit de structurele en natuurlijke ongelijkheid tussen de verschillende landbouwgebieden,
    • b) 
      de noodzaak de dienstige aanpassingen geleidelijk te doen verlopen,
    • c) 
      het feit, dat de landbouwsector in de lidstaten nauw verweven is met de gehele economie.

4.

III-124 Totstandkoming gemeenschappelijk landbouwbeleid

  • 1. 
    Om de in artikel III-123 genoemde doelstellingen te verwezenlijken wordt een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten tot stand gebracht.

    Naar gelang van de producten neemt deze ordening een van de volgende vormen aan:

    • a) 
      gemeenschappelijke regels inzake mededinging,
    • b) 
      verplichte coördinatie van de verschillende nationale marktorganisaties,
    • c) 
      een Europese marktorganisatie.
  • 2. 
    De gemeenschappelijke ordening in een der in lid 1 vermelde vormen kan alle maatregelen medebrengen welke noodzakelijk zijn om de in artikel III-123 genoemde doelstellingen te verwezenlijken, met name prijsregelingen, subsidies zowel voor de productie als voor het in de handel brengen der verschillende producten, systemen van voorraadvorming en opslag en gemeenschappelijke organisatorische voorzieningen voor de stabilisatie van de in- of uitvoer.

    De gemeenschappelijke ordening moet zich beperken tot het nastreven van de in artikel III-123 genoemde doelstellingen en iedere discriminatie tussen producenten of verbruikers in de Unie uitsluiten.

    Een eventueel gemeenschappelijk prijsbeleid moet op gemeenschappelijke criteria en op eenvormige berekeningswijzen berusten.

  • 3. 
    Om de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke ordening aan haar doel te laten beantwoorden, kunnen een of meer oriëntatie- en garantiefondsen voor de landbouw in het leven worden geroepen.
 

5.

III-125 Voorzieningen voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid

Ter verwezenlijking van de in artikel III-123 genoemde doeleinden kunnen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid met name maatregelen worden getroffen met betrekking tot:

  • a) 
    een doeltreffende coördinatie van hetgeen ondernomen wordt op het gebied van beroepsopleiding, landbouwkundig onderzoek en landbouwkundige voorlichting, welke coördinatie gemeenschappelijk gefinancierde projecten of instellingen kan omvatten,
  • b) 
    gemeenschappelijke acties voor de ontwikkeling van het verbruik van bepaalde producten.

6.

III-126 Handel in landbouwproducten

  • 2. 
    De Raad kan op voorstel van de Commissie een Europese verordening of een Europees besluit vaststellen waarbij machtiging wordt gegeven tot het verlenen van steun:
    • a) 
      ter bescherming van door structurele of natuurlijke omstandigheden benadeelde bedrijven,
    • b) 
      in het kader van economische ontwikkelingsplannen.

7.

III-127 Totstandbrenging en uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

  • 1. 
    De Commissie doet voorstellen voor de totstandbrenging en de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waaronder begrepen de vervanging van nationale organisaties door een van de in artikel III-124, lid 1, genoemde vormen van gemeenschappelijke ordening en de uitvoering van de in deze afdeling vermelde maatregelen.

    Deze voorstellen houden rekening met de samenhang van de in deze afdeling genoemde landbouwaspecten.

  • 2. 
    Bij Europese wet of kaderwet wordt de in artikel III-124, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkt ingesteld en worden de overige bepalingen vastgesteld die nodig zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na te streven. De wet of kaderwet wordt vastgesteld na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité.
  • 3. 
    De Raad regelt op voorstel van de Commissie bij verordening of bij Europees besluit de prijsbepaling, de heffingen, de steun en de kwantitatieve beperkingen, alsook de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden.
  • 4. 
    De in artikel III-124, lid 1, genoemde gemeenschappelijke ordening kan overeenkomstig lid 2 in de plaats worden gesteld van nationale marktorganisaties:
    • a) 
      indien de gemeenschappelijke ordening aan lidstaten die tegen deze maatregelen gekant zijn en die zelf over een nationale organisatie voor de betrokken productie beschikken, gelijkwaardige waarborgen biedt inzake de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten, met inachtneming van de snelheid van de mogelijke aanpassingen en van de noodzakelijke specialisatie, en
    • b) 
      indien deze ordening het handelsverkeer binnen de Unie soortgelijke voorwaarden biedt als die welke op de nationale markt bestaan.
  • 5. 
    Indien voor bepaalde grondstoffen een gemeenschappelijke ordening in het leven wordt geroepen voordat er een gemeenschappelijke ordening vo or de overeenkomstige verwerkte producten bestaat, mogen de betrokken grondstoffen die gebruikt worden voor de producten welke voor uitvoer naar derde landen zijn bestemd, van buiten de Unie worden ingevoerd.

8.

III-128 Compenserende heffing

Indien in een lidstaat een product onder een nationale marktorganisatie valt of onder een binnenlandse regeling van gelijke werking welke een gelijksoortige productie in een andere lidstaat bij de mededinging nadelig beïnvloedt, leggen de lidstaten een compenserende heffing op de invoer van dat product uit de lidstaat waar de organisatie of de regeling bestaat, tenzij deze staat een compenserende heffing op de uitvoer toepast.

De Commissie regelt bij verordening of besluit de hoogte van deze heffingen zodanig als nodig is om het evenwicht te herstellen. Zij kan eveneens machtiging verlenen tot het nemen van andere maatregelen waarvan zij de voorwaarden en wijze van toepassing vaststelt.