Toetreding van de Europese Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM)

  • 1. 
    Het in artikel I-7, lid 2, van de Grondwet bedoelde akkoord betreffende de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens voorziet in de instandhouding van de specifieke kenmerken van de Unie en het recht van de Unie, met name wat betreft:
    • de specifieke voorwaarden van de eventuele deelname van de Unie aan de controleinstanties van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens;
    • de benodigde mechanismen om ervoor te zorgen dat door staten die geen lidstaat zijn ingeleide procedures en individuele beroepen correct tot de lidstaten en/of de Unie worden gericht, naargelang het geval.
  • 2. 
    Het in lid 1 bedoelde akkoord is van dien aard dat de toetreding de bevoegdheden van de Unie en die van haar instellingen onverlet laat. Het waarborgt tevens dat de situatie van de lidstaten ten aanzien van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en met name ten aanzien van de aan dat Verdrag gehechte protocollen, de door de lidstaten overeenkomstig artikel 15 van dat Verdrag genomen afwijkende maatregelen en de door de lidstaten overeenkomstig artikel 57 van dat Verdrag gemaakte voorbehouden geheel onverlet blijft.
  • 3. 
    Het in lid 1 bedoelde akkoord laat artikel III-281, lid 2, van de Grondwet geheel onverlet.
 

Noot bij het Protocol:

In het werkdocument CIG 73/04 (29 april 2004) luidde het commentaar bij de invoeging van dit nieuwe protocol:

"De post-Napelstekst [document CIG 60/03 ADD 1] blijft gehandhaafd, met de toevoeging van een protocol dat bedoeld is om tegemoet te komen aan de wensen van enkele delegaties."