Artikel 125: Provinciale en gemeentelijke organen

124
Artikel 125
126
  • 1. 
    Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.
  • 2. 
    Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

In andere talen:

English "English"
Français "Français"
Deutsch "Deutsch"
Español "Español"

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting

Provinciale Staten staan aan het hoofd van de provincie, de gemeenteraad staat aan het hoofd van de gemeente. Hun vergaderingen zijn openbaar. Hiermee wordt hun positie als democratisch gekozen hoofdorganen van het bestuur van provincies en gemeenten benadrukt.

Naast de Provinciale Staten bestaat het bestuur van de provincie uit de Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning(in). Het bestuur van een gemeente bestaat behalve uit de gemeenteraad ook uit het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

2.

Formele toelichting

In artikel 125 is vastgelegd dat provinciale staten en de gemeenteraad aan het hoofd staan van de provincie, respectievelijk de gemeente, en dat hun vergaderingen in beginsel openbaar zijn. Op deze wijze wordt de positie van provinciale staten en de gemeenteraad als hoofdorganen van het bestuur van provincies en gemeenten benadrukt.

Het tweede lid van dit artikel vermeldt de belangrijkste overige bestuursorganen van provincies en gemeenten. Voor de provincie zijn dit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, voor de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

3.

In eenvoudig Nederlands

  • 1. 
    Provinciale staten zijn de baas van de provincie. De gemeenteraad is de baas van de gemeente. Iedereen mag naar hun vergaderingen komen kijken en luisteren. In de wet kunnen uitzonderingen staan. In de wet kan ook staan dat iemand anders over deze uitzonderingen beslist.
  • 2. 
    In het bestuur van de provincie zitten ook de gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning. In het bestuur van de gemeente zitten ook het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.
  • 3. 

Uitleg

Als er verkiezingen zijn, dan kiezen we de provinciale staten. Of de gemeenteraad. Omdat we hen kiezen, zijn zij de baas van de provincie en de gemeente.

Iedereen mag naar de vergaderingen van provinciale staten en de gemeenteraad komen kijken en luisteren. In de wet kunnen uitzonderingen staan.

De provinciale staten besturen de provincie samen met de gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning. De provinciale staten vergaderen niet zo vaak. De gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning werken wel iedere dag. Eigenlijk besturen zij de provincie. En de provinciale staten controleren of zij dat goed doen.

Zo gaat het ook bij de gemeente. De gemeenteraad bestuurt de gemeente samen met het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. De gemeenteraad vergadert niet zo vaak. Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester werken wel iedere dag. Eigenlijk besturen zij de gemeente. En de gemeenteraad controleert of zij dat goed doen.

5.

Literatuur

Wetenschappelijk

  • Gemeentewet, Provinciewet, Wet gemeenschappelijke regelingen: de tekst van de Gemeentewet, de Provinciewet en de Wet gemeenschappelijke regelingen voorzien van commentaar (onder red. van T.D. Cammelbeeck, H.R.B.M. Kummeling), 2009 (5e druk)
  • J.H. Mensen, Provinciewet (2008)
  • Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Van der Pot (bewerkt door D.J. Elzinga, R. de Lange), 15e druk, De decentrale rechtsgemeenschappen, 833 t/m 958.

6.

Praktijkvragen

Via de Rijksoverheid komen veel vragen over binnen, zoals:

Hebt u een andere vraag? Bel 1400 (U betaalt alleen de gebruikelijke belkosten).

7.

Toelichting Memorie van Toelichting

Dit wetsvoorstel strekt ertoe de grondwettelijke regeling van het voorzitterschap van de gemeenteraad en van provinciale staten te deconstitutionaliseren. Voorgesteld wordt om artikel 125, derde lid, van de Grondwet te laten vervallen. Hierin is sinds 1983 vastgelegd dat de burgemeester voorzitter is van de vergaderingen van de gemeenteraad en dat de commissaris van de Koning voorzitter is van de vergaderingen van provinciale staten.

Aanleiding voor onderhavig voorstel is de invoering van de gekozen burgemeester. Tijdens het overleg met de Tweede Kamer over de Hoofdlijnennotitie invoering gekozen burgemeester (Kamerstukken II 2003/04, 29 223, nr. 1) is gebleken dat de Tweede Kamer in meerderheid van oordeel is dat de als gevolg van zijn kiezersmandaat meer politiek geprofileerde positie van de (gekozen) burgemeester spanning kan opleveren met het voorzitterschap van het orgaan, dat onder meer als taak heeft het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester te controleren. Ook in een aantal adviezen die in het najaar van 2003 over genoemde hoofdlijnennotitie en afgelopen voorjaar over de concept-wetsvoorstellen tot invoering van de gekozen burgemeester zijn uitgebracht, is ontkoppeling van het burgemeesterschap en het raadsvoorzitterschap bepleit.

Wij hebben de Tweede Kamer bij brief van 29 juni 2004 (Kamerstukken 2003/04, 29 223, nr. 10, blz. 3) vervolgens de indiening van onderhavig voorstel toegezegd. Redengeving voor dit voorstel is dat het raadsvoorzitterschap van de burgemeester naar het oordeel van de regering niet van constitutionele orde is, zoals in het vervolg van deze toelichting uiteen gezet zal worden.

Het voorstel maakt door schrapping van artikel 125, derde lid, de weg vrij voor een eventueel andere invulling van het raadsvoorzitterschap, indien dit te zijner tijd door de wetgever zou worden gewenst. Hoewel geen invoering van de rechtstreeks gekozen commissaris van de Koning wordt nagestreefd, menen wij dat ook het voorzitterschap van provinciale staten moet worden gedeconstitutionaliseerd, omdat ook dat voorzitterschap niet van constitutionele orde moet worden geacht. Bovendien is het, net als bij het voorstel tot deconstitutionalisering van de aanstellingswijze, van belang hier geen onderscheid te maken tussen de gemeentelijke en provinciale inrichting. In dit verband is voorts relevant dat het raadsvoorzitterschap van de burgemeester en het statenvoorzitterschap van de commissaris van de Koning beide door de invoering van dualisering in de praktijk als minder vanzelfsprekend worden ervaren. Ook daarom ligt het in de rede dit wetsvoorstel beide voorzitterschappen te deconstitutionaliseren. In het vervolg van deze toelichting wordt kortheidshalve alleen gesproken over de burgemeester, het raadsvoorzitterschap en het gemeentelijk bestel.

Gekozen is voor het geheel schrappen van de regeling van het raadsvoorzitterschap. Een specifieke opdracht aan de wetgever om het raadsvoorzitterschap te regelen acht de regering niet nodig, omdat artikel 132, eerste lid, Grondwet al de algemene opdracht aan de wetgever bevat om de inrichting van provincies en gemeenten, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, te regelen. De oorspronkelijke ratio van het voorschrift inzake het raadvoorzitterschap geeft bovendien geen aanleiding te voorzien in een grondwettelijke opdracht aan de wetgever.

Het huidige artikel 125, derde lid, is zoals hiervoor reeds gememoreerd, in 1983 in de Grondwet opgenomen. Tot 1983 volgde het raadsvoorzitterschap van de burgemeester indirect uit de sinds 1848 in de Grondwet opgenomen bepaling, die naar de tekst van de Grondwet van 1953 (artikel 152, vijfde lid) luidde: «De Voorzitter wordt door den Koning, ook buiten de leden van de raad, benoemd en door Hem ontslagen.» Het begrip burgemeester kwam tot 1983 in de Grondwet niet voor, evenmin overigens als het begrip college van burgemeester en wethouders. Het enige gemeentelijk bestuursorgaan dat de Grondwet tussen 1848 en 1983 kende, was de raad.

De algehele grondwetsherziening van 1983 bracht een vereenvoudiging en stroomlijning van de Grondwet. Dit leidde ten aanzien van hoofdstuk 7 tevens tot een uniformering van de bepalingen ten aanzien van gemeenten en provincies. Sinds de Grondwet van 1983 worden naast de raad ook beide andere gemeentelijke organen in de Grondwet genoemd. In artikel 125, tweede lid, worden de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders genoemd als organen die ook namelijk naast de raad die in artikel 125, eerste lid, als hoofd van de gemeente als eerste wordt genoemd deel uitmaken van het bestuur van de gemeente. De kroonbenoeming van de burgemeester kwam terug in een afzonderlijke bepaling (artikel 131) zonder de indirecte koppeling aan het voorzitterschap van de raad. Daarnaast kwam echter ook het raadsvoorzitterschap van de burgemeester als afzonderlijke bepaling terug in het huidige artikel 125, derde lid. Dit maakte geen deel uit van de regeringsvoorstellen die op dit punt de voorstellen van de staatscommissie Cals-Donner volgden, maar was het gevolg van de aanvaarding van een amendement-Faber (Kamerstukken II 1978/79, 13 990, nr. 21). Geconfronteerd met het amendement, stelde de regering zich destijds op het standpunt dat een dergelijk gedetailleerd voorschrift niet in de opzet van hoofdstuk 7 paste, te meer daar het hoofdstuk, afgezien van de bevoegdheid tot het vaststellen van verordeningen, geen specifieke bevoegdheden regelde (Kamerstukken II 1976/77, 13 990, nr. 6, blz. 24; Kamerstukken 1978/79, 13 990, nr. 9 (herdruk), blz. 14; Hand. II, 1978/79, blz. 4031). De regering achtte het in het licht van de bij de behandeling van de Nota inzake het grondwetsherzieningsbeleid aanvaarde motie Tilanus (Bijlage Hand. II, 1974/75, 12 944, nr. 24) waarin de regering werd gevraagd geen voorstellen aanhangig te maken met als doel de bepalingen omtrent de methode van aanstelling van de burgemeester en de commissaris van de Koning uit de Grondwet te verwijderen wenselijk vast te houden aan wat voordien in de Grondwet geregeld was, maar wilde niet verder gaan door zaken in de Grondwet te regelen die daarin niet eerder waren vastgelegd (i.c het raadsvoorzitterschap van de burgemeester). Het motief voor het ingediende amendement werd mede gevormd door de vrees dat de loskoppeling van de aanstellingswijze van de burgemeester en het raadsvoorzitterschap de wetgever ruimte zou laten om de functie van de benoemde burgemeester uit te hollen. Deze discussie, die zich in formele zin toespitste op de vraag of het afzonderlijk grondwettelijk verankeren van het raadsvoorzitterschap (naast de bepaling inzake de benoeming van de burgemeester) wel of niet als constitutionalisering was aan te merken, kan hier verder onbesproken blijven.

Thans is van belang dat de Tweede Kamer recent het grondwetsherzieningsvoorstel strekkende tot deconstitutionalisering van de aanstellingswijze van de burgemeester en de commissaris van de Koning (Kamerstukken 28 509) heeft aanvaard. Naar het oordeel van de regering ligt het in de lijn van de aanstaande deconstitutionalisering van de aanstellingswijze van de burgemeester om nu ook het raadsvoorzitterschap van de burgemeester te deconstitutionaliseren.

De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,

J. P. Balkenende

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,

Th. C. de Graaf

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes

8.

Ontwikkeling artikel

1814

Zij noemen, indien zij dit noodig oordeelen, uit hun midden, een of meer kollegiën van eenige leden, tot beleid van zaken, zoo gedurende den tijd hunner vergadering als van hunne afwezendheid.

1815

De Staten benoemen uit hun midden een kollegie van Gedeputeerde Staten, aan hetwelk moet worden opgedragen in het algemeen alles wat tot het dagelijksch beleid der zaken en de uitvoering der algemeene wetten betrekking heeft, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet.

In de Provincie Holland vermogen, wegens derzelver uitgestrektheid en bevolking twee kollegiën van Gedeputeerde Staten te worden aangesteld.

1840

De Staten benoemen uit hun midden een kollegie van Gedeputeerde Staten, aan hetwelk moet worden opgedragen in het algemeen alles wat tot het dagelijksch beleid der zaken en de uitvoering der algemeene wetten betrekking heeft, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet.

1848

De Staten benoemen uit hun midden een collegie van Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens de regels, door de wet te stellen, de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken worden opgedragen, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet.

1887: art 139, 1917: art 139, 1922: art 139, 1938: art 141, 1948: art 141, 1953: art 148, 1956: art 148, 1963: art 148, 1972: art 148
1983
  • 1. 
    Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.
  • 2. 
    Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.
  • 3. 
    De commissaris van de Koning en de burgemeester zijn voorzitter van de vergaderingen van provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad.
1987: art 125, 1995: art 125, 1999: art 125, 2000: art 125, 2002: art 125, 2005: art 125, 2006: art 125
2008
  • 1. 
    Aan het hoofd van de provincie en de gemeente staan provinciale staten onderscheidenlijk de gemeenteraad. Hun vergaderingen zijn openbaar, behoudens bij de wet te regelen uitzonderingen.
  • 2. 
    Van het bestuur van de provincie maken ook deel uit gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, van het bestuur van de gemeente het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.
2017: art 125, 2018: art 125