Titel III - De internationale betrekkingen van de Unie

Inhoudsopgave van deze pagina:

63.

Beginselen en werkwijzen

  • 1. 
    Op het gebied van de internationale betrekkingen richt de Unie haar streven op
    • het bereiken van vrede door de vreedzame regeling van geschillen, alsmede op
    • de veiligheid,
    • het afschrikken van agressie,
    • de ontspanning,
    • de wederzijdse evenwichtige en controleerbare vermindering van de strijdkrachten en de bewapening,
    • de eerbiediging van de mensenrechten,
    • het verhogen van de levensstandaard in de derde wereld,
    • de uitbreiding en verbetering van de internationale economische en monetaire betrekkingen in het algemeen en van de handelsbetrekkingen in het bijzonder, alsmede op
    • het versterken van de internationale organisaties.
  • 2. 
    Het internationale optreden van de Unie is gericht op de verwezenlijking van de in artikel 9 van dit Verdrag genoemde doelstellingen en geschiedt hetzij langs de weg van het gemeenschappelijk optreden, hetzij langs de weg van de samenwerking.

64.

Gemeenschappelijk optreden

  • 1. 
    In de internationale betrekkingen maakt de Unie gebruik van de methode van het gemeenschappelijk optreden op de in dit Verdrag genoemde gebieden ten aanzien waarvan zij een exclusieve of concurrerende bevoegdheid heeft.
  • 2. 
    Op het terrein van de handelspolitiek bezit de Unie een exclusieve bevoegdheid.
  • 3. 
    De Unie voert een ontwikkelingsbeleid. Tijdens een overgangsperiode van tien jaar krijgt dit beleid geleidelijk het karakter van een gemeenschappelijk optreden van de Unie. Voor zover de Lid-Staten onafhankelijke programma's blijven uitvoeren, stelt de Unie het kader vast waarbinnen zij zorg draagt voor de coördinatie van deze programma's met haar eigen beleid, onder eerbiediging van de vigerende internationale verplichtingen.
  • 4. 
    Wanneer bepaalde vormen van extern beleid tot de exclusieve bevoegdheid van de Europese Gemeenschappen behoren krachtens de Verdragen tot instelling daarvan, maar deze bevoegdheid niet volledig uitgeoefend is, worden bij de wet de voorwaarden en de termijnen vastgesteld die noodzakelijk zijn voor de volledige, uitoefening daarvan binnen een tijdsbestek dat niet langer dan vijf jaar mag bedragen.

65.

Tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk optreden

  • 1. 
    Bij de uitoefening van haar bevoegdheden wordt de Unie in haar betrekkingen met derde landen en internationale organisaties vertegenwoordigd door de Commissie. Met name voert de Commissie namens de Unie de onderhandelingen over internationale overeenkomsten. Zij onderhoudt de betrekkingen met alle internationale, organisaties en werkt samen met de Raad van Europa, vooral in de culturele sector.
  • 2. 
    De Raad van de Unie kan richtlijnen geven aan de Commissie voor de tenuitvoerlegging van het internationale optreden; de Raad is gehouden tot het geven van richtlijnen aan de Commissie, na deze met volstrekte meerderheid te hebben goedgekeurd, wanneer de Commissie deelneemt aan de voorbereiding van besluiten en de onderhandelingen over overeenkomsten waardoor internationale verplichtingen voor de Unie worden geschapen.
  • 3. 
    Het Parlement wordt tijdig via daartoe geschikte methoden op de hoogte gesteld van alle maatregelen van de bevoegde instellingen op het gebied van de internationale politiek.
  • 4. 
    Het Parlement en de Raad van de Unie, die beide met volstrekte meerderheid besluiten, verlenen goedkeuring aan internationale overeenkomsten en dragen de Voorzitter van de Commissie op de ratificatieoorkonden neder te leggen.

66.

Samenwerking

De internationale betrekkingen van de Unie verlopen langs de weg van de samenwerking ingeval artikel 64 van dit Verdrag niet van toepassing is en wanneer het gaat om:

  • aangelegenheden die rechtstreeks de belangen van verscheidene Lid-Staten van de Unie raken,
  • dan wel gebieden waarop de Lid-Staten afzonderlijk niet even doelmatig kunnen optreden als de Unie,
  • dan wel terreinen waarop een politiek van de Unie noodzakelijk blijkt ter aanvulling op het buitenlands beleid dat in het kader van de bevoegdheden van de Lid-Staten wordt gevoerd,
  • dan wel aangelegenheden in verband met de politieke en economische aspecten van de veiligheid.

67.

Tenuitvoerlegging van de samenwerking

Op de in artikel 66 van dit Verdrag bedoelde gebieden:

  • 1. 
    Is de Europese Raad verantwoordelijk voor de samenwerking, die ten uitvoer wordt gelegd door de Raad van de Unie. De Commissie kan voorstellen doen voor beleidsvormen en maatregelen, die op verzoek van de Europese Raad of de Raad van de Unie, hetzij door de Commissie hetzij door de Lid-Staten worden uitgevoerd.
  • 2. 
    De Unie ziet toe op de samenhang van de oriëntaties van het internationale beleid van de Lid-Staten.
  • 3. 
    De Unie coördineert de standpunten van de Lid-Staten bij de onderhandelingen over internationale overeenkomsten en in het kader van internationale organisatie.
  • 4. 
    Wanneer om dringende redenen een onmiddellijk optreden geboden is, kan een Lid-Staat die hier in het bijzonder bij betrokken is afzonderlijk handelen na de Europese Raad en de Commissie op de hoogte te hebben gesteld.
  • 5. 
    De Europese Raad kan zijn Voorzitter, de Voorzitter van de Raad van de Unie of de Commissie verzoeken op te treden als woordvoerder van de Unie.

68.

Uitbreiding van het gebied van de samenwerking en overheveling van de samenwerking naar het terrein van het gemeenschappelijk optreden

  • 1. 
    De Europese Raad kan het gebied van de samenwerking uitbreiden, met name waar het gaat om bewapening, wapenverkopen aan derde landen, defensiebeleid en ontwapening.
  • 2. 
    Onder de in artikel 11 van dit Verdrag bedoelde voorwaarden, kan de Europese Raad besluiten een specifiek gebied van de samenwerking over te hevelen naar het gemeenschappelijk optreden op het gebied van de buitenlandse politiek. In dat geval is het bepaalde in artikel 23, lid 3, van dit Verdrag van toepassing, zonder beperking in de tijd.

    Geleid door het in artikel 35 van dit Verdrag neergelegde beginsel, kan de Raad van de Unie bij wijze van uitzondering en met eenparigheid van stemmen één of meer Lid-Staten machtigen af te wijken van bepaalde maatregelen die in het kader van het gemeenschappelijk optreden zijn genomen.

  • 3. 
    In afwijking van artikel 11, lid 2, van dit Verdrag kan de Europese Raad besluiten de overeenkomstig lid 2 van dit artikel naar het gemeenschappelijk optreden overgehevelde gebieden opnieuw hetzij onder de samenwerking hetzij onder de bevoegdheid van de Lid-Staten te doen vallen.
  • 4. 
    Onder de in lid 2 van dit artikel genoemde voorwaarden kan de Europese Raad besluiten een bepaald probleem gedurende de tijd die nodig is voor de oplossing daarvan over te hevelen naar het gebied van het gemeenschappelijk optreden. In dat geval is lid 3 van dit artikel niet van toepassing.

69.

Gezantschapsrecht

  • 1. 
    De Commissie kan, met toestemming van de Raad van de Unie, in derde landen en bij internationale organisaties vertegenwoordigingen vestigen.
  • 2. 
    Deze zijn belast met de vertegenwoordiging van de Unie bij alle aangelegenheden die vallen onder het gemeenschappelijk optreden. Zij kunnen tevens, in samenwerking met de diplomatieke vertegenwoordiger van de Lid-Staat die het voorzitterschap van de Europese Raad bekleedt, de diplomatieke activiteiten van de Lid-Staten coördineren op de gebieden die onder de samenwerking vallen.
  • 3. 
    In derde landen en bij internationale organisaties waar de Unie geen vertegenwoordiging heeft, wordt zij vertegenwoordigd door de diplomatieke vertegenwoordiger van de Lid-Staat die het voorzitterschap van de Europese Raad bekleedt of bij gebreke daarvan door de diplomatieke vertegenwoordiger van een der andere Lid-Staten.