Artikel I-11: Grondbeginselen

I-10
Artikel I-11
I-12
  • 1. 
    De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van die bevoegdheden wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.
  • 2. 
    Krachtens het beginsel van bevoegdheidstoedeling handelt de Unie binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Grondwet zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die in de Grondwet niet aan de Unie zijn toe gedeeld, behoren toe aan de lidstaten.
  • 3. 
    Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt.

    De instellingen van de Unie passen het subsidiariteitsbeginsel toe overeenkomstig het protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. De nationale parlementen zien er volgens de in dat protocol vastgelegde procedure op toe dat het beginsel wordt geëerbiedigd.

  • 4. 
    Krachtens het evenredigheidsbeginsel gaan de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de Grondwet te verwezenlijken.

    De instellingen van de Unie passen het evenredigheidsbeginsel toe overeenkomstig het protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting Nederlandse regering

Algemeen

Eén van de verworvenheden van het Grondwettelijk Verdrag is de verduidelijking van de bevoegdhedenstructuur van de Unie. De aanbevelingen van een Conventiewerkgroep hebben bijgedragen aan het eindresultaat. De basisprincipes van de bevoegdheidsverdeling zijn neergelegd in Titel III van Deel I. Sommige van deze principes bestonden reeds impliciet onder de EG en EU-Verdragen. De systematische opname in het Grondwettelijk Verdrag is echter een verbetering in het licht van het streven naar grotere transparantie en duidelijkheid.

De uitwerking van de in deze Titel beschreven algemene bevoegdheidstoedeling op de specifieke beleidsterreinen is te vinden in het beleidsdeel (Deel III) van het Verdrag. Voor het uiteindelijke optreden van de Unie zijn immers de uitgewerkte rechtsbases in Deel III nodig.

Er zijn drie verschillende categorieën: gebieden waarop de Unie exclusief bevoegd is, gebieden waarop de Unie en de lidstaten een gedeelde bevoegdheid hebben en gebieden waarop de Unie ondersteunend, coördinerend of aanvullend kan optreden. Nieuw is dat de algemene indeling van de beleidsterreinen in beleidscategorieën is vastgelegd in het Verdrag. Slechts door verdragswijziging kunnen bepaalde beleidsterreinen in de bevoegdhedencatalogus van plaats veranderen.

In de categorieën zijn de verschillende beleidsterreinen ondergebracht. In enkele gevallen zijn de bestaande bevoegdheden onder het EG-Verdrag en het EU-Verdrag uitgebreid (ruimte van vrijheid, veiligheid en recht). Ook worden er nieuwe beleidsterreinen onder de driedeling gebracht (energie en toerisme). Daarnaast wordt in deze Titel een tweetal beleidsgebieden opgenomen, die een eigen karakter hebben. Het betreft de coördinatie van het economisch beleid en het werkgelegenheidsbeleid alsmede het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Ten slotte is een flexibiliteitsartikel opgenomen (artikel I-18).

De regering meent dat op het terrein van de bevoegdheidsverdeling sprake is van een belangrijk resultaat. Het in het Grondwettelijk Verdrag neergelegde systeem biedt helderheid omtrent de intensiteit en reikwijdte van het optreden van de Unie. Daardoor ontstaat de door velen gewenste duidelijkheid in de verhouding tussen Unie enerzijds en lidstaten anderzijds. Een dergelijk transparant systeem van bevoegdheidsverdeling kan een waarborg vormen tegen de, tegenwoordig steeds vaker gesignaleerde, angst voor een ongebreidelde machtstoename van het Brusselse apparaat ten koste van de bevoegdheden van de lidstaten.

Deze angst is objectief vast te stellen in de verschillende media. Zonder afbreuk te doen aan het grote belang van de lidstaten bij de participatie in Brussel, wordt met deze angst terdege rekening gehouden en zijn de nodige waarborgen gecreëerd om deze het hoofd te bieden. Op deze manier wordt het effectief optreden van de lidstaat in Europees verband zekergesteld.

Bij dit artikel

De in dit artikel neergelegde beginselen van bevoegdheidstoedeling, subsidiariteit en evenredigheid zijn grotendeels ongewijzigd overgenomen uit het EG-Verdrag. In het tweede lid van artikel I-11 is uitdrukkelijk bepaald dat bevoegdheden die niet aan de Unie zijn toebedeeld, aan de lidstaten toebehoren.

In aanvulling op de tekst in het EG-Verdrag wordt bij het subsidiariteitsbeginsel ten aanzien van het begrip 'lidstaat' in het derde lid van artikel I-11 expliciet gesproken over centraal, regionaal en lokaal niveau. Hiermee is verduidelijkt dat het bij de afweging tussen optreden van de Unie enerzijds en optreden van de lidstaat anderzijds, bij de lidstaat niet per se gaat om het centrale overheidsniveau, maar dat het ook het lokale of regionale (provinciale) overheidsniveau kan betreffen.

Het derde en vierde lid bevatten een vernieuwing. Op grond van het derde lid passen de instellingen van de Unie het subsidiariteitsbeginsel toe overeenkomstig het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid (Protocol 2), terwijl de nationale parlementen toezien op de eerbiediging van dit beginsel volgens de in dit Protocol neergelegde procedure.

Het derde lid van artikel I-11 noemt ook expliciet het regionaal en lokaal niveau van optreden. Deze vermelding is met name gericht op het omschrijven van het beginsel van subsidiariteit. Volgens dat beginsel treedt de Unie alleen op voor zover de doelstellingen van een optreden niet voldoende kunnen worden bereikt door de lidstaten op nationaal, regionaal of lokaal niveau. Inhoudelijk is daarmee de regionale en lokale dimensie in het Grondwettelijk Verdrag versterkt.

Juridisch gezien gaat van het vermelden van het regionaal en lokaal niveau geen aparte werking uit. De werking van het subsidiariteitsbeginsel is immers geconcretiseerd in het Protocol terzake. Daarin wordt slechts bepaald of Unie-optreden in overeenstemming is met het beginsel van subsidiariteit. Als dit niet het geval is, wordt optreden aan de lidstaten overgelaten. Het is in dat geval niet aan de Unie of het Verdrag om nader te bepalen of dat op nationaal, regionaal of lokaal niveau is.

Op grond van het vierde lid passen de instellingen van de Unie het evenredigheidsbeginsel toe overeenkomstig het genoemde Protocol.

2.

Toelichting Belgische regering

Artikel I-11 stelt de grondbeginselen vast die de bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten regelen. In de Grondwet worden deze beginselen, die al aanwezig zijn in de huidige verdragen, verduidelijkt en gepreciseerd.

Volgens het beginsel van bevoegdheidstoedeling heeft de Unie slechts bevoegdheden die de Grondwet haar expliciet toekent.

Volgens het subsidiariteitsbeginsel mag er slechts opgetreden worden op niveau van de Europese Unie indien de doelstellingen op dat niveau beter kunnen worden verwezenlijkt dan op het nationale, regionale of lokale niveau. Er werd een Protocol toegevoegd om de nationale parlementen rechtstreeks bij de controle van het subsidiariteitsbeginsel te betrekken.

Op die manier beschikken de nationale parlementen over de mogelijkheid om een mechanisme voor « vroegtijdige waarschuwing » in werking te stellen wanneer zij van mening zijn dat het subsidiariteitsbeginsel niet wordt gerespecteerd. In punt 6 van deze memorie van toelichting wordt uitvoeriger ingegaan op dit protocol.

Volgens het evenredigheidsbeginsel mogen de inhoud van het optreden van de Unie en de aangewende rechtsmiddelen niet verder gaan dan wat nodig is om het beoogde doel te bereiken.

3.

Ontwikkeling artikel

1984
  • 1. 
    Indien dit Verdrag aan de Unie een exclusieve bevoegdheid toekent, zijn alleen de instellingen van de Unie bevoegd te handelen; de nationale autoriteiten kunnen slechts handelend optreden voor zover zulks in de wetten van de Unie is bepaald.

    Zolang de Unie nog geen wetten heeft uitgevaardigd, blijven de nationale bepalingen van kracht.

  • 2. 
    Indien dit Verdrag een concurrerende bevoegdheid aan de Unie toekent, handelen de Lid-Staten daar waar de Unie niet is opgetreden.

    De Unie handelt slechts ter uitvoering van taken die doelmatiger gemeenschappelijk kunnen worden verricht dan door de Lid-Staten afzonderlijk en inzonderheid van die taken tot de uitvoering waarvan een optreden van de Unie vereist is, omdat zij qua omvang of qua gevolgen de nationale grenzen te buiten gaan.

    De wet waarbij een gemeenschappelijk optreden op een tot dan toe nog niet door de Unie of door de Gemeenschappen betreden gebied wordt ingeleid, moet volgens de voor een organieke wet geldende procedure worden aangenomen.

Toelichting

In de toelichting bij dit ontwerp-Verdrag becommentarieerde Spinelli het subsidiariteitsbeginsel als volgt:

  • 23. 
    Om de Unie in staat te stellen het subsidiariteitsbeginsel doeltreffend toe te passen, is bij het gemeenschappelijk optreden onderscheid gemaakt tussen exclusieve bevoegdheden die gebieden omvatten waar de Unie haar bevoegdheden vanaf haar oprichting volledig uitoefent, en concurrerende bevoegdheden waarvan de uitoefening, volgens vastgestelde procedures, al naar gelang van het daadwerkelijke nut zal worden aangepast.

    Voorts is in de mogelijkheid voorzien om sommige activiteiten van het gebied van de samenwerking voorlopig of definitief met eenvoudiger procedures dan een ware herziening van het Verdrag over te hevelen naar het terrein van het gemeenschappelijk optreden.

Over de bevoegdheden zij Spinelli het volgende:

  • 29. 
    Van de bevoegdheden beschrijft het Verdrag in de eerste plaats de economische bevoegdheden. Het voornaamste kenmerk van deze groep van bevoegdheden is dat zij in de eerste plaats beogen de bepalingen van de communautaire Verdragen en het Europees Monetair Stelsel ten uitvoer te leggen, te verdiepen en te verbeteren, waarbij echter de eigen besluitvormingsprocedure van de Unie wordt benut, waardoor alle bevoegdheden op coherente wijze kunnen worden uitgeoefend.

    Daaraan wordt echter het optreden van de Unie op het gebied van het industriebeleid, waar de tekortkomingen van de Gemeenschap zijn betreurd, vooral nu de behoefte aan herstructurering duidelijk is, aLsmede op het gebied van telecommunicatie, energie en onderzoek toegevoegd of in de wet vastgelegd.

    De Unie krijgt tevens de opdracht en de passende institutionele instrumenten om de Monetaire Unie tot stand te brengen.

  • 30. 
    Het maatschappijbeleid groepeert op grond van een nieuwe aanpak enkele beleidsvormen met betrekking tot de samenleving en meer in het bijzonder de levenskwaliteit, die echter ook in nauw verband staan met de economische bevoegdheden.

    Ook op dit gebied wordt aLs richtsnoer gekozen het volledige herstel van de communautaire verworvenheden, de ontwikkeling ervan en de uitbreiding van de bevoegdheden.

    Het communautaire sociale beleid wordt namelijk volledig overgenomen en deels uitgebreid, zoals bij voorbeeld voor wat de gelijkheid tussen mannen en vrouwen betreft. Daarentegen wordt het milieubeleid, waarmee de Gemeenschap toch al was begonnen, overgenomen zoals het in het Verdrag voorkomt, terwijl het cultuur-, onderwijs-, onderzoek- en voorlichtingsbeleid naar verhouding is.

    De communautaire verworvenheden die volledig worden overgenomen en uitgebreid, vormen de grondslag van het regionaal beleid, dat in het Verdrag van de Unie zelf wordt opgenomen, hetgeen een aanzienlijke stap vooruit betekent ten opzichte van het EEG-Verdrag.

  • 31. 
    Aparte vermelding verdienen de internationale betrekkingen van de Unie, die zijn gebaseerd op het streven naar vrede, veiligheid, samenwerking en versterking van de internationale organisatie. Op dit gebied kon men zich niet beperken tot een simpele opsomming van de bevoegdheden, maar moest tevens worden gezocht naar een wijze van uitoefening ervan die enerzijds voldoende rekening houdt met het feit dat dit een moeilijk probleem is en anderzijds niet de noodzaak uit het oog verliest dat geleidelijk een doeltreffend buitenlands beleid moet worden gevoerd, dat in overeenstemming is met de verantwoordelijkheden van Europa in de wereld.

    De buitenlandse aspecten van de exclusieve en concurrerende bevoegdheden van de Unie vallen onder het gemeenschappelijk optreden, waarbij echter de Raad van de Unie, waarin de nationale regeringen zijn vertegenwoordigd, meer gewicht in de schaal legt.

    In dit verband wordt de taak van de Unie tot voortzetting en uitbreiding van het communautaire ontwikkelingshulpbeleid bevestigd.

    De methode van samenwerking, beheerd door de Europese Raad, maar mogelijk met deelneming van de andere instellingen, wordt toegepast in de andere sectoren van het internationale beleid die van gemeenschappelijk belang zijn.

    Erkend wordt dat de politieke en economische aspecten van de veiligheid tot de samenwerking behoren, maar de Europese Raad kan de samenwerking ook tot de andere veiligheidsaspecten uitbreiden, d.w.z. tot de bewapening, de verkoop van wapens aan derde landen, defensie en ontwapening.

    Als het subsidiariteitsbeginsel het vereist, heeft de Europese Raad de bevoegdheid om te besluiten dat bepaalde kwesties die onder de samenwerking vallen tijdelijk met bepaalde waarborgen en voorlopig en bij wijze van experiment, of voor onbepaalde tijd, onder het gemeenschappelijk optreden vallen.

    Zonder afbreuk te doel aan de noodzaak van eenstemmigheid, die in de Europese Raad de normale wijze van besluitvorming zal zijn maar zonder de formele procedure tot herziening van het Verdrag, is aldus vastgesteld dat de Unie een politieke structuur is die ertoe is bestemd in haar gemeenschappelijk optreden ook alle aspecten van het buitenlands beleid en de veiligheid op te nemen, wanneer deze alle volkeren van de Unie betreffen.

  • 32. 
    Ten slotte enkele opmerkingen over de financiën van de Unie. De voornaamste nieuwigheid op dit gebied betreft de mogelijkheid voor de Unie om haar ontvangsten te wijzigen of nieuwe ontvangsten te scheppen en de invoering vah een stelsel van financiële verevening.

    Speciale aandacht wordt aan de begroting besteed, met name wordt een programmering over meerdere jaren voorzien en wordt het onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte uitgaven afgeschaft. Wat de aanneming van de begroting betreft, heeft het Parlement, ook al wordt het systeem van een gemeenschappelijk besluit van Parlement en Raad van de Unie gehandhaafd, het laatste woord, tenzij de Raad de begroting geheel verwerpt.

1994
  • 1. 
    De Unie oefent uitsluitend de bevoegdheden uit die zijn vastgesteld in deze Grondwet en in de communautaire verdragen en neemt de communautaire verworvenheden over.
  • 2. 
    De Unie en de lid-staten werken gezamenlijk aan de uitvoering van de gemeenschappelijke taken en de verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelen. Zij onthouden zich van elke maatregel die de verwezenlijking van de doelstellingen van de grondwet in gevaar kan brengen.
  • 3. 
    De bepalingen van de Verdragen met betrekking tot doelen en werkingssfeer, die niet door deze Grondwet worden gewijzigd, maken deel uit van het recht van de Unie. Zij kunnen slechts worden gewijzigd overeenkomstig de procedure van de grondwetsherziening.
  • 4. 
    De overige bepalingen van de Verdragen maken eveneens deel uit van het recht van de Unie, voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de Grondwet. Zij kunnen slechts worden gewijzigd bij organieke wet.
  • 5. 
    De wetten van de Europese Gemeenschappen en de maatregelen die zijn genomen in het kader van de samenwerking tussen de lid-staten blijven rechtsgevolgen hebben, voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de Grondwet en zolang zij niet zijn vervangen door wetten of maatregelen die de instellingen van de Unie overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden uitvaardigen.
  • 6. 
    De Unie eerbiedigt de verbintenissen die de Europese Gemeenschappen zijn aangegaan, met name de overeenkomsten en verdragen die met één of meer derde landen of een internationale organisatie zijn gesloten.
2003
  • 1. 
    De afbakening en de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie worden beheerst door de beginselen van bevoegdheidstoewijzing, subsidiariteit, evenredigheid en loyale samenwerking.
  • 2. 
    Volgens het beginsel van bevoegdheidstoewijzing handelt de Unie binnen de grenzen van de bevoegdheden die de Grondwet haar heeft toegewezen om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die de Grondwet niet aan de Unie heeft toegewezen, behoren toe aan de lidstaten.
  • 3. 
    Volgens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Gemeenschap, op gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt.
  • 4. 
    Volgens het evenredigheidsbeginsel reiken de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder dan hetgeen noodzakelijk is om de doelstellingen van de Grondwet te verwezenlijken.
  • 5. 
    Volgens het beginsel van loyale samenwerking laten de Unie en de lidstaten wederzijds elkaars bevoegdheden onverlet en steunen zij elkaar wederzijds bij de vervulling van de taken die uit de Grondwet voortvloeien.

4.

Toelichting

Definitie en toepassing van de grondbeginselen (artikelen 8 en 9)

  • Artikel 8 bevat een opsomming en een duidelijke en expliciete definitie van de grondbeginselen voor de afbakening en de uitoefening van de bevoegdheden.
  • Artikel 9 bevat een aantal voorschriften voor de toepassing van deze beginselen. De opneming van een verwijzing naar de rol van de nationale parlementen heeft ten doel het belang van deze instellingen voor de controle op de naleving van het subsidiariteitsbeginsel te onderstrepen, conform de conclusies van de door de heer Méndez de Vigo voorgezeten werkgroep. De conclusies van het Praesidium in het licht van het debat in de plenaire zitting over de aanbevelingen van de werkgroep zullen worden verwerkt in het Protocol betreffende de toepassing van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel.
  • Het thans reeds bestaande beginsel dat de lidstaten uitvoering geven aan het recht van de Unie wordt ook in dat artikel weergegeven.
  • In lid 6, betreffende de eerbiediging van de nationale identiteit door de Unie, wordt een beginsel dat in artikel 1 van de Grondwet staat, verder uitgewerkt.
2003
  • 1. 
    De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.
  • 2. 
    Krachtens het beginsel van bevoegdheidstoedeling handelt de Unie binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Grondwet zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die in de Grondwet niet aan de Unie zijn toegedeeld, behoren toe aan de lidstaten.
  • 3. 
    Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten, op centraal, regionaal of lokaal niveau, kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt.

    De Instellingen van de Unie passen het subsidiariteitsbeginsel toe overeenkomstig het aan de Grondwet gehechte Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. De nationale parlementen zien toe op de eerbiediging van dat beginsel volgens de in dat Protocol vastgelegde procedure.

  • 4. 
    Krachtens het evenredigheidsbeginsel reiken de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de Grondwet te verwezenlijken.

    De Instellingen passen het evenredigheidsbeginsel toe overeenkomstig het in lid 3 bedoelde Protocol.

2003
  • 1. 
    De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.
  • 2. 
    Krachtens het beginsel van bevoegdheidstoedeling handelt de Unie binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Grondwet zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die in de Grondwet niet aan de Unie zijn toegedeeld, behoren toe aan de lidstaten.
  • 3. 
    Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het optreden niet voldoende door de lidstaten, op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt.

    De instellingen van de Unie passen het subsidiariteitsbeginsel toe overeenkomstig het aan de Grondwet gehechte Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. De nationale parlementen zien erop toe dat het beginsel volgens de in dat protocol vastgelegde procedure wordt geëerbiedigd.

  • 4. 
    Krachtens het evenredigheidsbeginsel reiken de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de Grondwet te verwezenlijken.

    De instellingen passen het evenredigheidsbeginsel toe overeenkomstig het in lid 3 bedoelde protocol.

2003
  • 1. 
    De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.
  • 2. 
    Krachtens het beginsel van bevoegdheidstoedeling handelt de Unie binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Grondwet zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die in de Grondwet niet aan de Unie zijn toegedeeld, behoren toe aan de lidstaten.
  • 3. 
    Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt.

    De instellingen van de Unie passen het subsidiariteitsbeginsel toe overeenkomstig het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. De nationale parlementen zien erop toe dat het beginsel volgens de in dat protocol vastgelegde procedure wordt geëerbiedigd.

  • 4. 
    Krachtens het evenredigheidsbeginsel beperken de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie zich tot hetgeen nodig is om de doelstellingen van de Grondwet te verwezenlijken.

    De instellingen passen het evenredigheidsbeginsel toe overeenkomstig het in lid 3 bedoelde protocol.

2004
  • 1. 
    De afbakening van de bevoegdheden van de Unie wordt beheerst door het beginsel van bevoegdheidstoedeling. De uitoefening van die bevoegdheden wordt beheerst door de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.
  • 2. 
    Krachtens het beginsel van bevoegdheidstoedeling handelt de Unie binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de Grondwet zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Bevoegdheden die in de Grondwet niet aan de Unie zijn toe gedeeld, behoren toe aan de lidstaten.
  • 3. 
    Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt.

    De instellingen van de Unie passen het subsidiariteitsbeginsel toe overeenkomstig het protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. De nationale parlementen zien er volgens de in dat protocol vastgelegde procedure op toe dat het beginsel wordt geëerbiedigd.

  • 4. 
    Krachtens het evenredigheidsbeginsel gaan de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de Grondwet te verwezenlijken.

    De instellingen van de Unie passen het evenredigheidsbeginsel toe overeenkomstig het protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.