Hoofdstuk II - Economisch en monetair beleid

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Onderverdeling

2.

III-177 Doelstellingen economisch en monetair beleid

Voor de toepassing van artikel I-3 omvat het optreden van de lidstaten en de Unie, onder de bij de Grondwet bepaalde voorwaarden, de invoering van een economisch beleid dat gebaseerd is op nauwe coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten, de interne markt en de bepaling van gemeenschappelijke doelstellingen, en dat wordt gevoerd met eerbieding van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging.

Parallel daaraan omvat dit optreden, onder de voorwaarden en volgens de procedures van de Grondwet, één munt, de euro, alsmede het bepalen en voeren van één monetair en wisselkoersbeleid, beide met als hoofddoel het handhaven van prijsstabiliteit en, onverminderd deze doelstelling, het ondersteunen van het algemene economisch beleid in de Unie, overeenkomstig het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging.

Dit optreden van de lidstaten en van de Unie impliceert de eerbiediging van de volgende grondbeginselen: stabiele prijzen, gezonde overheidsfinanciën en monetaire condities en een stabiele betalingsbalans.


3.

Toelichting Nederlandse regering

Het economisch en monetair beleid van de Europese Unie is tijdens de Conventie en de IGC uitvoerig besproken. In het Grondwettelijk Verdrag heeft dit Hoofdstuk verschillende wijzigingen ondergaan ten opzichte van het EG-Verdrag en het EU-Verdrag.

Belangrijke uitkomst is dat de rol van de Commissie ten aanzien van het economisch beleid geconsolideerd en op een aantal plaatsen versterkt is. De regering acht dat een groot winstpunt van het nieuwe verdrag. Het is immers alleen de Commissie die, als neutraal scheidsrechter, kan constateren wanneer lidstaten een economisch beleid of een begrotingsbeleid voeren dat niet strookt met gemaakte afspraken. De Commissie heeft in de afgelopen jaren van neergaande economische trend regelmatig moeten fungeren als de boodschapper van het slechte nieuws. Dat heeft haar niet altijd even geliefd gemaakt. Dat het desalniettemin gelukt is de positie van de Commissie ten aanzien van het economisch beleid te consolideren en versterken in het Grondwettelijk Verdrag moet als winst worden beschouwd.

Een belangrijke aanbeveling van de werkgroep economisch bestuur was om de structuur onder het EG-Verdrag en het EU-Verdrag met een gecentraliseerd monetair beleid en een gedecentraliseerd economisch beleid te handhaven. De coördinatie van het economisch beleid zou moeten worden versterkt door het belang van uitvoering en naleving van gemaakte afspraken te benadrukken en de betrokkenheid van de nationale parlementen hierbij beter vorm te geven. Tevens zijn in de werkgroep opties besproken om de positie van de Commissie te versterken ten aanzien van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en het stabiliteits- en groeipact.

De resultaten van de werkgroep weerspiegelden over het algemeen de Nederlandse inzet. De Nederlandse regering heeft ingezet op versterking van de coördinatie van het economische beleid, allereerst door een betere uitvoering van bestaande afspraken en stroomlijning van procedures. De regering heeft daarbij een versterking van de rol van de Commissie bepleit.

De regering acht het positief dat, door opname in het constitutionele gedeelte (Deel I) van het Grondwettelijk Verdrag economische beleidscoördinatie als een van de fundamentele onderdelen van het Europees beleid is erkend. De rol van de Commissie is hierbij versterkt ten opzichte van het EG-Verdrag en het EU-Verdrag, doordat zij in het Grondwettelijk Verdrag het recht krijgt om "directe" waarschuwingen te geven aan lidstaten als zij oordeelt dat het economisch beleid van een lidstaat niet in overeenstemming is met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid (artikel III-179, vierde lid).

Deze directe waarschuwing zal ook gelden voor het budgettaire beleid van de lidstaten (het 'mechanisme van vroegtijdige waarschuwing' van het stabiliteits- en groeipact is afgeleid van dit artikel). De regering heeft dit resultaat verwelkomd, hoewel zij verder had willen gaan door de Commissie tevens het recht van voorstel te geven voor het indienen van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid (artikel III-179, tweede lid).

De regering heeft tevens ingezet op een versterking van de rol van de Commissie bij de naleving van het stabiliteits- en groeipact, in het bijzonder bij de buitensporig tekortprocedure (artikel III-184, ex artikel 104 EG-Verdrag). De regering heeft zich sterk gemaakt voor strikte handhaving van de afspraken over de nationale begrotingsdiscipline in het kader van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. Het is gebleken dat indien het zwaartepunt bij de bepaling of een significante afwijking van de middellange-termijn doelstelling van het begrotingssaldo optreedt, bij de Raad ligt, het gevaar bestaat dat de interpretatie van de regels om politieke redenen wordt opgerekt.

Teneinde een objectieve en strenge toepassing van het Verdrag en het pact te waarborgen, heeft de regering bepleit de rol van de Commissie in de buitensporig tekortprocedure te versterken, door de Commissie in artikel III-184 het recht van voorstel te geven bij de vaststelling van een buitensporig tekort op de begroting van een lidstaat en bij het richten van aanbevelingen tot een lidstaat om het buitensporig tekort te verhelpen.

Naar aanleiding van de gebeurtenissen in de Ecofin Raad van 25 november 2003, waarbij de Raad de buitensporig tekortprocedures tegen Frankrijk en Duitsland opschortte, heeft de Nederlandse regering, mede onder aansporing van de Tweede Kamer in de motie van het lid De Grave c.s. (Kamerstukken II, 2003-2004, 21 501-07, nr. 426.) haar inzet terzake in de IGC verscherpt. Naast de andere vier prioriteiten (zie paragraaf 3, Inleiding), heeft de regering versterking van de buitensporig tekortprocedure als vijfde prioriteit ingebracht in de onderhandelingen.

Deze laatste prioriteit van Nederland heeft geleid tot een verwoed debat. Pas in de slotbijeenkomst van de IGC is een oplossing gevonden die voor alle lidstaten acceptabel is gebleken. De regering is dan ook verheugd over de Verklaring bij de Slotakte inzake het stabiliteits- en groeipact (Verklaring 17) die op Nederlands voorstel is aangenomen. Deze Verklaring bevat een aantal belangrijke noties, zoals de noodzaak van het opbouwen van begrotingsoverschotten in economisch goede tijden teneinde perioden van economische neergang te kunnen opvangen zonder dat een toevlucht wordt genomen tot buitensporige tekorten. Bovendien wordt het belang van het stabiliteits- en groeipact als raamwerk voor het coördineren van nationaal begrotingsbeleid bevestigd en wordt tevens onderstreept dat het pact een op regels gebaseerd systeem is waarbinnen alle lidstaten gelijk behandeld dienen te worden. Met deze Verklaring was in de ogen van de regering de eerder voorgestelde beperkte versterking van de positie van het Hof van Justitie van minder belang. Gezien de politieke gevoeligheid bij andere lidstaten is besloten gezamenlijk vooruit te kijken naar de toekomst in een politieke verklaring. Dit laat onverlet de bestaande bevoegdheid van het Hof om de handelingen van de Raad te toetsen.

De regering had graag gezien dat het recht van voorstel van de Commissie was uitgebreid tot de gehele procedure van artikel III-184. Dat bleek echter niet haalbaar. Niettemin is de regering erin geslaagd, ondanks druk van lidstaten die de in de Conventietekst voorgestelde versterking van de rol van de Commissie in zijn geheel wilden terugdraaien, het recht van voorstel te behouden voor de vaststelling van het bestaan van een buitensporig tekort. De positie van de Commissie in de buitensporig tekortprocedure is dus versterkt, zij het dat de regering verder had willen gaan. Wel is op aandringen van Nederland aan de tekst van artikel III-184, zesde lid, toegevoegd dat de Raad "onverwijld" zal besluiten over de aanbeveling van de Commissie inzake beleidsmaatregelen die een lidstaat met een buitensporig tekort dient te nemen om het tekort te verhelpen.

Ten slotte is in artikel III-194, tweede lid, bepaald dat een blokkerende minderheid ten minste dient te bestaan uit het minimumaantal van die leden van de Raad die meer dan 35% van de totale bevolking van de deelnemende lidstaten vertegenwoordigen, plus één lid. Deze bepaling is een analoge toepassing van het vereiste uit artikel I-25 dat een blokkerende minderheid altijd uit ten minste vier lidstaten dient te bestaan. De gekozen formule betekent dat in de Eurogroep-samenstelling van twaalf landen het minimum aantal lidstaten benodigd voor een blokkerende minderheid drie is. De regering beschouwt dit als een winstpunt, aangezien hiermee de machtsbalans tussen de lidstaten gewaarborgd wordt (lidstaten met een grote bevolking zouden anders de besluitvorming relatief makkelijk kunnen blokkeren).

Concluderend is de regering van mening dat voor het Hoofdstuk economisch en monetair beleid sprake is van een aanvaardbaar resultaat in het Grondwettelijk Verdrag, dat in voldoende mate beantwoordt aan de Nederlandse onderhandelingsinzet.