Artikel III-313: Financiële bepalingen

III-312
Artikel III-313
III-294
  • 1. 
    De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de uitvoering van dit hoofdstuk komen ten laste van de begroting van de Unie.
  • 2. 
    De beleidsuitgaven die uit de uitvoering van dit hoofdstuk voortvloeien, komen eveneens ten laste van de begroting van de Unie, behalve wanneer zij verband houden met operaties die consequenties hebben op militair of defensiegebied of met gevallen waarin de Raad anders besluit.

    Uitgaven die niet ten laste komen van de begroting van de Unie, komen ten laste van de lidstaten volgens de verdeelsleutel die gebaseerd is op het bruto nationaal product, tenzij de Raad anders besluit. Lidstaten waarvan de vertegenwoordiger in de Raad een formele verklaring krachtens artikel III-300, lid 1, tweede alinea, heeft afgelegd, zijn niet verplicht bij te dragen in de financiering van uitgaven welke verband houden met operaties die consequenties hebben op militair of defensiegebied.

  • 3. 
    De Raad stelt bij Europees besluit bijzondere procedures vast die waarborgen dat de op de begroting van de Unie opgevoerde kredieten voor de dringende financiering van initiatieven in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met name voor de voorbereiding van de in artikel I-41, lid 1, en artikel III-309 bedoelde missies, snel beschikbaar komen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

    De voorbereiding van de in artikel I-41, lid 1, en artikel III-309 bedoelde missies die niet ten laste komen van de begroting van de Unie, wordt gefinancierd uit een startfonds, gevormd door bijdragen van de lidstaten.

    De Raad regelt bij Europees besluit, op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen:

    • a) 
      de instelling en vorming van het startfonds, met name ten aanzien van de in het fonds gestorte middelen en de wijze van terugbetaling daarvan;
    • b) 
      het beheer van het startfonds;
    • c) 
      de financiële controle.

    Wanneer een overeenkomstig artikel I-41, lid 1, en artikel III-309 voorgenomen missie niet ten laste van de begroting van de Unie kan worden gebracht, machtigt de Raad de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie om dit fonds te gebruiken. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie brengt de Raad verslag uit over de uitvoering van deze opdracht.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting Nederlandse regering

[geen]

2.

Toelichting Belgische regering

De operationele uitgaven die consequenties hebben op militair of defensiegebied, blijven -- in tegenstelling tot andere uitgaven -- ten laste van de lidstaten, tenzij de Raad daarover anders besluit.

Artikel III-313 voorziet in de oprichting van een startfonds dat wordt gevormd met bijdragen van de lidstaten voor de dringende financiering van de voorbereidende werkzaamheden van de missies die niet ten laste van de begroting van de Unie vallen. De voorwaarden voor dit startfonds worden op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken bij gekwalificeerde meerderheid vastgesteld.

3.

Ontwikkeling artikel

2003
  • 1. 
    De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen van dit hoofdstuk komen ten laste van de begroting van de Unie.
  • 2. 
    De beleidsuitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van die bepalingen komen eveneens ten laste van de begroting van de Unie, behalve wanneer het beleidsuitgaven betreft die voortvloeien uit operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied en gevallen waarin de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit.

    In de gevallen waarin de uitgaven niet ten laste komen van de begroting van de Unie, komen zij ten laste van de lidstaten volgens de bruto nationaal product-verdeelsleutel, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit. Lidstaten wier vertegenwoordiger in de Raad een formele verklaring krachtens artikel 9, lid 1, tweede alinea, heeft afgelegd, zijn niet verplicht bij te dragen in de financiering van uitgaven die voortvloeien uit operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied.

  • 3. 
    In de begroting van de Unie wordt een begrotingsonderdeel gecreëerd voor de dringende financiering van initiatieven in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met name de voorbereidende activiteiten van de in artikel 30, lid 1, van deel I van de Grondwet bedoelde missies. Er worden specifieke procedures ingesteld die moeten waarborgen dat de op dit begrotingsonderdeel opgevoerde kredieten snel toegankelijk zijn en dat zij doeltreffend kunnen worden gebruikt binnen de termijnen die door de situatie in kwestie worden gedicteerd.

    De activiteiten ter voorbereiding van de in artikel 30, lid 1, van deel I van de Grondwet bedoelde missies die niet ten laste komen van de begroting van de Unie, worden gefinancierd door een startfonds, dat wordt gevormd door bijdragen van de lidstaten.

    De Raad neemt met gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken de volgende voorschriften aan:

    • de voorschriften voor de instelling en financiering van het fonds, met name de aan het fonds toegekende financiële middelen en de wijze van afroepen van de bijdragen;
    • de voorschriften voor het beheer van het fonds;
    • de voorschriften voor de financiële controle.

    Wanneer de Raad een missie overweegt als bedoeld in artikel 30 van deel I van de Grondwet, die niet ten laste kan komen van de begroting van de Unie, machtigt hij de minister van Buitenlandse Zaken om dit fonds te gebruiken. De minister van Buitenlandse Zaken brengt aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit mandaat.

4.

Commentaar

  • 1. 
    Tekst van artikel 28.2 VEU, waarbij "begroting van de Europese Gemeenschappen" is vervangen door "begroting van de Unie": "De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid komen ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen."
  • 2. 
    Tekst van artikel 28.3 VEU, waarbij "begroting van de Europese Gemeenschappen" is vervangen door "begroting van de Unie": "De beleidsuitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van die bepalingen komen eveneens ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen, behalve wanneer het beleidsuitgaven betreft die voortvloeien uit operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied en gevallen waarin de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit.

    In de gevallen waarin de uitgaven niet ten laste komen van de begroting van de Europese Gemeenschappen, komen zij ten laste van de lidstaten volgens de bruto nationaal roductverdeelsleutel, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit. Lidstaten wier vertegenwoordiger in de Raad een formele verklaring krachtens artikel 23, lid 1, tweede alinea, heeft afgelegd, zijn niet verplicht bij te dragen in de financiering van uitgaven die voortvloeien uit operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied."

  • 3. 
    Werkgroep VII heeft geconstateerd dat in het kader van de GBVB-activiteiten soms dringende financieringen nodig zijn waarvoor de gebruikelijke procedures niet geschikt zijn. Bovendien is er volgens Werkgroep VIII behoefte aan een specifieke bepaling betreffende de voorbereidende fase van missies als bedoeld in artikel 30, lid 1. Deze behoefte vloeit enerzijds voort uit het feit dat de procedures voor de financiering van de civiele aspecten uit de begroting van de Unie omslachtig zijn en dus veel (en bij het opstarten van een operatie kostbare) tijd vergen, en anderzijds uit het feit dat een snelle financiering van de militaire aspecten die niet uit de begroting kunnen worden gefinancierd, mogelijk moet worden gemaakt.

    Wanneer de beoogde missie een operatie zou zijn waarbij uitsluitend civiele middelen of civiele en militaire middelen worden ingezet, zouden de voorbereidende activiteiten gefinancierd worden uit een speciaal onderdeel van de begroting van de Unie. Voor het beheer van dat onderdeel zou een bijzondere regeling gelden die enerzijds een snelle toegang tot de middelen zou garanderen (dus een vereenvoudiging van de gebruikelijk procedure voor toegang tot kredieten), en anderzijds voor een snelle aanwending van de middelen zou zorgen, waarbij zou worden afgeweken van in normale toepasselijke procedures (zoals bijvoorbeeld voor overheidsopdrachten).

    Wanneer de overwogen operatie evenwel militaire implicaties of implicaties op het gebied van defensie zou hebben en de uitgaven bijgevolg niet ten laste van de begroting kunnen komen, wordt er een fonds bestaande uit bijdragen van de lidstaten gecreëerd om de voorbereidende fase van de operatie te financieren. Het besluit betreffende de verdeelsleutel voor de financiering van het fonds zou door de Raad bij gekwalificeerde meerderheid worden vastgesteld.

    Voor de instelling van het fonds moeten voorts het aanvangsbedrag van het fonds en de nadere voorschriften voor het afroepen van de bijdragen worden vastgesteld, d.w.z., de wijze waarop het fonds wordt aangevuld wanneer de middelen geheel of gedeeltelijk zijn uitgegeven. Hierover moet de Raad met gekwalificeerde meerderheid een besluit nemen. Voorts moet de Raad een afzonderlijk besluit nemen over de opstelling van het financieel reglement van het fonds. Dat besluit wordt mogelijk gemaakt in de tweede alinea van dit lid.

    Omdat een doeltreffende en snelle aanwending van het fonds belangrijk is wordt in de derde alinea ten slotte voorgesteld dat de minister van Buitenlandse Zaken door de Raad kan worden gemachtigd om het fonds aan te wenden en te beheren.

2003
  • 1. 
    De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen van dit hoofdstuk komen ten laste van de begroting van de Unie.
  • 2. 
    De beleidsuitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van die bepalingen komen eveneens ten laste van de begroting van de Unie, behalve wanneer het beleidsuitgaven betreft die voortvloeien uit operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied en gevallen waarin de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit.

    In de gevallen waarin de uitgaven niet ten laste komen van de begroting van de Unie, komen zij ten laste van de lidstaten volgens de bruto nationaal product-verdeelsleutel, tenzij de Raad met eenparigheid van stemmen anders besluit. Lidstaten wier vertegenwoordiger in de Raad een formele verklaring krachtens [artikel 9, lid 1, tweede alinea,] heeft afgelegd, zijn niet verplicht bij te dragen in de financiering van uitgaven die voortvloeien uit operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied.

  • 3. 
    Bij een besluit van de Raad worden de specifieke procedures vastgesteld om de snelle toegankelijkheid te waarborgen van de in de begroting van de Unie opgevoerde kredieten voor de dringende financiering van initiatieven in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met name de voorbereidingen van de in [artikel 32, lid 1, van deel I] van de Grondwet bedoelde missies.

    De activiteiten ter voorbereiding van de in artikel 32, lid 1, van deel I van de Grondwet bedoelde missies die niet ten laste komen van de begroting van de Unie, worden gefinancierd door een startfonds, dat wordt gevormd door bijdragen van de lidstaten.

    De Raad neemt met gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken de volgende voorschriften aan:

    • a) 
      de voorschriften voor de instelling en financiering van het fonds, met name de aan het fonds toegekende financiële middelen en de wijze van afroepen van de bijdragen;
    • b) 
      de voorschriften voor het beheer van het fonds;
    • c) 
      de voorschriften voor de financiële controle.

    Wanneer de Raad een missie overweegt als bedoeld in [artikel 32 van deel I] van de Grondwet, die niet ten laste kan komen van de begroting van de Unie, machtigt hij de minister van Buitenlandse Zaken om dit fonds te gebruiken. De minister van Buitenlandse Zaken brengt aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit mandaat.

2003
  • 1. 
    De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen van dit hoofdstuk komen ten laste van de begroting van de Unie.
  • 2. 
    De beleidsuitgaven die uit de uitvoering van die bepalingen voortvloeien, komen eveneens ten laste van de begroting van de Unie, behalve wanneer zij verband houden met operaties die consequenties hebben op militair of defensiegebied en met gevallen waarin de Raad van Ministers anders besluit.

    Uitgaven die niet ten laste komen van de begroting van de Unie, vallen ten laste van de lidstaten volgens de verdeelsleutel die gebaseerd is op het bruto nationaal product, tenzij de Raad van Ministers anders besluit. Lidstaten waarvan de vertegenwoordiger in de Raad van Ministers een formele verklaring krachtens artikel III-201, lid 1, tweede alinea, heeft afgelegd, zijn niet verplicht bij te dragen in de financiering van uitgaven welke verband houden met operaties die consequenties hebben op militair of defensiegebied.

  • 3. 
    De Raad van Ministers stelt bij Europees besluit specifieke procedures vast die waarborgen dat de op de begroting van de Unie opgevoerde kredieten voor de dringende financiering van initiatieven in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met name voor de voorbereiding van de in artikel I-40, lid 1, bedoelde missies, snel beschikbaar komen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

    De voorbereiding van de in artikel I-40, lid 1, bedoelde missies die niet ten laste komen van de begroting van de Unie, wordt gefinancierd uit een startfonds, gevormd door bijdragen van de lidstaten.

    De Raad van Ministers regelt bij Europees besluit, op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen:

    • a) 
      de instelling en vorming van het startfonds, met name ten aanzien van de in het fonds gestorte middelen en de wijze van terugbetaling;
    • b) 
      het beheer van het startfonds;
    • c) 
      de financiële controle.

    Wanneer de Raad van Ministers een missie in de zin van artikel I-40, lid 1, overweegt, die niet ten laste van de begroting van de Unie kan worden gebracht, machtigt hij de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie om dit fonds te gebruiken. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie brengt aan de Raad van Ministers verslag uit over de uitvoering van deze opdracht.

2003
  • 1. 
    De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de uitvoering van dit hoofdstuk komen ten laste van de begroting van de Unie.
  • 2. 
    De beleidsuitgaven die uit de uitvoering van dit hoofdstuk voortvloeien, komen eveneens ten laste van de begroting van de Unie, behalve wanneer zij verband houden met operaties die consequenties hebben op militair of defensiegebied of met gevallen waarin de Raad anders besluit.

    Uitgaven die niet ten laste komen van de begroting van de Unie, komen ten laste van de lidstaten volgens de verdeelsleutel die gebaseerd is op het bruto nationaal product, tenzij de Raad anders besluit. Lidstaten waarvan de vertegenwoordiger in de Raad een formele verklaring krachtens artikel III-201, lid 1, tweede alinea, heeft afgelegd, zijn niet verplicht bij te dragen in de financiering van uitgaven welke verband houden met operaties die consequenties hebben op militair of defensiegebied.

  • 3. 
    De Raad stelt bij Europees besluit specifieke procedures vast die waarborgen dat de op de begroting van de Unie opgevoerde kredieten voor de dringende financiering van initiatieven in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met name voor de voorbereiding van de in de artikel I-40, lid 1, en III-210 bedoelde missies, snel beschikbaar komen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

    De voorbereiding van de in de artikelen I-40, lid 1, en III-210 bedoelde missies die niet ten laste komen van de begroting van de Unie, wordt gefinancierd uit een startfonds, gevormd door bijdragen van de lidstaten.

    De Raad regelt bij Europees besluit, op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen:

    • a) 
      de instelling en vorming van het startfonds, met name ten aanzien van de in het fonds gestorte middelen en de wijze van terugbetaling daarvan;
    • b) 
      het beheer van het startfonds;
    • c) 
      de financiële controle.

    Wanneer een missie overeenkomstig de artikel I-40, lid 1, en III-210 wordt overwogen, die niet ten laste van de begroting van de Unie kan worden gebracht, machtigt de Raad de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie om dit fonds te gebruiken. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie brengt de Raad verslag uit over de uitvoering van deze opdracht.

2004
  • 1. 
    De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de uitvoering van dit hoofdstuk komen ten laste van de begroting van de Unie.
  • 2. 
    De beleidsuitgaven die uit de uitvoering van dit hoofdstuk voortvloeien, komen eveneens ten laste van de begroting van de Unie, behalve wanneer zij verband houden met operaties die consequenties hebben op militair of defensiegebied of met gevallen waarin de Raad anders besluit.

    Uitgaven die niet ten laste komen van de begroting van de Unie, komen ten laste van de lidstaten volgens de verdeelsleutel die gebaseerd is op het bruto nationaal product, tenzij de Raad anders besluit. Lidstaten waarvan de vertegenwoordiger in de Raad een formele verklaring krachtens artikel III-300, lid 1, tweede alinea, heeft afgelegd, zijn niet verplicht bij te dragen in de financiering van uitgaven welke verband houden met operaties die consequenties hebben op militair of defensiegebied.

  • 3. 
    De Raad stelt bij Europees besluit bijzondere procedures vast die waarborgen dat de op de begroting van de Unie opgevoerde kredieten voor de dringende financiering van initiatieven in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met name voor de voorbereiding van de in artikel I-41, lid 1, en artikel III-309 bedoelde missies, snel beschikbaar komen. De Raad besluit na raadpleging van het Europees Parlement.

    De voorbereiding van de in artikel I-41, lid 1, en artikel III-309 bedoelde missies die niet ten laste komen van de begroting van de Unie, wordt gefinancierd uit een startfonds, gevormd door bijdragen van de lidstaten.

    De Raad regelt bij Europees besluit, op voorstel van de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen:

    • a) 
      de instelling en vorming van het startfonds, met name ten aanzien van de in het fonds gestorte middelen en de wijze van terugbetaling daarvan;
    • b) 
      het beheer van het startfonds;
    • c) 
      de financiële controle.

    Wanneer een overeenkomstig artikel I-41, lid 1, en artikel III-309 voorgenomen missie niet ten laste van de begroting van de Unie kan worden gebracht, machtigt de Raad de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie om dit fonds te gebruiken. De minister van Buitenlandse Zaken van de Unie brengt de Raad verslag uit over de uitvoering van deze opdracht.