Hoofdstuk 6 - Financiële bepalingen

Inhoudsopgave van deze pagina:

26.

Financiële rekeningen

  • 1. 
    Het boekjaar van de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken begint op de eerste dag van januari en eindigt op de laatste dag van december.
  • 2. 
    De jaarrekening van de Europese Centrale Bank wordt door de directie opgesteld in overeenstemming met de door de Raad van bestuur vastgelegde grondslagen. De jaarrekening wordt door de Raad van bestuur vastgesteld en vervolgens gepubliceerd.
  • 3. 
    Voor analytische en operationele doeleinden stelt de directie een geconsolideerde balans van het Europees Stelsel van Centrale Banken op, die de van het Europees Stelsel van Centrale Banken deel uitmakende activa en passiva van de nationale centrale banken omvat.
  • 4. 
    Voor de toepassing van dit artikel stelt de Raad van bestuur de nodige regels vast ter standaardisatie van de financiële administratie en verslaglegging van de door de nationale centrale banken uitgevoerde werkzaamheden.

27.

Accountantscontrole

  • 1. 
    De rekeningen van de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken worden gecontroleerd door onafhankelijke externe accountants die op aanbeveling van de Raad van bestuur zijn aanvaard door de Raad. De accountants zijn zonder voorbehoud bevoegd alle boeken en rekeningen van de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken te onderzoeken en volledig te worden geïnformeerd over hun verrichtingen.

28.

Kapitaal van de Europese Centrale Bank

  • 1. 
    Het kapitaal van de Europese Centrale Bank bedraagt 5 miljard euro. Het kapitaal kan in voorkomend geval worden verhoogd bij Europees besluit van de Raad van bestuur, die besluit met de gekwalificeerde meerderheid van stemmen die is voorgeschreven in artikel 10, lid 3, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die door de Raad volgens de procedure van artikel 41 worden vastgesteld.
  • 2. 
    Alleen de nationale centrale banken zijn gerechtigd op het kapitaal van de Europese Centrale Bank in te schrijven en aandeelhouder van de Europese Centrale Bank te zijn. De inschrijving op het kapitaal geschiedt volgens de overeenkomstig artikel 29 vastgestelde verdeelsleutel.
  • 3. 
    De Raad van bestuur bepaalt met de in artikel 10, lid 3, voorgeschreven gekwalificeerde meerderheid van stemmen in hoeverre en in welke vorm het kapitaal moet worden gestort.
  • 4. 
    Onder voorbehoud van lid 5, mogen de aandelen van de nationale centrale banken in het geplaatste kapitaal van de Europese Centrale Bank niet worden overgedragen, verpand of in beslag genomen.
  • 5. 
    Indien de in artikel 29 genoemde verdeelsleutel wordt aangepast, dragen de nationale centrale banken onderling aandelen in het kapitaal over in die mate dat de verdeling van de aandelen overeenkomt met de aangepaste sleutel. De Raad van bestuur stelt de modaliteiten en voorwaarden voor een dergelijke overdracht vast.

29.

Verdeelsleutel voor de inschrijving op het kapitaal

  • 1. 
    De verdeelsleutel voor de inschrijving op het kapitaal van de Europese Centrale Bank, die voor het eerst is vastgesteld in 1998, bij de oprichting van het Europees Stelsel van Centrale Banken, wordt vastgesteld door aan elke nationale centrale bank een weging in deze sleutel toe te kennen die gelijk is aan de som van:
    • 50% van het aandeel van de bevolking van de lidstaat in kwestie in de bevolking van de Unie tijdens het voorlaatste jaar voorafgaand aan de oprichting van het Europees Stelsel van Centrale Banken;
    • 50% van het aandeel van het bruto binnenlands product van de lidstaat in kwestie in het bruto binnenlands product van de Unie tegen marktprijzen, als vastgesteld tijdens de vijf jaar voorafgaande aan het voorlaatste jaar vóór de oprichting van het Europees Stelsel van Centrale Banken.

    De percentages worden naar onder of naar boven afgerond op het kleinste veelvoud van 0,0001% .

  • 2. 
    De voor de toepassing van dit artikel benodigde statistieken worden door de Commissie verstrekt, overeenkomstig de door de Raad volgens de procedure van artikel 41 vastgestelde regels.
  • 3. 
    De aan de nationale centrale banken toegekende wegingen worden na de oprichting van het Europees Stelsel van Centrale Banken om de vijf jaar aangepast, naar analogie van lid 1. De aangepaste sleutel geldt met ingang van de eerste dag van het daaropvolgende jaar.
  • 4. 
    De Raad van Bestuur treft alle andere maatregelen die voor de toepassing van dit artikel nodig zijn.

30.

Overdracht van externe reserves aan de Europese Centrale Bank

  • 1. 
    Onverminderd artikel 28 wordt de Europese Centrale Bank door de nationale centrale banken tot een bedrag van 50 miljard euro gedoteerd met externe reserves, uitgezonderd valuta's van de lidstaten, euro's, reserveposities in het Internationaal Monetair Fonds en bijzondere trekkingsrechten. De Raad van bestuur besluit omtrent de door de Europese Centrale Bank op te roepen delen. De Europese Centrale Bank is ten volle gerechtigd om de aan haar overgedragen externe reserves aan te houden en te beheren en voor de in dit statuut omschreven doeleinden te gebruiken.
  • 2. 
    De bijdragen van iedere nationale centrale bank worden vastgesteld in verhouding tot haar aandeel in het geplaatste kapitaal van de Europese Centrale Bank.
  • 3. 
    Aan iedere nationale centrale bank wordt door de Europese Centrale Bank een vordering toegekend ter grootte van haar bijdrage. De Raad van bestuur bepaalt de denominatie en de rentevergoeding van dergelijke vorderingen.
  • 4. 
    Verdere stortingen van externe reserves boven de in lid 1 gestelde grens kunnen, overeenkomstig lid 2, door de Europese Centrale Bank worden opgeroepen, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die door de Raad volgens de procedure van artikel 41 worden vastgesteld.
  • 5. 
    De Europese Centrale Bank is gerechtigd reserveposities in het Internationaal Monetair Fonds en bijzondere trekkingsrechten aan te houden en te beheren, en te voorzien in het poolen van deze activa.
  • 6. 
    De Raad van bestuur treft alle andere maatregelen die voor de toepassing van dit artikel nodig zijn.

31.

Door nationale centrale banken aangehouden externe reserves

  • 1. 
    Het is de nationale centrale banken toegestaan transacties te verrichten ter voldoening aan hun verplichtingen jegens internationale organisaties overeenkomstig artikel 23.
  • 2. 
    Alle overige transacties in externe reserves die nog door de nationale centrale banken worden aangehouden na de overdrachten bedoeld in artikel 30, en transacties van lidstaten met hun werksaldi in buitenlandse valuta's behoeven, boven een in het kader van lid 3 vast te stellen grens, de goedkeuring van de Europese Centrale Bank teneinde overeenstemming met het wisselkoersbeleid en het monetair beleid van de Unie te verzekeren.
  • 3. 
    De Raad van bestuur vaardigt richtsnoeren uit teneinde dergelijke transacties te vergemakkelijken.

32.

Toedeling van monetaire inkomsten van de nationale centrale banken

  • 1. 
    De inkomsten die de nationale centrale banken bij de uitoefening van de monetaire beleidstaken van het Europees Stelsel van Centrale Banken verkrijgen (hierna "monetaire inkomsten" te noemen), worden aan het einde van elk boekjaar volgens de onderstaande bepalingen toegedeeld.
  • 2. 
    De monetaire inkomsten van elke nationale centrale bank zijn gelijk aan de jaarinkomsten die zij verkrijgt uit de activa die worden aangehouden als tegenwaarde voor de in omloop zijnde bankbiljetten en de verplichtingen jegens kredietinstellingen uit hoofde van deposito's. Deze activa worden door de nationale centrale banken geoormerkt volgens door de Raad van bestuur vast te stellen richtsnoeren.
  • 3. 
    Indien de Raad van bestuur na de aanvang van de derde fase van oordeel is dat de balansindeling van de nationale centrale banken de toepassing van lid 2 niet mogelijk maakt, kan hij met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten dat de monetaire inkomsten, in afwijking van lid 2, gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar volgens een alternatieve methode worden bepaald.
  • 4. 
    Op het bedrag van de monetaire inkomsten van elke nationale centrale bank worden de rentelasten in mindering gebracht die door de betrokken centrale bank zijn betaald over de verplichtingen jegens kredietinstellingen uit hoofde van deposito's overeenkomstig artikel 19.

    De Raad van bestuur kan besluiten dat de nationale centrale banken worden vergoed voor de in verband met de uitgifte van bankbiljetten gemaakte kosten of, in uitzonderlijke omstandigheden, voor specifieke verliezen in verband met de monetaire beleidsoperaties die voor het Europees Stelsel van Centrale Banken zijn verricht. De vergoeding geschiedt in een door de Raad van bestuur passend geachte vorm. Deze bedragen kunnen met de monetaire inkomsten van de nationale centrale banken worden verrekend.

  • 5. 
    De som van de monetaire inkomsten van de nationale centrale banken wordt aan de nationale centrale banken toegedeeld naar rato van hun gestorte aandeel in het kapitaal van de Europese Centrale Bank, behoudens een eventueel besluit van de Raad van bestuur overeenkomstig artikel 33, lid 2.
  • 6. 
    De verrekening en de afwikkeling van de saldi afkomstig van de toedeling van de monetaire inkomsten worden door de Europese Centrale Bank verricht overeenkomstig de door de Raad van bestuur vastgestelde richtsnoeren.
  • 7. 
    De Raad van bestuur treft alle andere maatregelen die voor de toepassing van dit artikel nodig zijn.

33.

Toedeling van nettowinst en -verlies van de Europese Centrale Bank

  • 1. 
    De nettowinst van de Europese Centrale Bank wordt in de onderstaande volgorde overgedragen:
    • a) 
      een door de Raad van bestuur vast te stellen bedrag, dat niet meer dan 20% van de nettowinst mag bedragen, wordt naar het algemeen reservefonds overgedragen tot een maximum van 100% van het kapitaal;
    • b) 
      de resterende nettowinst wordt onder de aandeelhouders van de Europese Centrale Bank verdeeld naar rato van hun gestorte aandelen.
  • 2. 
    In geval van een verlies van de Europese Centrale Bank wordt het tekort gedekt uit het algemeen reservefonds van de Europese Centrale Bank en, indien nodig, bij besluit van de Raad van bestuur, door de monetaire inkomsten van het betrokken boekjaar, naar rato van en tot ten hoogste de bedragen die overeenkomstig artikel 32, lid 5, aan de nationale centrale banken zijn toegedeeld.