Titel III - Sociale politiek

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Onderverdeling

2.

Toelichting Nederlandse regering

Het hoofdstuk over de sociale politiek valt uiteen in twee geheel verschillende delen, resp. betrekking hebbende op de sociale bepalingen en verhoudingen binnen de Gemeenschap (artikelen 117 t/m 122) en op de instelling van een Europees Sociaal Fonds (artikelen 123 t/m 128).

Sociale voorzieningen

Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk over de politiek van de Gemeenschap werd betoogd, waren de Regeringen bij de onderhandelingen van mening, dat het er niet alleen om ging door de afbraak van alle restricties in het onderling verkeer een vrije concurrentie te scheppen, maar dat het ook nodig was voorzieningen te treffen om een gezonde concurrentie te bevorderen. Erkend werd derhalve, dat het nodig zou kunnen zijn allerlei wettelijke voorzieningen of administratieve maatregelen in de Lid-Staten zodanig aan elkaar gelijk te maken of te harmoniseren, dat de schadelijke invloeden, welke van de verschillen in deze voorzieningen en maatregelen op de concurrentieverhoudingen uitgaan, zouden worden geëlimineerd.

Voor deze harmonisatie in het algemeen en met name voor de toenadering der wetgevingen, welker verschillen tot z.g. distorsies leiden, is een procedure vastgelegd in de artikelen 100 t/m 102.

Ten aanzien van een aantal onderwerpen zijn echter specifieke voorzieningen in het Verdrag opgenomen. Een van de onderwerpen, welke daarbij tot bijzonder moeizame onderhandelingen aanleiding heeft gegeven, is dat van de harmonisatie der sociale wetgevingen. Tijdens de onderhandelingen is vooral van Franse zijde deze z.g. sociale harmonisatie sterk op de voorgrond geschoven. De Franse Regering stelde daarbij aanvankelijk, dat over het gehele terrein der arbeidsvoorwaarden tussen de Lid-Staten een zeer grote mate van harmonisatie der op dit punt getroffen wettelijke voorzieningen nodig was.

De andere landen gingen in beginsel uit van de stelling, dat in elk land het algemene peil van de sociale voorzieningen gebonden diende te blijven aan de ontwikkeling van de produktiviteit, ten einde het gevaar van een steeds verder gaande ontwaarding van de munt te ontgaan. Het resultaat is geweest, dat de oorspronkelijke Franse eisen aanzienlijk konden worden ingeperkt.

Verplichtingen tot een alomvattende harmonisatie komen dientengevolge in het Verdrag niet voor. In de plaats daarvan is artikel 117 gekomen, dat niet verder gaat dan op langere termijn een zekere gelijkheid van levenspeil en arbeidsvoorwaarden binnen de Gemeenschap mogelijk te achten, een formulering, welke overeenstemt met artikel 3 van het E.G.K.S.-Verdrag. Dat deze toekomstige gelijkheid mede afhankelijk wordt verklaard van de werking van de Gemeenschappelijke Markt zelf, is een aanwijzing te meer, dat men erin is geslaagd bindende afspraken van algemene strekking te ontgaan.

Wel zijn zodanige afspraken gemaakt met betrekking tot een tweetal specifieke arbeidsvoorwaarden. In artikel 119 hebben alle Regeringen de verplichting op zich genomen, gedurende de eerste etappe, de gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid tot stand te brengen.

De daarnaast door Frankrijk gevraagde harmonisatie met betrekking tot de betaalde vakantie en de vergoeding overuren is op andere wijze tot een oplossing gebracht. Ter zake van de betaalde vakantie volstaat artikel 120 met de vaststelling, dat dienaangaande reeds gelijkwaardigheid aanwezig is; nadere voorzieningen behoeven dus op dit terrein niet te worden getroffen.

De kwestie van de vergoeding van overuren is in het geheel niet in het Verdrag zelf geregeld, maar in het Speciale Protocol voor Frankrijk, sub II, ter sprake gebracht. De reden is, dat de verdragspartners hieromtrent geen vaste verplichtingen op zich hebben willen nemen, maar er zich toe hebben beperkt de verwachting uit te spreken, dat, mede door de werking van de Gemeenschappelijke Markt, aan het eind van de eerste etappe in de industrie van alle landen een zelfde situatie zal zijn gegroeid als die, welke in 1956 in Frankrijk bestond, te weten een overwerkvergoeding van 25 pct. van het uurloon voor de uren, gedurende welke in een week boven het veertigste wordt gewerkt, en van 50 pct. voor de uren boven, 48. Het eerste gedeelte van, deze suggestie komt dus neer op een betaling van 8 x 25 pct. = 200 pct. van het uurloof, of wel 2 uurloon extra per week.

Europees Sociaal Fonds

De artikelen betreffende de instelling van een Europees Sociaal Fonds stemmen naar de geest overeen met de bepalingen, die in het E.G.K.S.-Verdrag zijn ogenomen ter zake van een readaptatiefonds, hoewel de uitwerking niet onaanzienlijke verschillen vertoont. Ook de nieuwe Europese Gemeenschap erkent haar verantwoordelijkheid voor het scheppen van werkgelegenheid ten behoeve van werkloos geworden arbeiders.

Een en ander is in algemene termen geformuleerd in artikel 123, waarna de artikelen 124 t/m 128 de praktische uitwerking regelen. De Regering ziet in deze bepalingen een wezenlijk element van het Verdrag, omdat daardoor de mogelijkheid tot optreden wordt geschapen, indien de vorming van een Gemeenschappelijke Markt eventueel in, sommige gevallen tot ongunstige sociale repercussies zou leiden.

Zij vertrouwt, dat de instelling van het Sociale Fonds, dat vergoedingen geeft aan de Staten, de activiteit van de Regeringen der Lid-Staten waar nodig zal stimuleren om voor arbeiders uit bedrijven, die door het marktvormingsproces blijken te moeten inkrimpen of verdwijnen, nieuwe kansen op werkgelegenheid te scheppen en aldus economische en sociale belangen met elkaar te verenigen. Een doeltreffend beleid ter zake mag naar hun mening mede worden verwacht, omdat in artikel 124 is neergelegd dat de Commissie bij haar beheer van het Fonds zal worden bijgestaan door een comité, waarin ook vertegenwoordigers van de vakverenigingen van werknemers en van werkgevers zijn opgenomen.