Eerste Afdeeling. Van de begrootingen der Staats-Uitgaven.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toetsing Begrooting door Eerste Kamer

Zoodra de begrooting van Staats-Uitgaven, door het Uitvoerend Bewind, aan de Eerste Kamer is ingezonden, doet Deze, door eene daartoe benoemde Commissie, onderzoeken, of dezelve zoodanig zij ingerigt , als bij. Art. 214 en 215 is bepaald. Daarin eenig gebrek bevindende, geeft dezelve Kamer hiervan aan het Uitvoerend Bewind kennis, met opgave der verlangde ophelderingen of bijvoegingen.

2.

Uitvoerend Bewind doet eventueel toelichting toekomen aan Eerste Kamer

Het Uitvoerend Bewind voldoet, ten spoedigsten, aan de begeerte der Eerste Kamer.

3.

Eerste Kamer raadpleegt Commissarissen der Nationale Reekening

De begrooting van Staats-Uitgaven in de behoorlijke form gebragt zijnde, zend de Eerste Kamer die, onverwijld, aan de Commissarissen der Nationale Reekening, die dezelve naauwkeurig onderzoeken, en daarop, van post tot post, uiterlijk binnen  ééne maand daarna, hunne consideratiën aan dezelfde Kamer doen toekomen.

4.

Vertegenwoordigend Lichaam raadpleegt en besluit vóór het einde van het Jaar

Het Vertegenwoordigend Lichaam raadpleegt en besluit alsdan, in de gewoone form, omtrent deze begrooting, vóór het einde van het Jaar.

5.

Buitengewoone begrooting

Het Uitvoerend Bewind zend, in geval van noodzaaklijkheid, eene buitengewoone begrooting, ingerigt, als bij Art. 215 is bepaald, waaromtrent alsdan gehandeld word, volgends Art. 1 tot 4 hier vooren.