Derde Afdeeling. Van den Koning

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Koning heeft volle uitoefening der Regering, Munten naar zijn beeldtenis, Regtsuitoefening in zijn naam, Regt van gratie

De Koning heeft bij uitsluiting, en zonder bepaling, de volle uitoefening der Regering, en van alle de magt, benoodigd, om de uitvoering der Wetten te verzekeren, en dezelve te doen eerbiedigen. Hij begeeft de Burgerlijke en Militaire Ambten en Bedieningen, waarvan de benoeming bij de vorige Wetten aan den Raadpensionaris is toegekend. Hij heeft het volstrekt genot der Preëminentiën en Voorregten, tot nu toe aan deze Waardigheid verknocht.

De Munten van den Staat worden met zijn beeldtenis geslagen.

Het regt wordt in zijn naam uitgeoefend.

Hij heeft 't regt van gratie, abolitie, of remissie van straffen, bij Regterlijke Vonnissen opgelegd, te verlenen; niettemin vermag Hij dat regt niet uitteoefenen dan na alvorens in geheimen Rade de Leden van 't Nationaal Geregtshof te hebben gehoord.

2.

Na overlijden Koning voert Koningin-moeder toezicht op minderjarige troonopvolger, mogelijke rol Keizer der Franschen

Bij den dood des Konings zal de bewaring van den minderjarigen Koning steeds toebetrouwd zijn aan de Koninginne Moeder en bij ontstentenis aan zoodanig Persoon, als daartoe door den Keizer der Franschen zal worden aangewezen.

3.

Regent voorziet in eenen Raad van Nationalen, geen persoonlijke verantwoordelijkheid regent

De Regent zal voorzien zijn van eenen Raad van Nationalen, waarvan de zamenstelling en attributiën bij eene bijzondere Wet zullen worden bepaald.

De Regent zal niet Persoonlijk verantwoordelijk zijn voor de daden zijner bestiering.

4.

Koning bestiert Koloniën en derzelver innerlijke Regering

De bestiering der Koloniën, en van alles wat derzelver innerlijke Regering betreft, behoort bij uitsluiting aan den Koning.

5.

Koning benoemt ministers van Staat voor uitvoering Generaal Bestuur

De Algemeene bestiering des Koningrijks is, onder 't onmiddelijk beleid van vier Ministers van Staat, door den Koning te benoemen, te weten:

Een Minister van Buitenlandsche Zaken;

Een Minister der Zee- en Landmagt;

Een Minister der Financiën; en

Een Minister der Binnenlandsche Zaken.