Additionele artikelen.

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

I Opheffing heerlijke rechten; Schadeloosstelling

De heerlijke rechten betreffende voordracht of aanstelling van personen tot openbare of kerkelijke betrekkingen zijn afgeschaft.

De opheffing der overige heerlijke rechten en de schadeloosstelling der eigenaren kunnen door de wet worden vastgesteld en geregeld.

2.

II Bepaling omtrent vernietiging of onbruikbaar maken persoonlijk eigendom

Het eerste lid van artikel 166 blijft buiten toepassing, totdat de wettelijke regeling omtrent de gevallen waarin geen schadeloosstelling in geval van vernietiging of voortdurende of tijdelijke onbruikbaarmaking van eigendom verleend wordt, zal zijn in werking getreden.

3.

III Bepaling omtrent pensioen aan Weduwen en Wezen van gewezen Kamerleden

De in het vierde lid van artikel 99 bedoelde wet kan geen pensioen verzekeren aan weduwen en wezen van gewezen Kamerleden die vóór 1 Januari 1921 afgetreden of overleden zijn.

4.

IV Bepalingen omtrent pensioenen, schadeloosstellingen van Ministers, reeds afgetreden en aftredende Leden Tweede Kamer

  • 1. 
    Een schadeloosstelling, als bedoeld in artikel 99, waarop aanspraak bestaat ingevolge de krachtens artikel 215 der Grondwet gehandhaafde regeling, wordt niet genoten door de leden, die het ambt van Minister bekleden, noch door hen, die gedurende een gehele zitting afwezig bleven, noch ook door hen, die ingevolge het reglement van orde der Kamer zijn uitgesloten van het bijwonen harer vergaderingen.
  • 2. 
    Met betrekking tot een pensioen, hetwelk afgetreden en aftredende leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingevolge de krachtens artikel 215 der Grondwet gehandhaafde regeling ontvangen tot aan het tijdstip van inwerkingtreding van een wet als bedoeld in de eerste volzin van het derde lid van artikel 99 geldt het bepaalde in de volgende leden.
  • 3. 
    Het pensioen wordt niet genoten, zolang een afgetreden lid het ambt van Minister bekleedt, of, na herkiezing, een schadeloosstelling, als bedoeld in artikel 99, ontvangt.
  • 4. 
    De bedragen van het pensioen en van het daaraan gestelde maximum kunnen worden gewijzigd bij een wet. Tot aan het tijdstip van inwerkingtreding van een wet als bedoeld in de eerste volzin van het derde lid van artikel 99 kunnen de Kamers der Staten-Generaal het ontwerp ener zodanig wet alsmede het ontwerp ener wet tot wijziging of intrekking van een zodanige wet niet aannemen dan met de stemmen van twee derden van het aantal leden, waaruit de Kamer bestaat.
  • 5. 
    In de wet, bedoeld in de eerste volzin van het derde lid van artikel 99, wordt bepaald, dat de daarin vervatte regeling geen toepassing zal vinden en in plaats daarvan de bepalingen omtrent het tweede lid van dit artikel bedoelde pensioen zullen bijven gelden ten aanzien van:
    • a. 
      hem, die op de dag, voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van die wet pensioengerechtigd is als afgetreden lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en daartoe binnen drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van die wet schriftelijk de wens te kennen geeft;
    • b. 
      hem, die op de dag, voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van die wet pensioengerechtigd het lidmaatschap van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekleedt en daartoe binnen drie maanden na het tijdstip, waarop hij is afgetreden zonder onmiddellijk herkozen en toegelaten te zijn, schriftelijk de wens te kennen geeft.

5.

V Bepalingen omtrent de uitbreiding van de Tweede Kamer

Tenzij de Tweede Kamer der Staten-Generaal inmiddels is ontbonden, worden binnen twee maanden na de plechtige afkondiging van de verandering in de Grondwet, strekkende tot uitbreiding van het aantal leden van de Kamer, op een door de Koning te bepalen dag, ter vervulling van de nieuwe plaatsen, door het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal overeenkomstig de navolgende bepalingen vijftig nieuwe leden benoemd verklaard.

Het centraal stembureau stelt, op grondslag van de cijfers der laatstgehouden verkiezing van de Tweede Kamer, vast, hoeveel plaatsen met het hoog op het vergrote aantal leden der Kamer aan iedere lijst moeten worden toegewezen, met dien verstande, dat aan een lijstengroep, een stel gelijkluidende lijsten, of een op zich zelf staande lijst, aan welke bij de laatstgehouden verkiezing geen plaats is toegewezen, ook thans geen plaats wordt toegekend. Het aantal aldus aan iedere lijst toegekende plaatsen wordt vervolgens verminderd met het aantal tevoren reeds aan die lijst toegekende plaatsen. De daarna voor een lijst nog overblijvende plaatsen worden vervuld door overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij Hoofdstuk V der Kieswet, bedoeld bij artikel N 19 dier wet, voor zoveel nodig, is gewijzigd met inachtneming van de opnieuw vast te stellen lijstkiesdeler. Indien een candidaat op meer dan één lijst zou moeten worden benoemd verklaard, vindt het bepaalde bij artikel N 18 der Kieswet overeenkomstige toepassing.

Met ingang van de een en twintigste dag na de benoemdverklaring van de nieuwe leden is de Kamer overeenkomstig artikel 91 samengesteld.

De nieuwe leden treden gelijktijdig met de zittende leden af.

6.

VI Bepalingen omtrent de uitbreiding van de Eerste Kamer

Tenzij de Eerste Kamer der Staten-Generaal inmiddels is ontbonden, heeft binnen twee maanden na de plechtige afkondiging van de verandering in de Grondwet, strekkende tot uitbreiding van het aantal leden van de Kamer, een verkiezing voor een nieuwe Eerste Kamer der Staten-Generaal plaats.

Met ingang van de een en twintigste dag na de vaststelling van de uitslag dezer verkiezing treden de zittende leden af en treden de nieuw gekozen leden op.

Artikel P 2, artikel P 5 en artikel S 1, tweede lid, der Kieswet zijn van overeenkomstige toepassing.

In de Kieswet worden, totdat de wet daaromtrent nader zal hebben beschikt, de volgende veranderingen aangebracht:

  • a. 
    In het tweede lid van artikel P 1 worden de getallen 13, 13, 12 en 12 gewijzigd in 21, 19, 17 en 18.
  • b. 
    Het vierde lid van artikel P 1 wordt gelezen:
    • 4. 
      Om de drie jaren treden beurtelings acht en dertig leden en zeven en dertig leden van de Eerste Kamer af, namelijk beurteling de achte en dertig leden, gekozen in de provinciën Noordbrabant, Zeeland, Utrecht, Limburg, Noordholland en Friesland en de zeven en dertig leden, gekozen in de provinciën Gelderland, Overijssel, Groningen, Drenthe en Zuidholland. De aftredende leden zijn dadelijk herkiesbaar.
  • c. 
    Artikel P 2 wordt gelezen:

    Bij de eerste ontbinding van de Eerste Kamer bepaalt het lot of de in het vierde lid van artikel P 1 bedoelde acht en dertig of zeven en dertig leden zullen aftreden met ingang van de derde Dinsdag van September in het derde kalenderjaar na de eerstvolgende derde Dinsdag in September. De leden, die dit lot niet treft, treden af met ingang van de derde Dinsdag in September in het zesde kalenderjaar na de eerstvolgende derde Dinsdag in September. De aftredende leden zijn dadelijk herkiesbaar.

  • d. 
    In het tweede lid van artikel Q 3 wordt in plaats van de woorden "tien candidaten" gelezen: vijftien candidaten.

7.

VII Flevoland en Noordoostpolder

De wet regelt het toezicht op de gemeenten in door inpoldering verkregen gebieden, welke nog geen deel uitmaken van een provincie.