Buitenstaatverklaring

De buitenstaatverklaring is een verklaring van de Staten-Generaal dat de Koning niet meer in staat is het koninklijk gezag (zijn taken als Koning) uit te oefenen. Voor een buitenstaatverklaring zijn voorschriften vastgelegd in artikel 35 van de Grondwet. De procedure wordt gezien als een soort 'noodrecht' met betrekking tot de Koning.

In artikel 35 van de Grondwet wordt de buitenstaatverklaring als volgt geregeld. Zodra de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is, moet zij hierover een verklaring naar de Staten-Generaal sturen. Na advies van de Raad van State wordt in Verenigde Vergadering van de Staten-Generaal besloten of dit inderdaad het geval is. Na het afgeven van de verklaring wordt het koninklijk gezag uitgeoefend door een regent of de Raad van State.

In de Grondwet staat geen enkel criterium voor de buitenstaatverklaring. Diverse omstandigheden zoals lichamelijke of geestelijke ziekte en langdurige afwezigheid kunnen daartoe leiden. Het is ook mogelijk om de regeling toe te passen op een regent.

Sinds 1814 is een Koning twee maal buiten staat verklaard. Bij koning Willem III gebeurde dat in 1889 en in 1890 wegens ernstige ziekte.

 

Meer over