Artikel 15: Vrijheidsontne­ming

14
Artikel 15
16
  • 1. 
    Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  • 2. 
    Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  • 3. 
    De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  • 4. 
    Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

In andere talen:

English "English"
Français "Français"
Deutsch "Deutsch"
Español "Español"

Inhoudsopgave van deze pagina:

1.

Toelichting

Artikel 15 regelt de vrijheidsontneming. Niemand mag gevangen worden gezet behalve in die gevallen die in de wet zijn genoemd.

Wie niet in opdracht van de rechter gevangen is gezet kan aan de rechter vragen vrij te worden gelaten. De rechter moet de verzoeker binnen een in de wet geregelde termijn horen. De rechter zal de verzoeker onmiddellijk vrijlaten als hij vindt dat de verzoeker onrechtmatig is opgesloten, bijvoorbeeld in geval van een onevenredig lang voorarrest.

Grondrechten gelden in principe ook voor gevangenen, bijvoorbeeld het briefgeheim. Toch kunnen deze grondrechten beperkt worden als dat nodig is. Zo kan besloten worden dat de directeur van de gevangenis post van gevangenen leest.

2.

Formele toelichting

In het eerste lid van artikel 15 is vastgelegd dat niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen behalve in gevallen bij of krachtens de wet bepaald.

Voor vrijheidsontneming anders dan op rechterlijk bevel garandeert het tweede lid de mogelijkheid de rechter te vragen in vrijheid gesteld te worden. Dit recht krijgt in de tweede volzin van het tweede lid nog deze bijzondere waarborg, dat de rechter de verzoeker binnen een bij de wet te bepalen termijn moet horen. Het derde lid schept een waarborg tegen onevenredig lang voorarrest voorafgaand aan of tijdens de berechting.

Zij aan wie door de gevangenhouding of anderszins hun vrijheid is ontnomen, zien zich daardoor beknot in het verrichten van een aantal handelingen, welke door grondrechten worden beschermd. Maar grondrechten gelden in principe ook voor hen aan wie de vrijheid is ontnomen.

Daarom is, naast de speciale beperkingsbevoegdheden in de artikelen over afzonderlijke grondrechten, een extra beperkingsbevoegdheid opgenomen ten aanzien van hen aan wie op rechtmatige wijze hun vrijheid is ontnomen, doch alleen voor zover de uitoefening van grondrechten zich niet verdraagt met de vrijheidsontneming.

3.

In eenvoudig Nederlands

  • 1. 
    De overheid mag burgers alleen opsluiten als dit mag volgens de wet. In de wet kan ook staan dat iemand anders hierover regels mag maken.
  • 2. 
    Iedere burger mag de rechter vragen om hem vrij te laten. De rechter moet altijd luisteren naar de burger. Als de rechter vindt dat de burger gelijk heeft, zal hij de burger direct vrijlaten.
  • 3. 
    Als de overheid iemand gevangen heeft genomen, moet er een rechtszaak komen. De rechtszaak moet zo snel mogelijk beginnen.
  • 4. 
    De overheid kan -als dat nodig is- beslissen dat gevangenen sommige grondrechten niet kunnen gebruiken.

Uitleg

Iedere inwoner van Nederland is vrij. Dit betekent dat de politie je niet zomaar mag opsluiten. De politie mag je alleen gevangen nemen als dat in de wet staat.

Als de politie je heeft opgesloten, mag je altijd aan de rechter vragen je vrij te laten. Als je dit aan de rechter wilt vragen, moet hij zo snel mogelijk naar je luisteren. En als de rechter vindt dat de politie je niet mocht opsluiten, zal hij je onmiddelijk vrijlaten.

Als de overheid je gevangen neemt en wil berechten, moet je rechtszaak zo snel mogelijk beginnen. In de Grondwet en in andere wetten staat niet hoe snel, omdat je dat niet van tevoren kunt weten. De rechter beslist hoe snel dit moet gebeuren.

Als je gevangen zit, kan de overheid je bepaalde grondrechten afnemen. Als dat echt nodig is, mag de directeur van de gevangenis bijvoorbeeld beslissen je brieven te lezen of je telefoon af te luisteren.

4.

Praktijkvragen

Via de Rijksoverheid komen veel vragen over werken bij de overheid binnen, zoals:

Hebt u een andere vraag? Bel 1400 (U betaalt alleen de gebruikelijke belkosten).

5.

Ontwikkeling artikel

1798

Buiten de wettig aangestelde Magten, kan geen Burger, noch ook eenig gedeelte des Volks, eenig openbaar gezag uitoefenen. Het is alleen in de Grond-Vergaderingen, dat alle Staatkundige Regten door de Burgeren worden geöefend.

1801

De rechterlyke Magt wordt alleen uitgeoefend door Rechters, welke by of ingevolge de Staatsregeling vastgesteld zyn of zullen worden.

1805

De Regterlijke Magt wordt alleen uitgeoefend door Regters, ingevolge de Staatsregeling aangesteld. Geene Politieke Magt oefent eenigen invloed op de Regterlijke Magt uit.

1806

De Regterlijke Magt wordt alleen uitgeoefend door Regters, ingevolge de Wet aangesteld. Geene Politieke Magt vermag de onafhankelijkheid der Regters in de uitoefening van eenig gedeelte van hunne werkzaamheden te belemmeren.

1814

Ten einde aan de Ingezetenen dezer Landen te waarborgen de onschatbare voorregten van burgerlijke vrijheid en persoonlijke veiligheid, zullen de volgende regelen de grondslagen der wettelijke beschikkingen uitmaken.

  • a. 
    Wanneer een Ingezeten in buitengewone omstandigheden door het politiek gezag mogt worden gearresteerd, is hij, op wiens bevel zoodanige arrestatie heeft plaats gehad, gehouden daarvan terstond aan den plaatselijken regter kennis te geven, en voorts den gearresteerden binnen den tijd van drie dagen aan deszelfs competenten regter overteleveren.

    De criminele regtbanken zijn bevoegd en verpligt, elk in haar ressort, te zorgen, dat zulks stiptelijk worde nagekomen.

  • b. 
    De regterlijke magt wordt alleen uitgeoefend door regtbanken, welke bij of ten gevolge dezer grondwet worden ingesteld.
  • c. 
    Niemand kan tegen zijnen wil worden afgetrokken van den regter, dien de wet hem toekent.
  • d. 
    Op geene misdaad mag ten straf gesteld worden de verbeurdverklaring der goederen, den schuldigen toebehoorende.
  • e. 
    Bij criminele vonnissen, ten laste van eenen beschuldigden gewezen, moet de misdaad worden uitgedrukt.
  • f. 
    Alle vonnissen moeten met opene deuren worden uitgesproken.
1815

Behalve het geval, dat iemand op heeter daad wordt betrapt, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding, en welk bevel bij, of onmiddellijk na de aanhouding moet beteekend worden aan den geen tegen wien hetzelve is gerigt.

De wet bepaalt den form van dit bevel en den tijd binnen welken alle aangeklaagden moeten worden verhoord.

1840: art 166
1848

Buiten de gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding. Dit bevel moet bij, of zoo spoedig mogelijk na de aanhouding beteekend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.

De wet bepaalt den vorm van dit bevel, en den tijd, binnen welken alle aangeklaagden moeten worden verhoord.

1887

Buiten de gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding. Dit bevel moet bij, of zoo spoedig mogelijk na de aanhouding beteekend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.

De wet bepaalt den vorm van dit bevel, en den tijd, binnen welken alle aangehoudenen moeten worden verhoord.

1917: art 157, 1922: art 158, 1938: art 164, 1948: art 164, 1953: art 171
1983
  • 1. 
    Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
  • 2. 
    Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
  • 3. 
    De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
  • 4. 
    Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.
1987: art 15, 1995: art 15, 1999: art 15, 2000: art 15, 2002: art 15, 2005: art 15, 2006: art 15, 2008: art 15, 2017: art 15